Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

venijn - (gif, boosaardigheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

venijn zn. ‘gif, boosaardigheid’
Mnl. ueníne (in gehavend handschrift) ‘venijn?’ [1220-40; VMNW], venin ‘vergif’ [1240; VMNW], overdrachtelijk in Dan eerst sciet soe hare venijn Dat sijn de quaetheden in hare sijn ‘dan pas schiet ze haar vergif af, dat zijn de boosaardigheden die in haar huizen’ [1290-1310; MNW-R], vul venijns ‘vol boosaardigheid’ [1350-1400; MNW-R].
Ontleend, al dan niet via Frans venin ‘vergif; kwaadaardigheid’ [13e eeuw; FEW] (eerder al door suffixsubstitutie venim [ca. 1120; Rey]), aan middeleeuws Latijn veninum [begin 7e eeuw; FEW], variant van klassiek Latijn venēnum ‘tovermiddel, liefdesdrank, gif(drank), venijn’, verwant met venus ‘liefdesgodin, charme, liefde, seksuele drift’, verwant met → waan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

venijn [gif, laster] {venijn, venin, fenijn [gif, zedelijk kwaad] 1220-1240} < frans venin [idem] < latijn venenum [sap, drank, toverdrank, vergif, verderf]; de oorspr. betekenis was ‘liefdesdrank’ en het woord is verwant met venus [genot, liefde] (vgl. venereren).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

venijn znw. o., mnl. venijn, fenijn, evenals mnd. venīn o. m., mhd. venīn o., ofri. fenīn ‘vergif’ < fra. venin < lat. venēnum.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

venijn znw. o., mnl. venijn (fenijn) o. Evenals mhd. venîn o., mnd. venîn o. m., ofri. fenîn “gif” uit fr. venin of lat. venênum “id.” (in ’t laatste geval vgl. voor de vocaal pijn I).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

venijn o., Mnl. id., uit Fr. venin, van Lat. venenum, eig. liefdedrank, bij Venus.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

venyn s.nw.
Haatlikheid, boosaardigheid, lastertaal.
Uit Ndl. venijn (Mnl. venijn).
Ndl. venijn uit Fr. venin 'venyn' uit Latyn venenum 'sap, drank, toordrankie, gif, die verderf'. Lg. se oorspr. bet. was egter 'liefdesdrankie', en die woord hou verband met venus 'genot, liefde'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

venyn: gif; Ndl. venijn, vroeër ook fenijn (Mnl. venijn, later ook dial. wv.), Eng. venom, ouer ook venim/venum, Fr. venin; wsk. via ’n Ll. vorm uit Lat. venēnum, “gif”, vroeër misk. “liefdes-/towerdrank aan Venus gewy”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Venijn, van ’t Fr. venin, het Lat. venenum = vergif.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

venijn gif 1220-1240 [CG II1 Aiol] <Frans

venijn boosaardigheid 1301-1400 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut