Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vegen - (wrijvend schoonmaken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vegen ww. ‘wrijvend schoonmaken’
Mnl. vegen ‘van vuil ontdoen’ [1240; Bern.], vegde de trane van haren ogen ‘veegde de tranen uit haar ogen’ [1265-70; VMNW], dat si hare vor ghenuemde gracht moghen veghen ‘dat ze hun eerdergenoemde gracht kunnen schoonmaken’ [1291; VMNW].
Os. fegon (mnd. vegen, vanwaar door ontlening nzw. feja); ohd. fegōn (nhd. fegen); nfri. feie; alle ‘vegen, poetsen, schoonmaken’, < pgm. *fegōn-. Daarnaast staan pgm. *fēgjan-, waaruit on. fægja ‘oppoetsen’ (nzw. dial. fägga); en pgm. *fēgōn-, waaruit: mnl. vaghen ‘zuiveren’ (zie onder); on. fága ‘reinigen, poetsen’ (nijsl. fága).
Hierbij hoort mogelijk ook de afleiding pgm. *fagra- ‘mooi, versierd’, zie → fair.
Wrsch. verwant met: Litouws puõšti ‘poetsen, versieren’, Lets pùost, puôst ‘schoonmaken, vegen, opruimen, poetsen’; < pie. *peḱ-, (LIV 467). Men neemt meestal aan dat de betekenis ‘verblijden, aangenaam stemmen’ is ontstaan uit die van ‘schoonmaken’ (vergelijk de overdrachtelijke betekenis van opgeruimd ‘vrolijk’). In dat geval zijn ook verwant (o.a.): os. fagan ‘vrolijk, blij’; oe. fægen ‘id.’ (ne. fain), gefeohan (sterk ww.) ‘vrolijk zijn, zich verheugen’ (< pgm. *fehan-); ohd. fagēn, fagōn, feginōn ‘id.’; on. feginn ‘vrolijk’; got. faginon ‘vrolijk zijn’. Zie ook → vagevuur.
wegvagen ww. ‘doen verdwijnen’. Mnl. vaghen ‘schoonmaken, zuiveren, poetsen, vegen’ in (met bijwoord af- ‘weg’) dit volc sal ons of vaghen ‘... doen verdwijnen’ [1285; VMNW avevaghen], spiscepe scone tevaghene binnen ende buten ‘proviandschepen van binnen en van buiten schoon te maken’ [1286; VMNW vaghen], (met voorvoegsel) .i. waterganghe te veruaghene ‘een sloot schoon te maken’ [1298; VMNW vervaghen], Ende vagede ende trac af sine scoen ‘en veegde zijn schoenen en trok ze uit’ [1300-25; MNW-R], harnasch te vermaken ende te vaghen ‘(het) harnas op te knappen en te poetsen’ [1343-44; MNW]; vnnl. wegvagen ‘doen verdwijnen, vernietigen’ in Dat zy tlandt teenegadere metten viere ... wech vaghen wilden ‘... in zijn geheel met vuur wilden vernietigen’ [1592; iWNT]. Samenstelling van het bw.weg 2 en het als simplex verouderde werkwoord vagen ‘zuiveren’, dat ablautend verwant is met vegen, zie boven.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vagen1* [vegen] {1265-1270} oudnoors faga; ablautend bij vegen.

vegen* [bezemen] {1201-1250} ablautend naast middelnederlands vagen [schoonmaken, vegen, mooi maken], oudsaksisch fegon, middelhoogduits vegen, oudfries fēgja, oudnoors fága, naast oudengels gefeon, oudhoogduits gifĕhan, gotisch făginon [zich verheugen]; buiten het germ. litouws puošti [versieren], lets puost [zuiveren, versieren, mooi maken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vagen ww., voornamelijk in wegvagen, mnl. vâghen ‘vegen’ (nog in zeeuws en westvla.), on. fāga ‘sieren, schoonmaken, bewerken, vereren’ en fægja ‘wrijven, glanzend maken, schoonmaken’. — Zie verder: vegen en voegen.

vegen ww., mnl. vēghen, os. fegon, mnd. vēgen, mhd. vēgen (nhd. fegen) ‘vegen, wrijven, schoonmaken’. — Vgl. verder oe. fæger, on. fagr, ‘mooi’, got. fagrs ‘passend’, ohd. got. faginōn, oe. fagenian ‘zich verheugen’, on. feginn ‘verheugd’, met gramm. wiss. naast ohd. gifehan, oe. gefeon ‘zich verheugen’, got. fahēþs ‘vreugde’. — lit. púošiu (< *pōḱei̯ō) ‘versieren’, lett. pùost ‘reinigen, versieren’, idg. wt. *peḱ: pēḱ: pōḱ‘schoon maken; mooi maken’ (IEW 196-7). — Zie ook: vagen, maar voegen behoort niet tot deze groep. — Mogelijk > ne. feak (valkeniersterm) ‘een valk de bek afvegen’ (sedert 1575 bekend, vgl. Bense 94).

De Tollenaere WNT 18, 1325 vindt de hierboven gegeven verklaring semantisch niet geheel bevredigend. Maar met het uitgangspunt van ‘schoon maken’ is zij toch niet onmogelijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vagen ww., vooral in weg-vagen, mnl. vâghen “vegen”, dialectisch (wvla. zeeuwsch) nog het gewone woord voor “vegen”. = on. fâga “sieren, schoonmaken, bewerken, vereeren”, waarnaast fæ̂gja “wrijven, glanzend maken, schoonmaken”. Ablautend met mnl. vēghen (nnl. vegen), os. fëgon, mnd. vēgen, mhd. vëgen (nhd. fegen) “vegen, wrijven, schoonmaken”. Oorspr. bet.: “schoon, mooi, in orde maken”; verwant zijn Kil. vaegher, vegher “vlug, handig” (zie helleveeg), ohd. os. fagar, ags. fæger (eng. fair), on. fagr “mooi”, got. fagrs “gepast”, verder voegen en ohd. fagên “ter wille zíjn”, os. fagan, ags. fægen, on. faginn “verheugd”, ohd. faginôn, feginôn, os. faganon, ags. fægnian, on. fagna, got. faginon “zich verheugen” en met gramm. wechsel ohd. gi-fëhan, ags. ge-fêon “id.”, got. faheþs v. “vreugde”, fulla- fahjan “bevredigen”, ga-fahrjan “toebereiden”, ga-fehaba “gepast”. De onderlinge combinatie van al deze woorden – voor verwanten hoogerop zie voegen – wordt niet algemeen erkend: nemen wij echter aan, dat oergerm. fē̆χ-, faχ-, fôχ- (fē̆ʒ- enz.) reeds niet meer “bevestigen, vast zijn”, maar “goed, mooi, aangenaam, behoorlijk zijn” beteekende, dan is er weinig bezwaar tegen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vagen. Aan het slot worden semantische bezwaren tegen de vereniging van “al deze woorden” verlicht. Er zijn echter ook klank-bezwaren (vooral de ë van veel germ. woorden) tegen de combinatie met voegen, dat op een idg. basis met â wijst. Deze bezwaren gelden niet voor de bij voegen (slot) veronderstelde basis idg. *pē̆k-, (*pō̆ḱ-).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vegen o.w., Mnl. veghen = mooi maken, in orde brengen, Os. fegon + Mhd. vegen (Nhd. fegen), daarnevens met abl. vagen, Mnl. vaghen + Ofri. fégja, On. fága, fǽgja en het bij veeg 2 besproken vagher: z. vaag 1 en het verwante voegen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vege (ww.) 1. vegen 2. rennen; Vreugmiddelnederlands vegen <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2vee ww.
1. Stof en vuiligheid verwyder deur wrywing. 2. 'n Strykbeweging maak oor iets.
In bet. 1 uit Ndl. vegen (Mnl. veghen). Bet. 2 is 'n leenbetekenis van Eng. wipe (1362).
D. fegen (10de eeu).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

vegen: je kunt het vegen, (nieuwe uitdr.) je kunt het vergeten, het is afgelopen. Holland je kunt het vegen (op spandoek, 1983).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vee II: – veeg – , ww., (m. besem/borsel) skoonmaak; Ndl. vegen (Mnl. vēghen), Hd. fegen; in Se. en Vl. vagen, v. vagevuur; herk. hoërop onseker.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vegen, van den Germ. wt. fag, feg = passend, geschikt maken (ons „voegen’„), en hieruit ook: schoon maken, reinigen (als ’t ware in orde brengen). Zie Vaag; Vagevuur.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vegen ‘bezemen; (verouderd) snel bewegen, afrossen’ -> Engels † feague ‘slaan, ranselen; afrekenen met, betaald zetten’ (uit Nederlands of Duits); Deens feje ‘bezemen, afwijzen, snel bewegen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds feja ‘bezemen, schoonmaken’ (uit Nederlands of Nederduits); Petjoh vegen ‘vegen, slaan, een oplawaai verkopen’; Negerhollands feeg, veeg, fig, fik ‘bezemen’; Berbice-Nederlands fegi ‘bezemen’; Sranantongo figi (ouder: fegi), figifigi ‘bezemen’; Saramakkaans féki ‘afvegen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vegen* bezemen 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

225. Nieuwe bezems vegen schoon.

Dit wordt gebezigd in toepassing op hen, die nog korten tijd in dienst zijn en hun plicht nauwgezet waarnemen; nief meisens dienen goed (Antw. Idiot. 1648). Vgl. Werner, blz. 73: Pulverulenta novis bene verritur area scopis; bl. 74: Quam bene, quam munde scopa nova purgat abunde; Bebel no. 280: Dicunt nostri: Novam scopam bene purgare et verrere domum: sic novos servos in principio bene servire. Voor de 16de eeuw vgl. Prov. Comm. 549: Nieuwe bessemme veeghen wel; Campen, 133: Nye bessemen veghen schoone; Spieghel; 300; De Brune, 453:

 Nieuwe bezems vaeghen best,
 Beter als zy doen op 't lest.

Zie verder Harreb. I, 54 a; Taalgids V, 158; Büchmann, 94; Eckart, 44; Welters, 107: Nieuwe bezems keren goed; Joos, 160; Antw. Idiot. 217; Waasch Idiot. 106 b: Nieuwe bessems vagen goed, maar die eerst een bessem was, wordt daarna een schrobber, nieuwigheid behaagt, maar duurt niet lang; vgl. het fri: nije biezems feije skjin; fr. un balai neuf nettoie toujours bien; hd. neue Besen kehren gut; eng. new brooms sweep clean; nd. nigge messer snihet scharp; nigge Mïagde lopet harde (Jahrb. 38, 160). In het Fransch noemt men een nieuwe dienstbode un nouveau balai; deze zegt van zich zelf faire balai neuf.

1312. Iets aan zijn laars (zijn zolen, zijn botten of zijn hielen) lappen (of plakken),

d.i. iets niet tellen, er niets om geven, er geen drukte over maken hetzelfde als iets aan zijn gat vegen (fr. se ficher de quelque chose; 17de eeuw iets aan zijn been binden, knoopen); Tuinman II, 207: hij vaagt daar zyn hielen aan; Harreb. I, 308: iets achter zijne hielen lappen of plakken; II, 253: dat lap ik onder mijn schoenen. Zie Jord. 309: Haar zenuwachtige praatzieke opwinding lapte hij aan zijn laars; Het Volk, 15 Juli 1913, p. 1 k. 4: De S.D.P. heeft toen deze ‘grondwet’ aan haar laars gelapt en blijft tweedracht zaaien waar zij kan; 13 Dec. 1913, p. 1 k. 1.: Als er een regeering was opgetreden, die de uitspraak der kiezers aan haar laars had gelapt; 24 Oct. 1913, p. 1 k. 4: Hij lapte het besluit van de volksvertegenwoordiging aan zijn laars; 20 Nov. 1913, p. 8 k. 2: De soc. dem. fraktie heeft zonder meer de eisch der vakorganisatie aan haar laars gelapt; Nkr. II, 29 Maart p. 2: En ten slotte zei ik toen, dat ik haar opinie aan mijn laars lapte; De Amsterdammer, 24 Mei 1914, p. 7 k. 3; Ppl. 74: Zij lapte alles aan d'r modderlaarzen; bl. 207: Ja of u nou nee zegt, dat lap ik toch amme laars; Nkr. IV, 13 Nov. p. 6; V, 5 Febr. p. 4; vgl. ook Kmz. 303: Trane, die 'k an me kont veeg, komedietrane; Dievenp. 126: Ik heb altijd als 'n brave schooljongen opgelet, maar ik lapte alle theorie aan m'n zool; Nkr. III, 14 Febr. p. 6:

Vraag je dan: Agent ga mee!
Daar wordt ginds gestolen,
Zegt hij daad'lijk: Mij 'n biet,
Dat lap ik aan mijn zolen.

Zevende Gebod, 55: Jouw brave engel lap ik an me zole! Lvl. 171: Ik wil 'r maar mee zeggen, dat 'k het heele leger aan m'n zool lap; Peet, blz. 353; Nkr. III, 5 Sept. p. 6; Schakels, 168: Jouw ondervinding! Die lap 'k an me botten! De Telegraaf, 10 Dec. 1914 (avondbl.) p. 5 k. 1: Mars, de oorlogsgod, is de rechte er naar om alle Kerstengeltjes ter wereld aan zijn schoenzolen te lappen; Groot-Nederland, 1914 (Oct.) bl. 457: Ik ben geen jonkheer! An me zolen 'r mee!; Jord. II, 62: An me sool links!; II, 176: An me linkerzool; II, 335: Maar de jonge meiden lapten alle vermaningen aan hun linkerzool; syn. ergens zijn botten mee of aan vegen, o.a. Handelsbl. (avondbl.) 6 Juni p. 5 k. 4: Literatuur veegt-ie an z'n botten; Sjof. 253: Maar met die praatjes, daar veegden-ie zijn botten mee af; Nkr. II, 15 Maart p. 2: De tyran schijnt er weinig om te malen, hij vaagt er zijn botten an; Het Volk, 14 Maart 1914, p. 5 k. 2: Onvervaard vaagden burgemeester Roëll en diens getrouwen hunne botten aan het advies der Schoonheidscommissie. - Van daar ook an me laars!, maakt dat een ander wijs! of ook: dat kan me niet schelen, o.a. Kmz. 176: Denk je dat 't liefde is? Liefde.... an me laars!; Jong. 145: Wijlui, vrouwe, motte d'r toch 't eerst in (in den schouwburg)! - An me laars! 'k Heb ook me cente betaald. - In denzelfden zin aan mijn kont, o.a. in Kmz. 375. Naast ik lap het aan mijn laars hoort men ook het laarst me nietVgl. Leuv. Bijdr. X, 182..

Voor Zuid-Nederland vgl. De Bo, 304: aan iets zijn ende vagen; 1235: iemand of iets aan de zool van zijn schoe'n vegen, er zich niet over bekreunen, er mede lachen; Schuermans, 497 a en 325 b: iet aan zijn pollevieën, aan zijn achterlappen vegen; Antw. Idiot. 285: aan iet zijn botten vegen; ook zijn gat, zijn klooten aan iets vegen; Schuerm. 80 en Rutten, 41: zijne broek aan iets vagen (in Noord-Nederland: afvegen), zich om iets niet bekreunen, er den bliksem van geven; Teirl. II, 159; 169: an iemand of an iet zijn konte (of kodde) vagen (of wrijven), er zich niet aan gelegen laten; Harreb. I, 183: daar veeg ik mijn elleboog aan. In Twente: 't gat der an ofwisschen; fri. de kont er oan offeije; eng. to set a th. at one's heels. Zie no. 604.

1728. Den boel opscheppen,

d.w.z. alles in rep en roer brengen, een standje maken; drukte maken; stukslaan, kijven, alles het onderste boven smijten (Rutten, 33; 163); syn. van de peentjes opscheppen (in Kmz. 364) of de peultjes opscheppen (V. Ginneken I, 496), 'n bal sloon (N. Taalgids XIV, 196). In Zuid-Nederland beteekent iemand zijn peeën opscheppen: iemand de les lezen (Antw. Idiot. 944; Schuermans, 438); in het oostfri.: de bûl upscheppen, schoonmaak houden, reinigen (Ten Doornk. Koolm. I, 248 a; III, 480 a). Waarschijnlijk is de eerste bet. den boel in orde maken, opknappen, opschoonen (Molema, 311 b), waaruit door het ironisch gebruik de tegenw. bet. kon voortvloeien; vgl. den boel toetakelen, eig. een schip van touwwerk voorzien, in orde maken (Winschooten, 307); Spaan, 268: Wy meinen 't Huis van dezen avond wel helder op te schikken; den winkel, het huis opschikken, den kreupelen waard slaan (Ndl. Wdb. VIII, 180; XI, 1162); Halma, 265: De kitZie Günther, die Deutsche Gaunersprache, 104. boenen, veegen of schoonmaken, déménager un bordel, en chasser tout le monde, et en briser les meubles; Ndl. Wdb. III, 58; XI, 1149; 1162; Kalv. II, 154; Harreb. III, 53 a; Molema, 311 a; fri. de boel opscheppe.

2135. De spons halen over iets,

l. fr. passer, enz.

d.w.z. iets niet meer aanroeren, er niet meer over spreken; het uitwisschen; vgl. hd. Schwamm drüber; hd. passer l'éponge sur la faute de qqn (Corneille); vgl. Halma II, 324: Passer l'éponge sur quelque chose, en effacer le souvenir, de spons ergens overhalen,Wellicht nog niet spreekwoordelijk. iets uitwisschen of uitdoen; Handelsblad, 13 Nov. 1913 (ochtendbl.) p. 3 k. 1: Over haar verleden wordt de spons gehaald; 15 Juni 1920 (A.) p. 2 k. 2: B. en W. zijn niet voornemens de spons ook over het voorgevallene van 8 Juni te halen; 17 Maart 1921 (O.) p. 5 k. 4: Er is verzocht de spons door de staking te halenContaminatie met een streep halen door iets.; Opr. Haarl. Cour. 24 Febr. 1922, p. 1 k. 2: Laten Rijk en Gemeente de spons over de lei halen. Hiernaast iets wegsponsen (vgl. eng. to sponge out, off) in Het Volk, 19 Nov. 1913 p. 5 k. 2: 't Geweten weg te sponsen, dat stelen stelen noemt. Te vergelijken is de zegswijze zand er over, dat we lezen in De Arbeid, 6 Mei 1914 p. 1 k. 4: Enfin zand er over. Evenzoo in het nummer van 10 Juni 1914 p. 4 k. 2; De Telegraaf, 29 Jan. 1915 (avondbl.) p. 3 k. 2: Zand over 't protocol!; fri. sân der oer! spreek niet meer over die (onaangename) zaak; syn. modder er over in Propria Cures XXVI, bl. 310: Maar laten we op deze intieme kwestie niet verder ingaan. Modder er over!; hd. Punctum und streu Sand drauf. Ontleed aan de vroegere gewoonte om zand te strooien over een pas geschreven stuk om het te laten drogen.

2181. Ieder moet zijn eigen stoep schoonvegen,

d.w.z. ieder moet zijn eigen gebreken verbeteren, voordat hij zich met die van anderen bemoeit; ook ieder moet voor zijn eigen belangen zorg dragen. Zie no. 309; Harrebomée II, 307 b: Men moet niet een andersmans stoep schoon maken, voordat de onze rein is; vgl. Sart. I, 7, 47: ab ipso lare incipe, maeckt het voor u eygen deur eerst schoon; Poirters, Mask. 20: Vaeght voor u eyghen deur, wilt ghy de straet schoon hebben; Servilius, 11: Een yegelic kuysset vore syn eyghen duere, so sullen alle de straten reyn syn; Handelsblad, 12 Juli 1914 (ochtendbl.) p. 2 k. 6: Veeg eerst voor uw eigen deur; De Arbeid, 23 Nov. 1913 p. 2 k. 1: Wij werpen echter de smeur terug en geven Oudegeest in ernstige overweging voor eigen deur te vegen; 8 April 1914 p. 4 k. 1: De bedoeling is alleen aan te toonen, dat de modernen niets te laag is, om andersdenkenden te treffen, terwijl ze zelf liever eerst voor eigen deur moesten vegen; Het Volk, 9 Juli 1915 p. 2 k. 4: In de ‘vrije’ pers is deze fraude erkend, maar gezegd, dat de ‘modernen’ wel voor hun eigen deur moesten vegen. Syn. uitdr. bij Anna Bijns, Refr. 36, vs. 11: Stopt uws selfs scuyte, want voorwaar sij es lec; Huygens, Zeestraet, 949: Elck syn pelsje pluys'; elck kraeck' sijn' eigen luys. In Zuid-Nederland: elk vage voor zijn deur (fr. chacun doit balayer devant sa porte) of kuische zijnen eigen kant, bemoeie zich met het zijne, verantwoorde zich zelf (Joos, 74; Waasch Idiot. 323 b; 684 a; Schuermans, Bijv. b), wiede zijn eigen lochting (binnenplaatsVolkskunde XII, 99.), - zijn eigen hof (Joos, 162; Ndl. Wdb. VI, 838); in het eng. sweep before your own door; hd. ein jeder fege (kehre) vor seiner Tür, er findet schmutz genug dafür; in het Nederd. elk schrâp sinen egen Pott; zie Eckart, 412; Dirksen II, 24; Reuter, 28; Wander II, 1235; IV, 1191; fr. elts hat genôg oan syn eigen tun to wjudden (vgl. Brederoo II, 143: Wy buyten ons selven niet eens behoeven te treden om werck te vinden, vermidts in een ygelijks tuyn genoech te doene valtZie Harrebomée I, 313; Ndl. Wdb. VI, 838.).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut