Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

veelvraat - (marterachtige (Gulo gulo); gulzigaard)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

veelvraat zn. ‘marterachtige (Gulo gulo); gulzigaard’
Vnnl. Vielfras ‘groot marterachtig, in Scandinavië levend roofdier’ [1652; iWNT]; nnl. Veelvraat ‘id.’ [1710; iWNT], ‘gulzigaard’ [1849; iWNT].
Gevormd uit → veel en → vraat ‘gulzigaard’, aanvankelijk als leenvertaling van Hoogduits Vielfraß ‘marterachtige; gulzigaard’, ontwikkeld uit een reeds Oudhoogduitse samenstelling filufrāz ‘gulzigaard’, letterlijk ‘veelvreter’. Het Noord-Scandinavische roofdier fjeldfross (letterlijk ‘bergkater’, zie onder), waarvan de huid destijds een geliefd exportproduct was, werd in het Duits van de 16e eeuw volksetymologisch verbasterd en met het hiervoor genoemde inheems-Duitse woord vereenzelvigd. Buiten het leefgebied van de veelvraat kon immers gemakkelijk de fabel ontstaan dat het een vraatzuchtig en wreed roofdier was.
In het Nederlands werd aanvankelijk alleen de diernaam overgenomen. Of de in het Nederlands pas veel later geattesteerde betekenis ‘gulzigaard’ hierbij spontaan ontstaan is of door hernieuwde invloed van het Duits, is niet uit te maken (WNT).
Noors fjeldfross is geen wijdverbreid woord geweest; het is reeds lang verouderd en bestond begin 20e eeuw alleen nog op enkele plaatsen in het westen en noorden van Noorwegen (Falk/Torp). De gewone Noord-Germaanse naam voor de veelvraat is Noors jerv, Zweeds järv, Deens jærv, IJslands jarvi, een woord van onbekende herkomst.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

veelvraat [die veel eet, marterachtig roofdier] {1710 in de betekenis ‘roofdier’; de betekenis ‘gulzigaard’ 1849} < nederduits velevrāt, hoogduits Vielfraß; in het hd. waren samengevallen oudhoogduits filifrāz [gulzigaard] en het nederduits velefrās [marterachtig roofdier], dat ontleend is aan noors fjeldfross [bergkater], van fjell [berg] + fross [kater].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

veelvraat znw. m., sedert de 19de eeuw < nhd. vielfrass < mnd. veelvratz (eind der 15de eeuw) en villefras < noorw. fjeldfross ‘bergkater’, naam van een martersoort, die om zijn pels gezocht was en met de Hanzehandel in Duitsland bekend werd. De naam werd volksetymologisch vervormd; reeds ohd. vilifrāz, mhd. vilfrāʒ ‘veelvraat’ is bekend als een naam van de hyena. Onder invloed van het duitse woord ontstonden weer nnoorw. fjeldfras, nqe. felfraads, nzw. filfras.

veelvraat [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie WNT.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

veelvraat znw., nog niet bij Kil. Van veel en vraat. Een in het Du. ouder woord (vielfrass m.): hier komt het reeds in 1498 = “ursus gulo” voor, de echt noorsche naam van dit dier is jerv, erff (sedert de 14. eeuw).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

veelvraat. De du. benaming is volksetymologisch vervormd uit noorw. fjeld-fross, eig. ‘berg-kater’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

veelvraat m., gelijk Hgd. vielfrasz, door volksetym. vervormd uit On. fjall-fress (fjall = klip, berg, verwant met Hgd. fels, — fress = kater, beer).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

veelvraat: gulzigaard; slokop. Aanvankelijk gebruikt voor een marterachtig roofdier.

Zou die veelvraat, die zuiper, die ware Goede Lamzak, zooals Claes, de smid, hem noemde, nu ook nog de keukenmeiden gaan opvrijen? vroeg Tijl zich af. (Jan Bruylants, Tijl Uilenspiegel in Vlaanderen, 1904)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

veelvraat (Nederduits velevrāt)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Veelvraat een volksetym. van het Oudnoorsche fjallfress = berg-beer.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

veelvraat marterachtige 1710 [WNT] <Nederduits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut