Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vat - (ton)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vat 1 zn. ‘ton’
Onl. fat ‘gebruiksvoorwerp waarin natte of droge stoffen worden bewaard, vervoerd of bereid’ in also uaz (verhoogduitste vorm) bilitheres cebrekan sal tu si ‘als een pot van de pottenbakker zul je ze stukbreken’ [10e eeuw; W.Ps.], overdrachtelijk ‘omhulsel, instrument’ in an uaton salmis ‘door het instrument van de psalm’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. vat ‘id.’ in de sieke die de uate of teten der gementucht handeld of ontrint ‘de zieke die het gemeenschappelijke vaatwerk of het voedsel aanraakt of bevuilt’ [1236; VMNW], Die dat beslogen in din vate ‘die het (stoffelijk overschot) bijzetten in de grafkist’ [1265-70; VMNW], een vat dat vol van wine ware ‘een vat dat vol met wijn zou zijn’ [1276-1300; VMNW], Nem dat vat dar twater in es ‘neem het vat waar het water in zit’ [1285; VMNW], dat si sere duaen hare nappe, hare potte ende hare andre uate ‘dat ze hun drinkbekers, potten en ander vaatwerk grondig wassen’ [1291-1300; VMNW]; vnnl. vat ‘bloedvat’ in Desen vaten wort ronts om ghestort de voose, sachte, ... eyghen substantie vande longhe ‘rondom deze vaten bevindt zich het sponsachtige, zachte, eigenlijke longweefsel’ [1568; iWNT], met seer veel bloetvaatgens ‘... bloedvaatjes’ [1677; iWNT wrong].
Os. fat (mnd. vat); ohd. faz (nhd. Fass); ofri. fet (nfri. fet); oe. fæt (ne. vat); on. fat (nzw. fat); alle met dezelfde oorspr. betekenis als in het Nederlands; < pgm. *fata-. Zie ook → vatten.
Verwant met: Litouws púodas ‘pot’, Lets puôds ‘id.’; < pie. *podo-. Verdere herkomst onbekend. Ook het verband met → pot 1 is onduidelijk.
Tot in de 18e eeuw had vat een zeer algemene betekenis, zoals nog in Vat, ... hebbende ... een generale beteekenis op allerhande hout- en steenwerk, tin, koper, of ander metael, waer in men iets bevat, draegt, bewaert, of overgeeft [1723; iWNT]. Deze algemene betekenis is nog herkenbaar in enkele vaste verbindingen en samenstellingen, bijv. heilige vaten ‘liturgisch vaatwerk (kelk, hostieschaal e.d.)’, communicerende vaten, zoutvat en in het op de verbogen vorm vate(n) teruggaande collectivum → vaat. De gewone betekenis van het simplex vat is in het Nederlands nu vrijwel alleen nog ‘min of meer cilindervormige ton’, bijv. voor wijn of olie.
Enkele specifieke betekenissen, bijv. die van ‘grafkist’ en later ‘geleidingskanaal in een dierlijk lichaam’, zijn mogelijk overgenomen van middeleeuws Latijn vas en/of Frans vaisseau (uit het Latijnse verkleinwoord vasculum), die niet verwant zijn, maar wel dezelfde basisbetekenis hebben als vat (zie → vaas). Aan hetzelfde Latijnse woord gaf men in het wetenschappelijk Neolatijn de betekenis ‘geleidingskanaal in een dierlijk lichaam’ net zoals bij Grieks angeĩon ‘bak, vat’ > Neogrieks angio- ‘bloedvat’. In het Nederlands nam men deze betekenis over, bijv. in bloed-, lymfe- en haarvat(en). Als eerste lid in samenstellingen luidt de vorm in de diverse specifieke betekenissen vaat-: vaatdoek, vaatkwast, vaatwasser, vaatwerk en vaatafwijking, vaatvernauwing, vaatwand.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vat2* [ton] {1236} oudsaksisch, oudnoors fat, oudhoogduits faz, oudfries fet, oudengels fæt; buiten het germ. litouws puodas [pot]. De uitdrukking het vat der Danaïden vullen [vergeefs werk doen] is ontleend aan de Griekse mythologie → Danaïde. De vijftig dochters van Danaos, althans 49 van hen, moesten in de onderwereld als straf voor het doden van hun bruidegoms ten eeuwigen dage water in een bodemloos vat gieten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vat 1 znw. o. ‘vaatwerk’, mnl. vat o., onfrank. vat, os. fat, ohd. faʒ (nhd. fass), oe. fæt (ne. fat), on. fat. — Abl. got. gafēteins ‘sieraad’, ohd. givāʒʒi o. ‘lading van proviand’, mnd. gevēte ‘vat’, oe. fætel(s) ‘vat, zak’. — Mogelijk te vergelijken lit. puodas, lett. puôds ‘poť, opr. pīst ‘dragen’, toch. A pāt. ‘kist’ (IEW 790). — Zie: vatten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vat I znw. o., mnl. vat o. = onfr. vat, ohd. faʒ (nhd. fass), os. fat, ags. fæt (eng. fat; vat uit ’t Ndl.), on. fat o. “vat” (ook voor andere voorwerpen ter berging gebruikt). Verwant is lit. pů́das “pot”, misschien ook oi. palla- “groote bak voor koren” (= klassiek-oi. *padra-?). Zie verder vatten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vaat (zn.) ton; Aajdnederlands fat <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

vat (het, -en), (i.h.b.:) 1. (veroud.) vat van 100 l als inhoudsmaat. - 2. vat van 200 l als inhoudsmaat. - 3. het gewicht van een vat olie van 100 l als gewichtstandaard, door Bosnegers* gebruikt bij transport over water. Alles gaat per ’vat’ (100 kg) en ook een persoon wordt door de Bosnegers* als een vat gerekend (Geijskes 1957: 199). - Etym.: S bari (en het overeenkomstige woord in de bosnegertalen*) had resp. heeft ook deze drie bet.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

vat I: s.nw., v. vaatjie.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Vat snw.: Van die swakke vat (die vrou) word in Afrikaans ook skertsend gesê dat die hoepels af en toe moet aangeklink word. Ook dit is erfgoed. Vgl. Harreb. I. 30: Die vrouwen zijn zwakke vaten, daarom leg ik er een’ band om, zei de kuiper, en hij roste zijne vrouw.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Vat, kan, kruik; (fig.) omhulsel van weinig waarde, het menselijk lichaam als omhulsel van de ziel.
Een broos vat, een zwak lichaam.

Zie hiervoor onder meer 2 Korintiërs 4:7. 'Maar wij hebben deze schat ['de kennis der heerlijkheid Gods'] in aarden vaten, zodat de kracht, die alles te boven gaat, van God is en niet van ons' (NBG-vertaling). Vat in deze betekenis komt nog maar weinig voor in het moderne Nederlands. De NBV heeft het woord ook niet meer op de aangehaalde bijbelplaats; hier staat: 'wij zijn slechts een aarden pot voor deze schat'.

Liesveldtbijbel (1526), 2 Korintiërs 4:7. Wi hebben sulcken scat in aertschen vaten op dat dye cracht ist dat si bouen blijft, si Gods, ende niet van ons. (Statenvertaling (1637): aerden i.p.v. aertschen.)
Maar het begrip tijd is een waarschuwing waarop een mens altijd bedacht behoorde te zijn, -- een waarschuwing dat hij maar een broos vat is. (F. Bordewijk, Verzameld werk, 1982-1991(Xandra en de pendule, 1955), dl. 8, p. 638)
Hij was onooglijk, lelijk, zijn mooie ogen redden zijn feitelijk mismaakt en dwergachtig figuur niet, al was hij misschien slechts een onfraai vat met een inhoud evenwel van kostbaren schatten. (Moderne Nederlandse verhalen, 1959, p. 68)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vat, vaatje ‘ton’ -> Zweeds † fatken ‘kleine ton’; Ests vaat ‘ton’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels vatje ‘tonnetje; veldfles’ ; Xhosa fatyi ‘klein vat’ ; Creools-Portugees (Batavia) vat ‘ton’; Negerhollands vat ‘ton’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vat* ton 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

405. Het vat der Danaïden vullen,

d.w.z. vergeefschen arbeid verrichten, moeite doen zonder ooit zijn doel te bereiken; ontleend aan het verhaal van de 50 dochters van Danaüs, die met uitzondering van Hypermnestra, op last van haren vader hare bruidegoms in den bruiloftsnacht ombrachten en tot straf hiervoor veroordeeld werden, om in de onderwereld ten eeuwigen dage water in een bodemloos vat te gieten. In het gri. εις τον τετρημενον πιθον αντλειν, Lucianus noemt het eerst dit vat ο των Δαναιδων πιθος. Vgl. fr. le tonneau des Danaïdes; hd. das Danaiden fasz; eng. the Danaidean tub.

2318. Uit een ander vaatje tappen,

d.w.z. ‘anders, dan te voren, toespreken, of doen’, uit een anderen grondtoon spelenNdl. Wdb. V, 1026; eng. to sing an other tune (liedje).; eig. iemand iets anders te drinken geven; iets anders voorzetten. Hiernaast uit hetzelfde vaatje tappen (in Het Volk, 4 April 1914, p. 9 k. 4; 25 Juni 1914, p. 5 k. 3) en uit het oude vaatje tappen (in Handelsblad, 22 April 1914 (avondbl.), p. 1 k. 1). Vgl. voor eene soortgelijke overdracht het mnl. een ander (iets anders) scincken; enen mede blanden (gereed maken, brouwen); enen een bier brauwen, - scencken, enz.; fri. skerp bier taepje, op een scherpen, vinnigen toon spreken. In de 17de eeuw komt de uitdr. o.a. voor bij Starter, Lusthof, 409:

 Nou geef ick Lysje de sack, ick tap het nou uyt een aer vaetje.
 Wangt sint ick myn parmantigh aesingt begon te steken onger de groote Moncksieurs,
 Kreegh ick van puyk van Meysjes niet dan al te veel keurs.

In dien tijd zeide men ook uit het beste vaatje tappen, iemand lief, zeer vriendelijk toespreken. Zie verder Kluchtspel III, 44: Ze zel uyt dat vadt al weêr tappen; Sweerts, 468; Tijdschr. XL, 82, 511; Langendijk, Don Quichot (Panth.), 26; Spaan, 85; 274; Tuinman I, 96; 115; E. Wolf-Bekker, Brief aan Ernst: k Vind niets aantrekkelijks voor mij in zulk een zwarte schilderij: Gij moet me nooit weêr uit dat lelijk vaatje schenken; V. Janus III, 59: Iemand, die vooraf weet te zeggen uit welk een vaatjen ik tappen zal; Afrik. hy tap nou uit heeltemaal 'n ander vaatje. Vgl. het 17de-eeuwsche uit een ander boek praten (Westerbaen II, 249) en het fr. en voici d'une autre cuvée, se dit lorsque, après avoir entendu un conte plaisant, quelqu'un en commence un autreLe Roux de Lincy II, 194.; hd. aus einem andern Fasze gehen, ganz anders aussehen (Grimm III, 1359); ein andres Fass anstechen; ein neues Fässchen anstechen; etwas in ein andres Fass schlagen; woll'n mal ein ander Fasz anzapfen, beim Kartenspiel, um zu sagen: eine andere Farbe ziehen (Wander V, 1249).

2319. Een vaatje zuur bier,

d.i. eene oude ongetrouwde juffrouw; eine Spätbirne, zooals de Duitschers zeggen; vgl. Van Loon, 33: Ouwe dochters hier is als een kelder met zuur bier; Tuinman I, 82: Een huis vol dochters, is een kelder vol zuur bier, dit wil zeggen, in die waar is geen aftrek; Harreb. I, 55 a; Amsterdammer, 22 Nov. 1914 (omslag), p. 3 k. 5: Bertha Jansen! die ouwe vrijster! Die feministe! Dat vat zuur bier! Verlos ons, Heer! Vgl. Breuls, 85; fr. être brulée; hd. angesäuert sein.

2330. In dichte vaatjes zijn,

d.i. gereed, klaar, in orde zijn, ‘in kannen en kruiken zijn’ (no. 1751); eig. gezegd van ingemaakte groente. Sedert de 16de eeuw is de uitdr. bekend; vgl. Campen, 121: Het is al in dichten vaten; Pers, 655 b: Hy hoopte daer af niet te scheyden, of alles soude in dichte vaeten zijn; Harreb. II, 362 a; Haagsche Post, 24 Juli 1920, p. 1171, k. 3: Duitschland zal zich zelf en zijne nijverheid best weten te redden nu deze zaak eenmaal in dichte vaatjes is; 4 Dec. 1920, p. 1975, k. 1: Het nieuwe Ministerie aldaar is nu eindelijk in dichte vaatjes.

2331. Wat in het vat is, verzuurt niet,

eig. wat men heeft ingelegd in een goed vat, bederft niet, al laat men het ook lang daarin liggen; het blijft bewaard en kan later gebruikt worden; bij overdracht toegepast op niet vervulde beloften, om te kennen te geven, dat uitstel nog geen afstel is. In de 17de eeuw bij Coster, 34, vs. 739: Neen borght my dat nou, nou dat int vat is, dat suert niet; Winschooten, 325: Dat in het vat is, dat en versuurd niet: quod differtur non aufertur. Zie verder Sewel, 825: Dat in 't vat is verzuurt niet ('t is uitgesteld maar niet vergeeten), long delay is no acquittance; Tuinman I, 308; C. Wildsch. V, 101: Nu dat in 't vat is zuurt niet; Harreb. II, 361 b; 512 b: Wat in 't zout ligt, zuurt niet; Nest, 65: Uitstel is geen afstel; borgen is geen kwijtschelden; wat in 't vat ligt dat en zuurt niet; De Arbeid, 25 Maart 1914, p. 3 k. 4: Wat in een goed vat zit, verzuurt niet; oostfri. wat in 'n god fat sitt, dat sûrd net; Eckart, 108: wat in 'n gôd Fatt is, sûert nich; vgl. het 17de-eeuwsche iets in 't vat hebbenHooft, Brieven, 135; 184., iets te goed hebben, iets in 't vet hebben, iets te vereffenen hebben. In Groningen en in Duitsche dialecten is deze zegswijze nog bekend; zie Molema, 441; Harreb. II, 362; Ten Doornk. Koolm. I, 427 a: hê hed nog wat in 't fat; Grimm III, 1360 en vgl. het fri.: hwet yn 't fet hâlde, wat in petto houden. Zie Iets in 't vet hebben.

2333. Een zwak vat,

d.w.z. een mensch, inzonderheid eene vrouw. Volgens den Bijbel zijn menschen gelijk aan vaatwerken, aan stukken huisraad in den tempel Gods: het zijn gouden, zilveren en aarden vaten, zooals in 2 Tim. 2:20 staat. De vrouw wordt in 1 Petr. 3, 7 in vergelijking met haren man ‘het zwakste vat’ genoemd (Zeeman, 474). In het Mnl. komt ‘vat’ zeer dikwijls voor in den zin van lichaam van den mensch, vooral als bewaarplaats der ziel, meermalen ook in dien van mensch in 't algemeen, in het bijzonder, verbonden met een bijv. nw., van Jezus en Maria (Mnl. Wdb. VIII, 1313). Vgl. verder uitdrukkingen als een bedorven vat, een slecht, bedorven mensch; geen heilig vat zijn, een niet bijzonder zedelijk mensch zijn; zie verder Anna Bijns, bl. 319: Besidt u vaetken in eeren, niet in schanden; ghij zijt tempelen Gods; bl. 37: Wy sijn crancke vaten; Winschooten, 306: de vrouwlui sijn swakke vaatjes; Tuinman I, 62: Wy zijn altemaal zwakke vaatjes; Harreb. II, 361: De vrouwen zijn zwakke vaten, daarom leg ik er een' band om, zei de kuiper, en hij roste zijne vrouw; Molema, 572; fri. in swak fet, iemand met een zwak lichaam; Antw. Idiot. 1318: en heilig vat met verdoemde reepen, een schijnheilige; De Bo, 1145: een heilige test met eene verdoemde oore. Ook in het fr., hd. en eng. komen in bijbeltaal vase (of vaisseau), gefäsz en vessel in den zin van ‘mensch’ voor. Zie no. 2223.

2334. Holle vaten klinken het meest,

d.w.z. menschen, die weinig weten, hebben het grootste woord; hd. je leerer der Kopf desto lauter das Maul. Bij Campen, 28 vinden wij deze gedachte uitgedrukt met de woorden: de vaten die der vol syn, en geven ghienen clanck van sich, mer die ledighe vaten clincken seer. Vgl. ook bij Spieghel, 279: Lege vaten geven 't meeste geluid; J. Zoet, 5: Leege vaten klinken 't meest; De Brune, Bank. I, 452: De vaten klincken meest, die 't minste nat in hebben; Brederoo I, 191, vs. 2787. Bij andere schrijvers leest men in plaats van het wkw. klinken bommen of brommen, o.a. De Brune, Bank. II, 235; Cats I, 469: 't Zijn ledige vaten, die meest bommen; bl. 521:

 Veel roemen meldt een dommen geest:
 Een ydel vat bomt allermeest.

Zoo ook bij Tuinman I, 116; doch bij Van Effen, Spect. IV, 228: Wyl deze holle vaten op het minste aanroeren brommen, als of zy de gansche waereld verdoven wilden. Elders vinden we voor dit wkw. geluid geven of - slaan; zie Harrebomée I, 225 b; III, 191 b; Taalgids VIII, 110; Afrik. leë vate maak die meeste geraas (lawaai), en Ndl. Wdb. III, 336, alwaar gewezen wordt op het omgekeerde: volle vaten bommen niet; hd. volle Tonnen klingen nicht. Vgl. fr. les tonneaux vides sont ceux qui font le plus de bruit; hd. leere Tonnen geben grossen Schall; leere Fässer klingen hohl; eng. empty vessels sound most; zwed. toma tunnor bullra mest; ital. vaso vuoto suona meglio; mlat. vasa inania multum strepunt (Wander IV, 1295); fri.: it lege fet raest meast; Joos, 185: leege vaten klinken best; ijdele tonnen rollen hardt.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut