Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

veen - (grondsoort)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

veen zn. ‘grondsoort’
Onl. feni ‘veengrond, drassig land’ in toponiemen, o.a. Sutpheni ‘Zutphen (Gelderland)’, letterlijk ‘zuidveen’ [1101, kopie ca. 1103; Gysseling 1960], Ruvene ‘Ruiven (Zuid-Holland)’, letterlijk ‘ruwveen’ [12e eeuw; kopie ca. 1420; Künzel]; mnl. veen, vene in wie so dat lant copet opgaende te halven vene ‘wie ook maar het land koopt tot halverwege het veengebied’ [1242; MNW], ex terra de herlem que vene dicitur ‘uit het land bij Haarlem dat veen genoemd wordt’ [1280-87; VMNW], .viii. morghen cleilants vanden rine ieghens den veen ‘acht morgen kleiland van de Rijn tot aan het veen’ [1287; VMNW].
Os. fen(n)i (mnd. vēn, ven, door ontlening nhd. Fenn); ohd. fenni (mhd. venne); ofri. fene, fane (nfri. fean) oe. fen(n), fæn(n) (ne. fen); on. fen (nzw. dial./ nno. fen); got. fani; alle ‘veengrond, moeras, drassige weide e.d.’, < pgm. *fanja-.
Klankwettig ontwikkelen zich hieruit in het West-Germaans de nominatief (< *fani-) zonder, en de verbogen naamvallen (< *fanj-) met geminaat; door analogiewerking verschijnen in de afzonderlijke talen beide varianten: onl. feni en fenne. In het Nederlands, wrsch. al in de 12e eeuw, ontstond betekenisverschil tussen veen (onl. feni, mnl. vene) als ontginbare grondsoort, en ven ‘moeras, drassig land’, waarvoor zie → ven.
Verwant met: Oudpruisisch pannean ‘modder’; Gallisch an- ‘moeras’, Oudiers an ‘water’ (< Proto-Keltisch panā); < pie. *pon-io- (IEW 807). Zie ook → vocht, dat misschien verwant is.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

veen* [grondsoort] {in de plaatsnaam Sutfene, nu Zutphen (Gld.) 1103, vene, veen 1280-1287} middelnederduits ven, oudsaksisch feni, oudfries fene [weiland], oudnoors fen [moeras], gotisch fani [slijk]; buiten het germ. middeliers an, gallisch ana [water] (waarvóór een p wegviel), en oudpruisisch pannean [moeras], oudindisch paṇka- [slijk]; verwant met vocht, ven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

veen znw. o., mnl. vēne, veen o. v., os. feni, mnd. vēn (> nhd. fehn) ‘moerjas, veen’, ofri. fene m. ‘weiland’, vgl. on. fen o. ‘moeras’, got. fani o. ‘slijk’. — oi. pan͂ka- ‘slijk, moeras’, opr. pannean ‘turfland’, gall. anam (akk.) ‘moeras’, miers an ‘urine, water’ (Lidén SSUF 1894, 60 en BB 21, 1895, 93). — Zie ook: ven en vochtig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

veen znw. o., mnl. vēne, veen o. v. = os. feni, mnd. vēn (m. o.? nhd. fehn o.) “moeras, veen”, ofri. fene m. “weiland”. Oorspr. nomin.-acc.-vorm = got. fani o. “slijk”, on. fen o. “moeras”. Hiernaast met wgerm. nn uit n(n)j der casus obliqui NBrab. vèn o. “een soort zandgrond”, Antw. ven o. “klein meer in een heide” (achterh. venne v. “id.”), NHoll. gron. oostfri. ven, ofri. fenne m. “weide” (owfri. faen ook o.), ags. fen(n) m. o. “slijk, moeras” (eng. fen) en met overgang naar de v. flexie mnl. venne “veen, moeras” (nog dial.), ohd. fenni, fenna “moeras”, mnd. venne “id., veen”, ofri. fenne “weiland”. Verwant is ier. an “water”, gall. anam “paludem”. Opr. pannean “turfland” kan ook verwant zijn. Of komt het evenals it. fango, fr. fange “slijk” uit het Germ.? Vgl. vocht. De verklaring der hierboven behandelde germ. woorden + eventueel oi. paŋka- als “het vuurkleurige” en de combinatie met got. fon enz. (zie vonk) zijn geenszins plausibel gemaakt.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

veen. Uit het Balt. is, behalve opr. pannean, volgens Endzelin KZ. 52, 116 ook lett. pane ‘gier, mestwater’ verwant.
Oi. paŋka- = ‘modder, moeras’ (zie vocht).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

veen o., Mnl. vene, Os. feni + Ohd. fenne, Ags. fenn (Eng. fen), Ofri. fenne, On. fen, Go. fani (= slijk) + Gall. ana (d.i. *pana), Ier. an = water, Opr. pannean = moeras, en misschien Skr. paṅkas = slijk. Uit het Germ. komt Luikerwaalsch les vennes en Fr. fagne en fange.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

veen 'veengebied'
Onl. feni, fenne 'veengrond, drassig land', mnl. veen, vene, ofri. fene, fane, nfri. fean, os. fen(n)i, mnd. vên, ohd. fenni, oe. fen(n), fæn(n), ono. fen, got. fani 'veengrond, moeras, drassige weide'. In het Nederlands bestond al in de 12e eeuw betekenisverschil tussen veen als ontginbare grondsoort, en ven 'weide' (langs de kust) respectievelijk 'kleine plas in bos- of heidegebied' (in Gelderland, Noord-Brabant en Limburg). Verwant met Oudpruisisch pannean 'modder' en Gallisch an- 'moeras', Oudiers an 'water'. Oudste attestaties in plaatsnamen: 1103 Sutfene (→ Zutphen)1, 1101-1121 kopie 13e eeuw Ueno (→ Veen)2, 1132 kopie 1286 Grawenvene 'bij het grauwe veen' (ligging onbekend, bij Hoevelaken)3, 1156 Curtenvene 'bij het korte veen' (ligging onbekend, bij Nederhorst den Berg)4.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 419, 2Idem 364, 3Idem 153, 4Idem 215.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Veen is een oud Germ. woord, dat oorspr. moeras, modder beteekent.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

veen ‘grondsoort’ -> Duits Fehn, Veen ‘grondsoort’; Frans † fagne ‘modderig moeras op de top van een heuvel; groepje veenplanten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

veen* grondsoort 1103 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2338. Die in het veen zit, ziet op geen turfje,

of ook 't komt op een turfje niet aan, als men in 't veen is, d.w.z. die overvloed heeft, kan wel iets missen; de winnende hand is mild. In de 16de eeuw bij Servilius, 236: ten steect op eenen torf niet, als men in het venne is; Sart. III, 4, 15: tsteckt niet op een turf, als men int veen is, cui rei cuiuspiam largior adest copia, ea profusius utitur; Smetius, 154; 246; De Brune, 142:

 't En steect niet op een turf ghewis,

 Alst kermis in de venen is.Zie verder Tuinman I, 167; Sewel, 802; Harreb. II, 348 b en Suringar, Erasmus, CCL; in het fri.: it komt yn 't fean op gjin turf oan; vgl. het lat. pipere qui abundat oleribus miscet piper (Harreb. II, 171 a); gri. οιος, εχει πολυν ελαδιν, βανει και εις τα λαχανα; hd. wer im Rohre sitzt hat gut Pfeifen schneiden.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut