Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vel - (huid; blad papier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vel zn. ‘huid; blad papier’
Onl. fel ‘vlies’ in Nitherstigon sal also regan an uelli ‘hij zal neerdalen als de regen op een vlies’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. vel ‘huid van mensen en dieren, gestroopte huid’ [1240; Bern.], vel te droghene ‘(gestroopte) huid te drogen’ [1280; VMNW], van swarten hare es sijn vel ‘zijn huid is zwart behaard’ [1287; VMNW], iiij d van enen forsine velle ‘vier penningen voor een vel perkament’ [1286; VMNW], dat de heileghen opt kalfvel ghescreven hebben ‘wat de heiligen op het kalfsvel geschreven hebben’ [1380-1400; MNW-P]; vnnl. een vel papiers heel vol gescreven [1568; iWNT], vel van parckement ‘een vel perkament’ [1573; Thes.].
Os. fel (mnd. vel); ohd. fel (nhd. Fell); ofri. fel (nfri. fel); oe. fell (ne. fell); on. fjall ; ozw. fjæl ‘schub’ (nzw. fjäll); got. (in samenstellingen) fill; alle ‘huid’, < pgm. *fella- < *felna-. Daarnaast staat pgm. *felmōn-, waaruit oe. (ǣg)felma ‘eierschaal’; en pgm. *felminja-, waaruit: ofri. filmene ‘huid’; oe. filmen ‘membraan, vlies, huid’ (ne. film, zie → film).
Verwant met: Latijn pellis ‘huid, vel, pels’, zie → pellen en → pels; Grieks pélma ‘voetzool’; Litouws plėnė̃ ‘huid’; < pie. *pelni-, *pelno-, *pelmo-. Afgeleid van de wortel *pel- (IEW 803), waaruit: Grieks pélas ‘huid’.
De betekenis ‘blad van papier’ is ontstaan door betekenisuitbreiding van vel in de betekenis ‘dierenhuid die zodanig was bewerkt dat erop kon worden geschreven’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vel* [huid] {oudnederlands fel 901-1000, middelnederlands vel(le)} oudsaksisch, oudhoogduits fel, oudfries, oudengels fell, oudnoors fjall, gotisch fill; buiten het germ. latijn pellis [huid], grieks pelma [schoenzool], litouws plėvė [dunne laag huid].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vel znw. o., mnl. vel, onfrank. vel, os. ohd. fel (nhd. fell), ofri. fel, oe. ne. fell, on. fell, fjall, ‘vel’, got. þruts-fill ‘uitslag’. — lat. pellis ‘huid’, gr. pélas ‘huid’, pélma ‘voetzool’, osl. pelená ‘windsel, luier’, lit. plėnė ‘huid’ (IEW 803). — Zie ook: film.

De germ. grondvorm *fella is ontstaan uit *felna evenals lat. pellis <*pelnis.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vel znw. o., mnl. vel (ll) o. = onfr. vël(l), ohd. fël (nhd. fell), os. ofri. fël, ags. (eng.) fëll, on. fjall (in samenst.), got. fill (in samenst. en afl.) o. “vel, huid”. Met ll uit ln evenals lat. pellis “id.”, terwijl ofri. filmene v. “huid”, ags. filmen o. “huidje, voorhuid” (eng. film), mnl. velm, vilm “vlies” zich formantisch bij gr. pélma “zool van voet of schoen” aansluiten. Verder zijn o.a. verwant: noorw. file m. (*feljan-) “zure room”, gr. erusí-pelas “huidontsteking”, lit. plėvė̃, plėnė “dun, fijn huidje”. Verdere combinaties zooals met ier. lenn “sagum”, lat. palla “lange mantel”, russ. pelená “windsel, luier” en met lat. palea, obg. plěva, opr. pelwo, lit. pelaĩ, pẽlûs, oi. palâva- “kaf” (oorspr. “hulsje”?) zijn mogelijk, maar onzeker. De eerste dezer twee woordgroepen kan evengoed van een basis pel- “winden, vouwen” (zie vouwen) als met vel enz. van pel- “bedekken” komen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vel o., Mnl., Onfra. id., Os. fel + Ohd. id. (Mhd. vel, Nhd. fell), Ags. fell (Eng. id.), Ofri. fel, On. fjall, Go. fill + Gr. pélla, Lat. pellis.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vel (zn.) huid, vel; Vreugmiddelnederlands vel <1240> < Rienlands Fell.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1vel s.nw.
1. Huid van mense of diere. 2. Afgeslagte huid van diere. 3. Blad papier, rubber, ens. 4. Liggaam of lewe. 5. Vlies wat bo-op melk wat afkoel, verf wat verdamp, ens. vorm. 6. Kleur van die vel (1vel 1).
In bet. 1 - 5 uit Ndl. vel (al Mnl. in bet. 1 en 2, 1529 in bet. 3, 1579 in bet. 4, 1660 in bet. 5). Bet. 6 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in vroeë Afr. op 9 Desember 1741 in die samestelling vel-schoenen (Scholtz 1972: 174 - 175), waarna in Afr. in bet. 3 by Changuion (1844).
D. Fell (8ste eeu in bet. 1 'pels'), Eng. fell (1000 in bet. 1).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

vel, (ook:) 1. (het), geld. Want al zou je de moderne jeugd, die snel veel vel zonder hard werken wil hebben, meer betalen, er komt geen verandering in de situatie (BN, najaar 1978: 94). - 2. plaat van bouwmateriaal (triplex, board e.d.). - 3. zie balatavel*. - Etym.: (1) Gedacht kan worden aan papiergeld, zoals bij het syn. blad* (2). (2) In de triplexfabricage wordt ’vel’ gebruikt voor de dunne plak hout die ontstaat door het ’schillen’ van een stam; een plaat triplex bestaat dus uit drie van zulke ’vellen’ op elkaar.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vel I: s.nw., huid; Ndl. vel (Mnl. vel), Hd. fell, Eng. fell, hou verb. m. film en wsk. m. Lat. pellis, Gr. pella, “huid”, en indien wel, dan ook m. med. term erisipelas, “huidontsteking” (Gr. erusi- (uit eruthros, “rooi”) en pel- (uit pella, “huid”).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Vel snw. Vra iemand waar ’n ander is, word hom skertsend geantwoord: In sy vel (onder kinders). – Corn. en Vervl. 1322: “Als iemand vraagt: waar is die of die persoon? antwoord men schertsend: hij is in zij(n) vel, en als hij er uitkomt, is hij nie(t) wel;” Joos 688: id.
Segsw.: Net vel en been wees, brandmaer (Ndl. vel over been). – Corn. en Vervl. 193: ’t Is niet als vel en beenen, zegt men ook van iemand die zeer mager is.” In Ridderkerk (Van de Schelde tot de Weichsel I, 192) is niks as vel over been gebruiklik.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

vel: (lelijke) vrouw: jaloers of oud vel. In de zestiende eeuw noemde men een hoer een dubbel vel of een vel met een gat.

Ook zegt men van een meisje, dat zij een lief ding – van eene vrouw, dat zij een oud vel – van eenen man, dat hij eene goede kennis is. (P. Weiland, Nederduitsche Spraakkunst, 1805)
‘Dat jaloersche vel, mijn wijf,’ vervolgde hij bij zich zelven onder ’t weggaan, ‘zou juist van deuze afspraak niet gëergerd worden.’ (Jacob van Lennep, De pleegzoon, 1833)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

vel. In de historische eedformule bij Gods vellen worden God en zijn huid tot getuigen aangeroepen dat men de waarheid spreekt. Het ijdel gebruik van die eedformule maakt haar tot vloek, die, om anderen niet te kwetsen, verbasterd en dus afgezwakt kon worden. Als gevolg van sommige ziektes, bijvoorbeeld bij roodvonk, of als gevolg van verbranding laat de opperhuid in grote lappen los. Tegen die achtergrond moeten waarschijnlijk de verwensingen krijg de vellen!, vellen!, de vellen! verklaard worden. Oorspronkelijk moet bij vellen aan een bepaalde ziekte, zoals schurft en psoriasis e.d. gedacht zijn. Aan een oude lijfstraf herinnert de tot vloek en uitroep van verontwaardiging geworden oorspronkelijke zelfverwensing ik laat mij levendig het vel afstropen (als het niet waar is). De letterlijke betekenis is ‘villen’. Deze verwensing komt voor in het Land van Aalst volgens De Cock (1908: nr. 255). De emotionele betekenis duidt op ergernis, boosheid, minachting en andere vergelijkbare frustraties. Zij kan weergegeven worden met ‘donder op, bekijk het maar’. Dat alles geldt ook voor de Haagse verwensing krijg de loopse vellen!, waarin loops als versterker dienst doet, en voor spring uit je vel!, een regel die ik vond in een variant op het verwensingsvers stik, verrek, verrot, verteer enz. → doodvallen, God, krijgen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vel ‘huid; blad papier’ -> Indonesisch pél ‘blad papier; katern van 8 of 16 gedrukte pagina's’; Javaans pèl ‘vel, katern (papier)’; Petjoh de vellen ‘niets, niks, geen snars’; Negerhollands vel, fel ‘huid’; Papiaments † vel ‘bladzijde’; Sranantongo fèl ‘huid; blad papier’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vel* huid 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2344. Iemand het vel over de ooren halen,

d.i. iemand afzetten, uitzuigen, uitkleeden, in 't hemd zetten (Hooft, Ned. Hist. 233); mnl. enen villenVgl. Men moet een schaap scheren maar niet villen; fr. bon berger tond ses brébis et ne les écorche pas, il est maladroit d'exiger trop des gens qu'on fait payer, d'épuiser leurs ressources; eene gedachte, die in de middeleeuwen reeds vrij gewoon is (zie Maerlant, Stroph. Ged3, bl. 198) en aan het lat. is ontleend: boni pastoris est tondere pecus non deglubere (Suet. Tib. 32)., sceren, plumen, plucken (fr. plumer qqn); in Zuid-Nederland: iemand afpluimen, vladen (mnl. vlaen of blecken); Hooft, Ged. II, 311: iemand 't vel afstropen; Focquenb. Zeegenzang, in t jaar 1666, vs. 32: Vermits hy stracks den blijen onderdaen met last, op last het vel socht af te stroopen; Tuinman I, 49: Ymand de huid over de ooren trekken, hem onbarmhartig havenen; zoo bij Van Eijk II, 40 in den zin van iemand geheel uitkleeden, waarvoor aan de Zaan ook gezegd wordt iemand 'et haar uit zijn kale kruin trekken (Boekenoogen, 278); ook in de 17de eeuw iemand de huid over het hoofd halenNdl. Wdb. VI, 1213.. Vgl. Schuermans, 777 b: iemand het vel afhalen of afstroopen, hem arm maken, hem alles afhalen; Antw. Idiot. 1208: stroopen, te veel doen betalen; het lat. (Plautus, Epid. I, 1, 63): detegitur corium de tergo meo; fr. écorcher qqn; hd. einem die Haut, das Fell über die Ohre ziehen; einen schinden; eng. to strip a p.'s skin over his ears; to rob anyone of his very skin; to skin, afzetten, dat herinnert aan het 17de-eeuwsche schennen en aanschennenFeestbundel aan M de Vries, 125 vlgg.; Mnl. Wdb. VII, 561.; in het fri. immen it fel oer de nekke helje of strûpe; Twente: eenen 't vel over de oaren stroapen of 't blood onder de nägel hen zoegen.

2345. Uit zijn vel springen,

d.i. barsten, hetzij van vrees, van woede of angst; thans alleen bij overdrijving gezegd van iemand, die woedend is, zich dik maakt en buiten zich zelf raakt; vgl. mnl. (van torne) spliten; ndl. barsten van spijt en het lat. (invidia) rumpi; gaudimonio, felicitate dissilireOtto, 303; Journal, 369. De uitdrukking dagteekent bij ons uit de 16de eeuw; ze komt voor in het Sacr. v.d. Nyeuwerv. 12: Ic springhe van vare (angst) uut den velle. Verder bij Hooft, Ged. II, 335: Om ien hayr soud' ick wel uyt mijn vel springhen van spijt; in de Gew. Weeuw. II, 24: Ik seg je, dat ik uit mijn vel meenden te springen van boosheid; Hofwijck, 552 (van vreugde); Spaan, 52; 90; Focquenb. Singh-Sangh I, 3: Mijn hartje brandt op koolen en springht mijn vel schier uyt; Tuinman I, 312; Langendijk II, 206; Harreb. I, 80 b; Antw. Idiot. 1322; Waasch Idiot. 620; 688 b; Schuermans, 777 b: Uit zijn vel springen van kwaadheid; iemand uit zijn vel doen springen; in het fri. ût syn fel barste, van trotschheid; ût syn fel springe fen lilkens (boosheid), fen blydskip. Te vergelijken is Despars, 3, 35: Hij meende uyt zijn schoens te springhene van quaetheden (vgl. De Bo, 998: Uit zijne schoen springen van verschot (schrik), van blijdschap of van gramschap); Paffenrode, 110: Ik spring schier uyt mynen draeghband dat ik sulke dingen vanje hoor; bl. 202: 't Is om door 't garen te springen (Sewel, 230); Winschooten, 229: zijn reuzel(s) scheuren; Coster, 356, vs. 1635: Ja wel, ick scheur mijn reusel en maacker een huyck van; Harreb. I, 338 b; Brieven v.B. Wolff, 333; Sewel, 673: Ik meende myn reuzel te scheuren, ik meende van spyt te barsten, I thought to burst with spite. Ook in andere talen kent men de uitdr. zooals blijkt uit het ofr. issir de sa pelZie Verdam in de Handelingen en Mededeelingen van de Maatschappij der Ndl. Ltk. te Leiden, 1897/'98, bl. 47, waar onze uitdrukking wordt beschouwd als een spoor van vroeger volksgeloof en als herinnering ‘aan den grijzen voortijd, toen onze voorvaderen nog het lichaam beschouwden als een gewaad, een bekleedsel der ziel, hetwelk zij onder bepaalde omstandigheden ook kon verlaten, het vermogen dus om eene andere gedaante aan te nemen.’; fr. ne pas tenir (ou crever) dans sa peau; hd. aus der Haut fahren oder springen; eng. to jump (or fly) out of one's skin (ook van vreugde). Zie no. 428.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut