Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

velg - (buitenrand van een wiel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

velg zn. ‘buitenrand van een wiel’
Mnl. naven, speeghen ende velghen ‘naven, spaken en velgen’ [1350-85; MNW schamel II], daer men velghen of maecte ten niewen wielen ‘waarvan men velgen voor de nieuwe wielen maakte’ [ca. 1364; MNW].
Os. velga (mnd. velge, vanwaar door ontlening nzw. fälg); ohd. felga (nhd. Felge); nfri. felling; oe. felg(e) (ne. felloe, felly); alle ‘velg’, < pgm. *felgō-.
Verdere herkomst onzeker. Als men uitgaat van een betekenis ‘over de grond glijdend voorwerp’, kan pgm. *felg- verwant zijn met Proto-Slavisch *polzŭ, waaruit met uiteenlopende betekenissen: Russisch póloz ‘glijijzer van een slee; ringslang’; Tsjechisch plaz ‘reptiel’; Pools płoza ‘glijijzer’; Servisch/Kroatisch plâz ‘ploegijzer, slee-ijzer’ (Kluge, Vasmer); < pie. *plǵh-, *polǵh-. Hierbij hoort ook het werkwoord Oudkerkslavisch plĭzati ‘kruipen’ (Russisch pólzat').
Ook is mogelijk dat pgm. *felg- een uitbreiding is van een wortel pie. *pel- ‘krommen, buigen, draaien’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

velg* [buitenrand van wiel] {vel(li)ge 1364} oudsaksisch velga, middelnederduits velge, vellig(e), volge, oudhoogduits fel(a)ga, fries felge, oudengels felg(e) (engels felly felloe); oorspr. betekende het woord één der onderdelen waaruit vroeger de velg werd samengesteld, vgl. oudindisch parśu- [rib].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

velg [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie WNT.

velg znw. v., mnl. velghe v., os. ohd. felga (nhd. felge), oe. felg, felge v. (ne. felly, felloe), vgl. ook ohd. ungifolgan (hs. ungifalgan) ‘inflexus’; daarmee ook te verbinden mnl. mnd. valge v. ‘braakland’, nhd. felge ‘braakland na het omploegen’ (opperhd. falg), ne. fealh, felch, felg (ne. fallow) ‘omgeploegd braakland’, bij het ww. nnd. falgen, mhd. valgen, velgen, wfri. falgen, fri. felgje, oe. fealgian (ne. fallow) ‘omploegen’ van de idg. wt. *pelḱ: polḱ ‘wenden, omwenden’, vgl. russ. polosá- ’afdeling van een akker, strook’ (IEW 807).

Men heeft verschillende verklaringen beproefd. Gewoonlijk gaat men uit van ‘kromgebogen stuk hout, waarvan de velgen gemaakt worden’. Andere vermoedens, die FW 728 vermelden zijn: 1. verwant met oi. párśu- ‘rib’, dat echter tot de idg. wt. *perḱ behoort; — 2. bij osl. plŭzą, plŭzati, plěžą, plěžati ‘kruipen’ van wt. *pelĝh, dat semantisch onbevredigend is. — 3. van een wt. *pelk gutturaal-afl. van de wortel *ku̯el ‘zich draaien’ (zie: wiel), Kluge-Mitzka 191; maar daartegen verzet zich de beginconsonant. — 4. Bij on. fella v. ‘samenvoeging, lijstwerk’, nnoorw. fella ‘samenvoeging, velg’ bij de wt. *pel ‘vouwen’, waarvoor zie vouwen (Heinertz, Etym. St. z. Ahd. 36). — 5. Bij de wt. *pel ‘bedekken’ (waarvoor zie: bevelen), uitgaande van een velg, die oudtijds als beschutting van de houten delen aan de buitenkant van het wiel zou hebben gezeten (Sperber WS 6, 1914-5, 25 vlgg.). Dan zou het ww. mhd. valgen enz. niet ‘omploegen’ betekend hebben, maar ‘met aardkluiten bedekken van het onkruid’; een zeer omslachtige verklaring, die weinig aanlokkelijk is. — De bijvorm velling (Gron., Veluwe, Zaans), waarnaast ook stiermarks felling kunnen niet, zoals van Haeringen Suppl. 178 opmerkt, tot steun van Heinertz verklaring aangevoerd worden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

velg znw., mnl. velghe v. = ohd. fëlga (nhd. felge), os. fëlga, ags. felg, felge v. (eng. felly, in ’t Ags. [uitsluitend?] ė: grondvorm *falʒiz-? Vgl. eng. dial. fally, vally) “velg” (oorspr.: “gebogen hout, beugel”), misschien ook = ags. felg, felgae, -e v., met sadul-, -ol- samengesteld, geglosseerd met “pella” (opgevat als “deel van den zadelknop, waar ’t zadel aan beide kanten naar beneden buigt”). Of met idg. en met oi. párçu- “rib, sikkel” (oorspr. “kromming, iets kroms”) verwant òf met idg. ĝh bij obg. plŭžą, -zati, plěžą, -zati “kruipen”. In beide gevallen is verwantschap hoogerop met ofri. fiâl o. (idg. *pe-pl-ó-? Ook bij wiel gebracht), ier. imbel, immel “rond om iets heengaande rand”, lat. poples “kniebuiging”, gr. pálē “worstelstrijd”, pálin “terug, weer” mogelijk. [Of al deze woorden bijeenhooren wordt betwijfeld.] Uit het Germ. worden nog ohd. fëlawa v. “wilg” (: osset. färw, farwe “els”) en van de basis felʒ- ohd. un-gi-falgan “inflexus”, ags. fealh “hij wendde zich” (mv. fulgon), ohd. felga v., ags. fealh (g), felch, felg v. “occa” (d.i. “zaadveld, braakland”, niet “wals” of “egge”) (eng. fallow), bei. falg, mnd. mnl. (gron.) valge v. “braakland, zaadveld” – waarbij ags. fealgian “braakland omploegen”, fælging, fylging v. “occa”, eng. to fallow, dial. to felly, mhd. valgen, velgen, ndd. wfri. falgen, fri. felgje “omploegen” – vergeleken, om van onzekerder combinaties te zwijgen. Gael. eilgheadh “levelling a field for sowing, first ploughing”, dat men met velg van idg. pelgh- (ĝh?) (verlengd uit pel-) heeft afgeleid, doet door de frappante bet.-overeenstemming het vermoeden van ontl. uit ’t Eng. opkomen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

velg. Eng. felloe naast felly (ags. ë naast ė?). In het Ndl. zijn vrij verbreid vormen op -ing (Za., Gron., Vel.); dit zijn jongere vervormingen. Misschien is stiermarks felling evenzo te beoordelen; in ieder geval is het gevaarlijk op grond hiervan velg met on. fella v. ‘samenvoeging, lijstwerk, geraamte’ (*falþiôn-), noorw. fella ‘samenvoeging, velg’ van de bij -voud besproken basis idg. *pel- af te leiden (Heinertz Et. St. z. Ahd. 36).
Sperber WuS. 6, 25 vlgg. leest de ohd. glosse un-gi-falgan als -folgan, vat de vertaling ‘inflexus’ op als corruptie voor ‘implexus’ en ags. fealh (in het art. met ‘hij wendde zich’ vertaald) als ‘hij redde, borg zich’ en slaat zo de brug naar germ. *fëlχanan ‘bergen’ (zie bevelen), waarbij velg (dat vroeger ook ‘band buiten om het wiel’ schijnt te hebben betekend) zou behoren als ‘het beschuttende (van de houten wieldelen)’. Ags. fealgian, mhd. valgen, velgen enz. zouden dan op een ospr. causativum *falʒianan ‘doen bedekken’ (nl. ‘maken dat de aardkluiten het onkruid resp. de mest bedekken’) berusten en ook hierbij behoren. Deze combinatie, ook vroeger wel voorgeslagen, is te geforceerd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

velg v., Mnl. velghe, Os. felga + Ohd. id. (Mhd. velge, Nhd. felge), Ags. felge (Eng. felly): oorspr. onzeker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

velg ‘buitenrand van wiel’ -> Deens fælge ‘buitenrand van wiel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors felg ‘buitenrand van wiel’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch pélek, véleg ‘buitenrand van wiel’; Javaans pélah, péleh ‘buitenrand van wiel’; Makassaars pêlleng ‘buitenrand van wiel’; Menadonees fèlek ‘buitenrand van wiel’; Muna fele ‘buitenrand van wiel’; Sasaks pelĕng ‘buitenrand van wiel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

velg* buitenrand van wiel 1364 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut