Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

veld - (open vlakte; akker)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

veld zn. ‘open vlakte; akker’
Onl. felt ‘open vlakte; akker’ in toponiemen, bijv. Martfelde, letterlijk ‘marterveld’ [voor 815, kopie 1183-1195; Künzel], Feldaccra, letterlijk ‘veldakker’ [856, kopie 941; Gysseling 1960], in felt thina irfullot uuerthunt mit genuhte ‘je akkers worden vol van overvloed’ [10e eeuw; W.Ps.], Also thaz ueld ungeerid thie bluomen berid ‘zoals het ongeploegde veld de bloemen voortbrengt’ [ca. 1100; Will.]; mnl. velt ‘open vlakte; akker’ [1240; Bern.], ook ‘strijdperk, slagveld’ in si te uelde quamen ‘ze betraden het slagveld’ [1220-40; VMNW], ‘vak op een schaakbord’ in Dat bert ... was al van finen goude ...; deen velt was een robijn root ..., dander ene miraude groene ‘het schaakbord was helemaal van zuiver goud, het ene veld was een rode robijn, het andere een groene smaragd’ [ca. 1325; MNW]; nnl. veld ook ‘afgebakend sportterrein’ [1909; iWNT].
Os. feld (mnd. velt, en door ontlening nzw. fält); ohd. feld (nhd. Feld); ofri. feld (nfri. fjild); oe. feld (ne. field); alle ‘veld, vlak stuk land e.d.’; < pgm. *felþa-, *felþu-. Daarnaast staat ablautend en met grammatische wisseling *fuldō- ‘aarde, grond’, waaruit: os. folda; oe. folde; on. fold (nijsl. fold).
Er zijn geen exact verwante woorden buiten het Germaans. Wrsch. is pgm. *felþ- < pie. *pelt- een dentaaluitbreiding van de wortel *p(e)lh2- (IEW 805), waarbij ook horen: Latijn plānus ‘vlak’ (zie ook → plein); Litouws plónas ‘dun’, Lets plãns ‘vlak, plat’; Oudkerkslavisch polje ‘veld’ (Russisch póle); Hittitisch palhi- ‘breed’.
De oorspr. betekenis is ‘open vlakte’. Omdat veldslagen e.d. bij uitstek op open vlakten plaatsvonden, kon het woord ook de betekenis ‘strijdperk’ krijgen. Deze is tegenwoordig verouderd, maar komt nog wel voor in diverse vaste verbindingen en samenstellingen, bijv. slagveld ‘terrein waar gestreden wordt’, veldtocht ‘militaire campagne’, het veld ruimen ‘zich terugtrekken’, tegen iets te velde trekken ‘iets bestrijden’, uit het veld geslagen zijn ‘het vertrouwen zijn kwijtgeraakt’. Daarnaast heeft het woord diverse afgeleide en overdrachtelijke betekenissen, zoals ‘begrensd vlak’ (bijv. de velden op een schaakbord) en ‘ruimte waarin een bepaalde kracht werkzaam is’ (bijv. magnetisch veld). De betekenis ‘afgebakend sportterrein’ is overgenomen van Engels field.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

veld* [akker, vlak(te)] {in de vroegere plaatsnaam Hettinchetmeuelden (ligging onbekend) <802-817>, oudnederlands felt 901-1000, middelnederlands velt} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries, oudengels feld; buiten het germ. latijn planus [vlak], litouws plonas [dun, vlak], lets plāns [idem], oudkerkslavisch polje [veld].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

veld znw. o., mnl. velt, os. ohd. feld (nhd. feld), ofri. oe. feld (ne. field) ‘veld, vlakte’ < germ. *felþa, waarnaast abl. *fulþa in os. folda, oe. folde, on. fold ‘aarde, bodem, veld’, vgl. ook ohd. plaatsnaam Fuld-aha. Verder mogelijk abl. *fal- in plaatsnamen als nhd. West-, Ostfalen, de. Falster, zw. Falun, Falköping. — lat. palam ‘open’, osl. polje ‘veld’, polŭ ‘open’, lit. plóju, plóti ‘de hand breed uiteenslaan’, lett. plat ‘dun opsmeren’, miers lathair ‘plaats’ (Persson UUÅ 1891, 10; IEW 806), van de idg. wt. *pelə: plā ‘breed en vlak; uitspreiden’. — Zie ook: vlade en vloer.

Het woord zou dan betekenen ‘het zich wijd uitstrekkende’, te vergelijken met gr. plátos ‘breedte’, oi. pṛthivī ‘aarde’ en verder met de onder vlade genoemde woorden. — Maar bij het woord veld denken wij eerder aan een omheind stuk akkerland en dat voert op de idg. wt. *pel ‘heining, omheinen’ waarvoor zie verder: bevelen (J. Trier Lehm 1951, 24-30).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

veld znw. o., mnl. velt (d) o. = onfr. fëlt (d), ohd. fëld (nhd. feld) o., os. fëld o., ofri. ags. fëld m. (eng. field) “veld, vlakte”, ozw. in ur-fiælder m. “afgescheiden stuk land”. Met ablaut os. folda, ags. folde v. “aarde, bodem, land, on. fold v. “aarde, veld”. [Ook on. fjall o. “gebergte” wordt wel als germ. *felþa- of *felna- hierbij gebracht; maar ’t kan ook met hd. fels(en) m. “steenmassa, rots” gecombineerd worden.] Wsch. participiaalvormen van de idg. basis pel-, waarvan ook lat. palam “open, openlijk”, obg. polje “veld”. Zie verder, ook voor een verlengde basis, vlade; de germ. vormen, vooral de schwundstufige, kunnen ook van die verlengde basis komen. Voor de bet. vgl. nog oi. pṛthivī́- “aarde”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

veld. Wegens ags. fëld, dat een u-stam is, is het veiliger niet van “participiaalvormen” maar van “afleidingen” van de basis *pel- te spreken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

veld o., Mnl. velt, Onfra. felt, Os. feld + Ohd. id. (Mhd. velt, Nhd. feld), Ags. feld (Eng. field), Ofri. feld, en met abl. Os. folda, Ags. folde, On. fold = aarde + Lat. palam = open, planus = effen, Osl. polje. Zw. fält, De. felt uit Ndd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

veld (het, -en), (ook, veroud.:) rechthoekig deel van een plantage* (A. 1), met vaste afmetingen, ongeveer 6 ha groot (blok), begroeid met één gewas, aan de lange kanten begrensd door een trekker*, verdeeld in bedden*. De kleine trenzen* werden niet dieper dan 9 à 10 duim gedolven. Ging men dieper, dan was het mis. Bij het planten van bananen* werden de plantsoenen* aldoor verwisseld van het eene veld naar het andere (Bartelink 25). - Etym.: AN v. kan bet. ’afgedeeld stuk land, perceel’; het hoeft geen bouwland te zijn en geen vaste afmetingen te hebben (WNT 1958). - Syn.: tuin*. Zie ook: stuk*.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

veld 'open vlakte, heide, bouwland, ontginnings- of ontwateringseenheid'
Onl. felt 'open vlakte, ongecultiveerd land', maar reeds ook 'bouwland', mnl. velt, ofri. feld, os. feld, mnd. velt, ohd. feld, oe. feld 'veld, vlak stuk land'. Veld betekende in de middeleeuwen nog 'woeste grond buiten het bouwland', maar naarmate de ontgining voortschrijdt verschuift de betekenis in de late middeleeuwen, afhankelijk van de plaatselijke ontwikkeling, gaandeweg naar een aanduiding voor vaak uitgestrekte complexen van niet omheinde percelen bouwland, die door meerdere boeren werden gebruikt. Houtwallen en heggen beschermden het complex tegen vee en wilde dieren, waardoor daarbinnen geen omheining nodig was. Deze exploitatievorm ontstaat waarschijnlijk in de 9e-10e eeuw1. In een groot deel van het Rijnland (Dld) geldt de betekenis 'bouwland' voor veld al ruim vóór de late middeleeuwen2. Voor Limburg geldt dat veld min of meer synoniem is met het elders gebruikte es ‘bijeengelegen bouwland’. In de Utrechts-Hollandse laagvlakte wordt met veld een ontginnings- of ontwateringseenheid aangeduid. Oudste attestaties in plaatsnamen: vóór 815, mogelijk 765-779 kopie 1183-1195 Martfelde, letterlijk 'marterveld' (misschien → Meerveldhoven)3, ws. 802-817 kopie 1150-1158 in Eitingemouelde (ligging onbekend, in Fresia)4, 918-948 kopie 11e eeuw Benetfelda 'biezenveld' en Uagara felda 'mooi veld' (beide ligging onbekend, in Noord-Holland)5, 996 kopie 1480 Heruelt (→ Herveld)6.
Lit. 1Renes 1999 174, 297, 2Tijdschrift voor Geschiedenis 75 (1962) 185, 3Künzel e.a. 1989 243, 4Idem 126, 5Idem 81, 360, 6Idem 178.

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

De velden zijn wit om te oogsten, het is tijd om te handelen, de tijd is rijp (om iets te doen).

Deze uitdrukking komt uit Johannes 4:35, 'Zegt gij niet: Nog vier maanden, dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u, slaat uw ogen op en beschouwt de velden, dat zij wit zijn om te oogsten' (NBG-vertaling; de NBV heeft hier: 'dat de velden rijp zijn voor de oogst').'. Wit is de kleur die tarwe krijgt wanneer deze rijp is.

Liesveldtbijbel (1526), Johannes 4:35. Siet ic segge v, heft uwe oogen op, ende siet in dat velt, Want het is nv w[i]t totten ooste. (Statenvertaling (1637): want sy zijn alreede wit om te ooghsten.)
Het feit al dat Tentije in zijn bundel een zinswending hanteert als 'wit, wit om te oogsten, landerijen zover het oog maar reikt' (ten bate van de poëzie, wel te verstaan), maakt duidelijk dat de dichter zich in een traditie plaatst. (Trouw, 17-3-1979)
'Vanuit mijn achtergrond weet ik dat je je produkt moet verkopen.' En verder waren 'de velden wit om te oogsten'. (NRC, mei 1994)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

veld ‘akker, vlakte’ -> Engels veld ‘grasvlakte in Zuid-Afrika’ ; Deens veldt ‘steppe van Zuid-Afrika’ ; Zweeds fält ‘akker, vlakte’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests pôld ‘akker, vlakte’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans veld, veldt ‘steppe van Zuid-Afrika’ ; Frans dialect -faut, -vaut, -vert ‘in de omgeving van Boulogne in veel plaatsnamen gebruikt (bijv. Helfaut, Clémevaut, Gazevert)’; Portugees veld ‘grasvlakte in Zuid-Afrika’ ; Indonesisch pél ‘akker, vlakte’; Jakartaans-Maleis pèl, pèlan ‘vlakte’; Javaans pél ‘(voetbal)veld’; Negerhollands veld ‘lengtemaat voor afstanden te land en ter zee; stadion; stuk grond’; Papiaments fèlt, vèlt ‘vlakte’; Sranantongo fèlt ‘afgeperkt stuk grond’; Surinaams-Javaans fèlt ‘voetbalveld’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

veld* akker, vlakte 0802-817 [Claes]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

veld, als politieke term: al diegenen die in een zekere beleidssector opereren, bijvoorbeeld het onderwijsveld. → maatschappelijk* middenveld.

‘Verdere stappen zijn geconditioneerd,’ schrijven d’Ancona en Simons. Ze kenschetsen hun nieuwe scenario voor invoering van een stelselherziening in de gezondheidszorg als ‘weloverwogen verder’. Ze willen voorkomen dat ‘het veld’ (de partijen in de gezondheidszorg) het gevoel krijgt voor het blok te worden gezet, zo blijkt uit het stuk. (De Volkskrant, 05/06/92)
Om nieuwe ondermijnende activiteiten te voorkomen moet eerst ‘het veld’, particulier en ziekenfonds, worden gedwongen tot medewerking. (Het Parool, 06/06/92)
In grote lijnen kwam die reorganisatie erop neer dat er één soort ziektekostenverzekering moest komen, in plaats van ziekenfonds en particuliere verzekering. Simons is hier niet in geslaagd. Oorzaken: een politieke meerderheid voor zijn in 1990 ontvouwde plan-Simons heeft stelselmatig ontbroken en de tegenwerking van ‘het veld’ was bijzonder groot; verzekeraars, specialisten, farmaceuten en vooral de werkgeversorganisatie VNO moesten niets van het plan-Simons hebben. (NRC Handelsblad, 01/10/93)
Evenmin hebben deze ontboezemingen iets te maken met de lekbehoefte van departementen die permanent aan het onderhandelen zijn met wat genoemd wordt ‘het veld’. (Trouw, 24/03/95)
Volgens de bewindslieden heeft het ‘veld’ vorig jaar tot twee keer toe nadrukkelijk aangegeven dat de veranderingen per 1 januari verantwoord waren. (Trouw, 21/03/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2346. Het veld behouden,

d.i. meester blijven; eig. gezegd van eene legermacht, die zich staande houdt, zich niet uit het slagveld laat slaan en meester blijft van het terrein; vgl. Pers, 678 a en de 18de-eeuwsche uitdr. zijn grond bewarenNdl. Wdb. V, 956.. Reeds in het mnl. dat velt behouden; ook in de 16de en 17de eeuw zeer gewoon. Zie R. Visscher, 't Lof van Rhetorica, vs. 48; Idinau, 16; Hooft, Ged. I, 131; Ned. Hist. 111; Vondel, Jeptha, 157; Gijsbr. v. Aemst. 241; Tuinman I, 242; C. Wildsch. IV, 23; Sewel, 839: Het veld behouden, to win or keep the field, to remain master of the field, to get the day; Ndl. Wdb. II, 1519; Waasch Idiot. 688 b: hij zal 't veld niet houden, zal ziek worden, zal sterven. Ook was in de 17de eeuw bekend het veld houden, dat wordt aangetroffen bij Huygens, Hofwijck, vs. 413 in den zin van meester zijn. In het hd. das Feld behalten oder behaupten; eng. to hold (or to keep) the field; to keep one's ground; fri. it fjild bihâlde.

2347. Het veld ruimen,

d.i. vluchten, heengaan; eig. gezegd van eene legermacht, die het slagveld ontruimt, die wijkt; mnl. dat velt (of die plaetse, dat parc, dat scap) rumen of lochenen (16de eeuw). Voor de 17de eeuw vergelijke men Pers, 748 a (in de eig. bet.) en Vondel, Maeghden, 619; Salmoneus, 292:

 Men ruimt, met eenen voet of twee te rugh te treên,
 Het velt niet, maer verliest wat velts om 't velt te winnen.

Zie verder De Telegraaf, 5 Januari 1915 (avondbl.), p. 5 k. 2: Is het beter dat anderen den bal opgooien - allright. Ik ben direct bereid het veld te ruimen; Harreb. II, 367 b: Iemand het veld ruimen of laten. Iemand het slagveld alleen laten (zie V. Avant. I, 222); Ndl. Wdb. XIII, 1715; hd. das Feld räumen; eng. to give ground; fri. it fjild romje.

2348. Veld winnen,

d.i. vooruitkomen, zich uitbreiden, thans vooral gezegd van meeningen en denkbeelden; ook gaandeweg met zijn voornemens of pogingen bij iemand slagen, in welken zin ook grond winnen op iemand voorkomtNdl. Wdb. V, 956.; eig. gezegd van eene legermacht, die den vijand achteruit jaagt en voortrukt; fr. gagner du terrain; eng. to gain ground; hd. Boden gewinnen. De uitdr. is sedert de 17de eeuw vrij gewoon; zie o.a. Vondel, Salmoneus 293; Gijsbr. v. Aemstel, vs. 1218; Aenleidinge: Wie dit maghtigh is, en daer den slagh van heeft, kan veel velts winnen, en zal altijt binnen de palen der voeghlijckheit blijven; Palamedes, 429; Jeptha, 253:

 Het roode meer schuimt bruizende over 't velt
 En wint 'er velt door 't openen der aderen,
 Die roockende in een' boezem hier vergaderen.

Tuinman I, 242; W. Leevend III, 328: veld winnen op; V. Janus III, 2; Harreb. II, 367 b; Afrik. veld win.

2349. Uit het veld geslagen,

eig. gezegd van den vijand, die het slagveld heeft moeten ruimenVgl. in de I7de eeuw in eig. zin iemand uit het bord (verkeerbord) slaan.; bij overdracht van iemand, die geheel van zijn stuk is, onthutst, beschaamd is, zich van zijn veld vindt, zooals Hooft zegt. Vgl. Pers, 666 b: De nijd hem (Bossu) berispte, dat hy gelegentheyt hadde gehad, om Don Johan geheel uyten velde te slaen; Spect. IX, 191: Dus word ik door een Bato uit het veld geslaagen, eer ik my eens ten stryde heb aangegord; Br. v. Abr. Bl. I, 119: Wel, je bent een schoone held, zei ik; ben je zo uit het veld geslagen, om dat ik myn pligt omtrent je doe?; ook bl. 193; C. Wildsch. II, 286: Door een enkel gezegde dus uit het veld geslagen te worden! - loop, gij zijt een vod van een vent. Zie verder Harreb. I, 367 b; Kippev. I, 205; II, 284: Sedert laat ik me door niemand meer uit het veld slaan; Molema, 257: oet 't mat sloagen wezen, verslagen, verbluft, uit het veld geslagen zijn; in het fri. út it fjild slein, onthutst, verslagen; afrik. hy is nou heeltemaal uit die veld geslaan.

2454. Op geen voeten en (of) vaâmen,

d.i. in de verste verte niet; in 't geheel niet, op of in geen velden of wegenTuinman I, 363: In wegen en velden is zulk een niet te vinden.; eig. op geen afstand van voeten (een voet = 3 decimeter) en vademen (een vadem = 6 voet). Vgl. Van Effen, Spect. V, 162: Terwyl een ander, die ook ten hoogsten wierd geroemt, nogtans by zyn makker op voeten en vademen niet halen kan; V. Janus II, 32: 't Gaat jou immers op geen voeten of vaamen aan; III, 50: Zoo dat hij er zich op geen voeten of vaamen naa mee conformeeren konde; Harreb. II, 86 b: Dat verscheelt vademen en mijlen of voeten en vademen; De Telegraaf, 17 Nov. 1914 (avondbl.), p. 11 k. 4: Op geen voeten of vademen na klaar komen; fri. it skeelt foetten en fiemen; Molema, 263 a: 't scheelt mielen en voamen; vgl. ook Loquela, 516: buiten vame en voet, buitenmate.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut