Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vechten - (strijden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vechten ww. ‘strijden’
Onl. fehtan ‘strijden’ in manage fehtinda angegin mi ‘want velen (waren) vechtende tegen mij’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. vechten in de altos weder gode uagt ‘die altijd tegen God strijd voerde’ [1200; VMNW], Si dat sake dat .iij. man of me vechten ieghen een ‘indien drie of meer personen vechten tegen één’ [1254; VMNW].
Os. fehtan (mnd. vechten); ohd. fehtan (nhd. fechten); ofri. fiuhta (nfri. fjochtsje/ fjuchtsje, fjuchte/ fjochte); oe. feohtan (ne. fight); alle ‘vechten, strijden’ (nhd. alleen nog ‘schermen’), nzw. fäkta ‘met de armen slaan, schermen’ (ontleend aan mnd.); < pgm. *fehtan-.
Verdere herkomst onzeker. Mogelijk verwant met Latijn pectere ‘kammen, kaarden’, overdrachtelijk ‘afranselen’; < pie. *peḱt-, een uitbreiding van de wortel *peḱ- ‘plukken, uitrukken’ (LIV 467), waarbij: Grieks pékein ‘kammen, kaarden’; Litouws pèšti ‘plukken, aan de haren trekken, (elkaar) in de haren zitten’; Tochaars B päk- ‘kaarden’; en zie → peignoir voor enkele nominale afleidingen. De Germaanse betekenis is dan vergelijkbaar met de overdrachtelijke betekenissen bij de genoemde Latijnse en Litouwse werkwoorden (Seebold 1970, Kluge, Pfeifer). Zie ook → vacht en → vee.
Een andere mogelijkheid is dat pgm. *fehtan- (sterk werkwoord van de derde klasse) een expressieve nevenvorm is van *feuhtan- (tweede klasse), waarvan de wortel *feuht- < pie. *peukt- < *peug-t- dan een alleen in het Germaans voorkomende t-uitbreiding is van de wortel *peug- (IEW 828) en verwant is met Latijn pugnus ‘vuist’, pugnāre ‘vechten’, Grieks púx ‘met de vuist’ (BDE), zie ook → vuist.
vechtjas zn. ‘strijdvaardig persoon’. Nnl. vechtjas ‘strijdvaardig persoon, iemand die graag vecht’ in kent de spraakmakende jeugd nog verschillende andere benamingen voor een politie-agent als: vechtjas, klabak, ... [1905; Groene Amsterdammer], vechtjas ‘officier, militair’ [1906; iWNT]. Samenstelling van vechten en → jas 1 in de betekenis ‘manspersoon’ (zie WNT jas II), een betekenis die alleen in samenstellingen voorkomt, zoals fuifjas ‘pretmaker’ (zeldzaam) en grapjas ‘grappenmaker’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vechten* [strijden] {oudnederlands fehtan 901-1000, middelnederlands vechten} oudsaksisch, oudhoogduits fehtan, oudfries fiuchta, oudengels feohtan; buiten het germ. latijn pectere [kammen, kaarden, aftuigen], grieks pek(t)ein [idem], litouws pešti [aan de haren trekken, plukken], oudindisch pakṣma- [wimper]; de betekenis van ‘vechten’ is dus: plukharen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vechten ww., mnl. vechten, onfrank. os. ohd. fehtan (nhd. fechten), ofri. fiŭchta, oe. feohtan (ne. fight).

Men kan uitgaan van een bet. ‘plukharen’ en het woord aanknopen aan vacht en daarvoor verwijzen naar lit. pešù, pèšti ‘plukken, plukharen’ (IEW 797). — Men heeft ook gedacht aan een verandering van ablaut-klasse; dus niet *fehtan, faht, maar *fiuhtan, fauht en in dit geval verbonden met gr. pyx ‘met de vuist’, lat. pugnus ‘vuist’, pugnāre ‘vechten’ (Kluge ZfdWortf. 2, 1902, 298); voor een dergelijke wisseling van stamvokaal kan men ter verklaring aanvoeren een affectieve klinkervariatie (J. de Vries PBB 80, 1958, 1-32). — Zie verder H. Kern Ts 20, 1902, 244-245 en voor het os. glossenwoord fiuhta (3. nv. enk.) ‘acie’ J. H. Gallee Ts 20, 1902, 320.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vechten ww., mnl. vechten. = onfr. ohd. fëhtan (nhd. fechten), os. fëhtan, ofri. fiū̆̆chta, ags. feohtan (eng. to fight) “vechten”. De hier-en-daar, ook in ’t Ndl. voorkomende bet. “zich inspannen” is jonger. Wsch. van de bij vacht besproken basis peḱ- “(wol) plukken”: vgl. voor de bet. ndl. plukken “plukharen, vechten”, lit. pesztis “plukharen”, pesztùkas “vechtersbaas”, pesztùvės “vechtpartij”. Minder wsch. heeft men “ablautentgleisung” en verwantschap met lat. pugnus “vuist”, pugna “strijd”, gr. píx “met de vuist” aangenomen, die verder weer met lat. pungo “ik steek”, ier. *og, dat. mv. uigib “zwaardpunt” gecombineerd zijn. Os. fiuhta “acie” is als een frisisme = onfr. ohd. fëhta v., mnd. vëchte v. (o.) of eer = de dat. van ofri. fiū̆cht, ags. feoht o. “gevecht” (eng. fight) op te vatten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vechten (slot). Bij de hier vermelde znww. adde: mnl. vecht o. (m.?), vechte v. ‘gevecht’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vechten ono.w., Mnl. id., Onfra. fehtan + Ohd. id. (Mhd. vechten, Nhd. fechten), Ags. feohtan (Eng. to fight), Ofri. fiuchta + Lat. pugnare. Wellicht immers is vechten, vocht, gevochten ontstaan uit *vuichten, *voocht, *gevoochten en staat dus in betrekking met vuist, gelijk Lat. pugnare met pugnus (Fr. poing) = vuist.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

veg: ww., bestry, stryd voer, weerstand bied; Ndl. vechten (Mnl. vechten), Hd. fechten, Eng. fight; meningsverskille oor herk. hoërop, v. FvWvH en dVri J NEW.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vechten schijnt in verband te staan met het Lat. pugnare = strijden, van pugnus = vuist; dus: met de vuist slaan, zich verdedigen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vechten ‘strijden’ -> Deens fægte ‘strijden met wapens; wild bewegen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors fekte ‘schermen, zwaaien, spartelen’; Zweeds fäkta ‘strijden’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins dialect vehdata ‘tekeergaan’ ; Negerhollands vekkete, fegete, figiti, figitē, fikiti ‘strijden, zich inspannen, zich uitsloven’; Berbice-Nederlands purkaru ‘strijden’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † fikiti ‘strijden’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vechten* strijden 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

228. Tegen de bierkaai vechten,

d.i. iets onmogelijks doen, nutteloos werk doen, iets willen verrichten, dat toch niet te bereiken is, evenmin als het vroeger veel zou baten in Amsterdam te vechten tegen de strijdlustige bewoners van de Bierkade, gelegen op de westzijde van den Oudezijds-Voorburgwal tusschen de Sint-Janstraat en de Oude Kerk.Zie Ter Gouw, Geschiedenis van Amsterdam, V, 432; A. Margaretha van Gelder, Amsterdamsche straatnamen, 149. Zie Harreb. I, 56 a; Woordenschat, 78 a; Ter Gouw, Volksvermaken, 568; Handelsbl. 26 Maart 1913, avondbl. 2de bl., kol. 1: Montenegro heeft op de ontvangst van het Oostenrijksche ultimatum onmiddellijk toegegeven, inziende, dat het moeilijk strijden is tegen de bierkade; Ghetto2, 33: Tegen de bierkaai valt toch niet te vechte; Het Volk, 27 Juni, p. 8, kol. 2: Het was voor hen evenwel vechten tegen de bierkaai, wanneer ze, op eigen kracht zijn aangewezen, dan kunnen ze tegen ons niet meer op; De Padvinder, 1913, bl. 297: Protesteeren tegen de Indische pers en persmanieren van hier (Holland) uit, is schreeuwen tegen de bierkaai; De Tijd, 28 April 1914, p. 1, k. 1: Als de Pruisische ministers van Eeredienst hun anti-papistischen bril met zwarte glazen opzetten en het niet inzien, is het vechten tegen de bierkaai.

2593. Tegen windmolens vechten (of schermen),

d.w.z. een denkbeeldig gevaar bestrijden; ook zoeken te veranderen wat toch niet te veranderen is. De uitdr. is ontleend aan den in 1605 uitgegeven roman van Cervantes: El ingenioso hidalgo Don Quijote de la Mancha (bij ons vertaald in 1657), waarin de held werkelijk tegen windmolens, die hij in de verte voor reuzen hield, inreed en ter aarde geworpen werd; zie Harreb. II, 95; Handelsblad, 22 April 1914 p. 1 k. 5 (ochtendbl.): Wij gelooven dat de afgevaardigde van Eindhoven wel een weinig tegen windmolens vocht; De Arbeid, 20 Mei 1914 p. 2 k. 1: Polak, die op een congres van diamantbewerkers tot zijn schande moest ervaren, dat hij al dien tijd tegen windmolens heeft gevochten. Ook in het hd. mit Windmühlen kämpfen; sp. molinos de viento acometer; fr. se battre contre des moulins à vent; eng. to fight windmills. Aan denzelfden roman zijn ontleend de namen Dulcinea (een liefje); rossinant (een paard); Ndl. Wdb. XIII, 1410) en een ridder van de droevige figuur, een armzalig heertje (zie no. 1927).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut