Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

veil - (klimop)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

veil zn. gewest. ‘klimop (Hedera helix)’
Mnl. veluwe ‘klimop’ [1484; iWNT]; vnnl. velue [1514; iWNT], veyl [1543; Fuchs], veel [1546; iWNT], veil [1567; iWNT].
De oudste vormen zijn wrsch. ontwikkeld uit Proto-Germaans *felwjōn en afgeleid van de wortel *felu- van → veel. Men kan de naam dan opvatten als ‘welig groeiende plant’. De vorm veil, die oorspr. vooral Brabants is, is dan oorspr. een spellingvariant van het te verwachten *veel (WNT, Toll.).
Ook afleiding van pgm. *felwo- ‘vaal’ is mogelijk, vanwege de zilverachtige bovenkant van zowel klimop- als hondsdrafblaadjes (voor hondsdraf, zie onder). Volgens Grootaers (1954) zou het gaan om een ontlening aan vulgair Latijn *volvella, verkleinwoord van volvulus ‘wikkeling’ bij het ww. volvere ‘wentelen’, zie → volte. De veil is dan eigenlijk de ‘plant die zich samenrolt’. De stamklinker wordt daarmee echter niet verklaard.
aardveil zn. ‘hondsdraf (Glechoma hederacea)’. Mnl. ertivelt, hertvelde (datief) ‘bepaald kruid (in recepten)’ [1305; De Vreese 1894, 118], ertwelt ‘klimop’ [ca. 1350; Vandewiele/Braekman 1968, 134], ertvelt, hertvelde (datief) ‘bepaald kruid’ [1351; MNW-P], ertvelt, e(e)rtveltlovere ‘id.’ [1400-50; De Vreese, resp. 98, 85, 60], ertvelt ‘klimop’ [1420-40; Van Sterkenburg 1975, 238]; vnnl. eerdtveyl ‘hondsdraf’ [1543; Fuchs], ærdveld ‘klimop’ [1546; Naembouck], aerd-veyl [1620; WNT]. Samenstelling van → aarde ‘grond’ en veil. De overeenkomst met de veil, die ter contrast ook wel boomveil wordt genoemd, is slechts het kruipende gedrag, maar dan in horizontale richting. Een oude wetenschappelijke benaming was dan ook Hedera terrestris, letterlijk ‘aard-klimop’. Vergelijk de hedendaagse standaardnamen in het Engels: ivy ‘klimop’ naast ground-ivy ‘hondsdraf’; en in het Frans lierre ‘klimop’ naast lierre terrestre ‘hondsdraf’. De Middelnederlandse vormen op -velt zijn wrsch. volksetymologisch beïnvloed door → veld. Opvallend is dat de vormen met correcte spelling pas vanaf het vnnl. zijn aangetroffen.
Lit.: W.L. de Vreese (1894), Middelnederlandsche geneeskundige recepten en tractaten, zegeningen en tooverformules, Gent; L. Grootaers (1954), ‘Veil “klimop” in Zuid-Nederland’, in: T&T 6, 89-92; F. Ceelen (1958), ‘Klimop (Hedera helix)’, in: T&T 10, 16-31; L.J. Vandewiele & W.L. Braekman (1968), ‘Een Latijns-Mnl. plantenglossarium uit het midden van de 14e eeuw’, in: Scientiarum historia 10, 115-144

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

veil1* [klimop] {veyl 1543, vgl. veel, vael 1546, veluwe 1484} etymologie onzeker, misschien verwant met vaal.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

veil 1 znw. o., nu in Brabant, Antw. en land van Waas, vgl. velue, veluwe (1484) en vael, vaele, veel (16de eeuw). De verbinding met *falwa ‘vaal’, vgl. mhd. velwe, ohd. felawa ‘wilgsoort, salix alba’ zo genoemd naar de kleur der bladeren (Holthausen IF 25, 1909, 150) geeft een verklaring die voor de klimop met haar heldergroene kleur weinig passend is (de Tollenaere WNT 16, 1356). — Indien men zou mogen uitgaan van *faila, *fila, dan zou men aan een afl. van vei kunnen denken en de naam opvatten als ‘de welig groeiende plant’.

Er is dan te herinneren aan het zeeuwse veil ‘welig’, dat de Tollenaere WNT 16, 1370 uit een grondvorm *fegila wil verklaren, waarvoor zie: vei. — Geheel anders weer L. Grootaers TTv 6, 1954, 89-93 die dit zuidnl. woord uit het lat. wil afleiden en daartoe vergelijkt waals vôvale < lat. *volvella, dem. van volvulus, dus eig. ‘een plant die zich samenrolt’.

veil [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: de verklaring van L. Grootaers strandt op een onoverkomelijk formeel bezwaar; de oudste vormen van veil, t.w. veluwe [1484] en velue [1514] wijzen op germ. *felwa- (TTv 11, 17 [1959]).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

veil I znw. o. Kil. vaele, veyle “klimop”, zuidndl. dial. veel o. met ē. Oorsprong en verhouding der vormen onderling onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

veil 1 o. (klimop), Kil. veyle, vale: oorspr. onbek.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut