Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vast - (stevig; niet beweeglijk; onveranderlijk); (stellig; intussen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vast bn. ‘stevig; niet beweeglijk; onveranderlijk’; bw. ‘stellig; intussen’
Onl. fast ‘stevig, versterkt’ in uue sal leiden mi an burg fastero ‘wie zal me leiden naar de versterkte burcht?’ [10e eeuw; W.Ps.], vaste mura bin ich ‘ik ben een stevige muur’ [ca. 1100; Will.]; mnl. vast ook ‘stevig; niet beweeglijk; onveranderlijk’ in so es tghebot uast ende ghestade ‘dan zal deze wet voor altijd geldig blijven’ [1237; VMNW], vasten vreide ‘duurzame vrede’ [1254; VMNW], als bw. in hine wel vaste bant [alsoe] dat hine conste. comen ter gere were ‘hij bond hem goed vast, zodat hij zich niet kon verweren’ [1260-80; VMNW].
Os. fast, festi (mnd. vast, vest(e)); ohd. festi (nhd. fest); ofri. fest (nfri. fêst); oe. fæst (ne. fast); on. fastr (nzw. fast); alle ‘stevig, versterkt, zeker, onwrikbaar e.d.’, < pgm. *fasta-, *fastja-. Zie ook de afleidingen → veste, → vestigen, → bevestigen en → vesting. Daarnaast staat het bijwoord *fastō- ‘stevig’, waaruit: mnl. vaste (zie boven); os. fasto (mnd. vast(e)); ohd. fasto (nhd. fast); ofri. feste; oe. fæste (ne. fast); zie onder.
Verdere herkomst onzeker. Mogelijk verwant met Sanskrit pastyà- ‘woning’ en/of Armeens hast ‘stevig’ < pie. *ph2st- (IEW 789). Een betere verklaring (de Lamberterie 1980, en zie Lloyd/Lühr) is die volgens welke pgm. *fasta- < pie. *ph2s-tó- een verbaaladjectief is bij *peh2(s)- ‘beschermen, hoeden’ (LIV 460, zie → voeden). De oorspr. betekenis zou dan ‘beschut, beschermd’ zijn, waaruit in het Germaans al vroeg de betekenissen ‘stevig, onbeweeglijk e.d.’ zijn afgeleid. Het gebruik van het bn. m.b.t. fortificaties e.d. (al vroeg in het onl., ohd. en oe.) is hiermee goed verenigbaar.
Het bijwoord vast heeft vanuit de oorspr. betekenis ‘stevig’ al in de oudste Germaanse taalfasen een scala aan afgeleide en afgezwakte betekenissen ontwikkeld: ‘stellig’, zoals in vast en zeker en ‘reeds, intussen’, zoals in begin maar vast; in het Engels betekent fast ‘vlug, snel’; in het Duits betekent fast ‘weldra, bijna’.
Lit.: Ch. de Lamberterie (1980), ‘Ein' feste Burg ist unser Gott’, in: Die Sprache 26, 133-144

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vast* [niet beweeglijk, zeker, blijvend] {1237 met dezelfde betekenissen} oudsaksisch fast, festi, oudhoogduits fasti, festi, oudfries fest, oudengels fæst (engels fast), oudnoors fastr; buiten het germ. armeens hast [vast], en vermoedelijk oudindisch pastya- [woonplaats].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vast bnw., mnl. vast, onfrank. os. fast, ofri. fest, oe. fæst (ne. fast), on. fastr < germ. *fastu; daarnaast ohd. fest < *fasti-. — oi. pastyá-m ‘woning’, arm. hast ‘vast’ (IEW 789).

H. O. Schwabe MLN 32, 1917, 222 wil uitgaan van grondvorm *paĝ-sto en dus verbinden met de onder vak behandelde groep, hetgeen op zich zelf niet onmogelijk is, maar dan moet men de beide bovengenoemde idg. woorden uitschakelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vast bnw., mnl. vast. = onfr. os. fast, ofri. fest, ags. fæst (eng. fast), on. fastr “vast”. Hiernaast de -ia-stam ohd. festi (nhd. fest; bijw. ohd. fasto “vast”, nhd. fast “bijna”), os. festi “id.” Germ. *fasta- (*fastu-?) = arm. hast “id.”. Wsch. ook hierbij oi. pastyà- “woonplaats”; lat. postis “deurpost” kan op andere wijze evengoed verklaard worden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vast. De hypothese van H.O.Schwabe MLN. 32, 222 dat vast als germ. *faχsta- < idg. *paĝ-sto- zou behoren bij de onder vak besproken basis (germ. χ uitgevallen als in laster) verdient overweging inzover de voor de hand liggende combinatie met arm. hast ‘vast’ hierbij kan worden gehandhaafd; daar men echter oi. pastyà- ervoor terzijde zou moeten stellen, is het meer bevredigend bij de oude etymologie te blijven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vast 2 bijw. (sterk, zeer), Mnl. vaste, Os. fasto + Ohd. id. (Mhd. vaste, Nhd. fast): bijw. van vast 1.

vast 1 bijv.(bevestigd), Mnl. id., Onfra., Os. fast + Ohd. fasti (Mhd. veste, Nhd. fest), Ags. fæst (Eng. fast), Ofri. fest, On. fastr (Zw. en De. fast) + Arm. hast, Oier. astaim = vasthouden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vas 1. bn. vast 2. bijw. zeker, stellig; Aajdnederlands fast <901-1000>.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

vast, bn.: dicht, gesloten. Afgeleide bet. van vast ‘niet beweeglijk’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vast ‘niet beweeglijk; zeker; blijvend’ -> Zweeds fatt ‘niet beweeglijk; zeker; blijvend’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands vast, vas ‘vastgrijpen; niet beweeglijk’; Berbice-Nederlands vasi ‘vastmaken’; Papiaments fast (ouder: vaste) ‘niet beweeglijk; blijvend’; Sranantongo fasi, fasti ‘niet beweeglijk; zeker; blijvend; bekneld; vastzitten’; Surinaams-Javaans pasi, fasi ‘niet beweeglijk’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vast* niet beweeglijk, zeker, blijvend 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

160. Zoo vast (sekuur, zeker) als de bank,

d.w.z. zoo zeker, zoo te vertrouwen als de Nederlandsche bank. ‘De zekerheid der Amsterdamsche bank was ten spreekwoord geworden, om eene zekerheid, welke boven alle bedenking verheven was, aan te duiden’; Ndl. Wdb. II, 981. Ook als de bank zijn, o.a. M.z.A. 161: 't Was zijn trots dat hij (een kruier) van zich zelven kon zeggen, dat hij ‘als de bank’ was. In het Friesch: dat stiet sa fêst as de bank; sa grif, sa wis as de bank. Eertijds in Zaandam: zoo wis als Calf; in Amsterdam: zoo wis als Pels, twee bekende handelaars. Zie Nav. XXXIX, 237; Harrebomée II, 177 a; hd. so sicher wie die Bank; eng. his word is as good as the bank; fr. solide comme la banque de France.

1585. Zoo vast als een muts met zeven keelbanden,

d.w.z. heel vast, heel zeker; Tuinman I, 59 spreekt van: Dit was ruim zoo vast als een mutsje met een keelband; bij Modderman, 149: De vreugde is niet zoo vast als een mutsje met een keelband; Folie I, 146: 't Is soo vast als een Muts met negen-en-negentig keelbanden. Van zeven is sprake bij Van Dale: Dat is zoo vast als eene muts met zeven keelbanden, dat is vast en zeker; De Vrijheid, 6 Dec. 1922, 3de blad: Of je van de kat of den kater gebeten wordt, is anders precies hetzelfde. En in elk geval staat het dan toch maar vast als een muts met zeven keelbanden, dat ik m'n buurvrouw wel degelijk goed begrepen heb; fri. in mûtse mei saun kielbânnen.

2007. Vast in zijn schoenen staan,

d.w.z. bij een eens genomen besluit blijven, op zijn stuk blijven staan; zich niet wankelend of ongestadig in zijne woorden of daden gedragen (Tuinman I, 194). In de 17de eeuw bij Baardt, Deugd.-Sp. 69 en Cats I, 465 b; Pers, 284 a: vast in zijne schoenen blijven; Paffenr. 54: vast in zijne schoenen gaan; zie ook Halma, 570: Vast in zijne schoenen staan, vast bij zijn voornemen blijven, se tenir bien sur ses étriers, agir avec confiance; Sewel, 706: Vast in zynen schoenen staan, to stand firm to his resolution; V. Janus III, 220; Harreb. II, 254; B.B. 18. Ook in Zuid-Nederland: vast in zijn schoe'n gaan, bij zijn stuk blijven (De Bo, 998 a); vast in zijn schoenen staan, zeker van zijn stuk zijn (Antw. Idiot. 1082); in vaste schoenen gaan, zeker zijn van iets (Joos, 122); in het fri.: fêst yn 'e skoen stean, zich schrap zetten, standvastig zijn; in nd. dial. in fasten schoen gaan, seiner sache gewisz sein; fast in de schôen stân (Grimm IX, 1847; Ten Doornk. Koolm. III, 130; Eckart, 472); eng. to stand firm in one's shoes.

2613. Vast in het (of den) zadel zitten,

d.w.z. zeker zijn van zijne positie; ook: zijne zaken goed kennen, kundig zijn, vast zitten, zooals in het land van Aalst gezegd wordt; ontleend aan het tournooispel, en eig. gezegd van een ruiter, dien men niet gemakkelijk uit het zadel licht; Harreb. II. 487; afrik. vas in die saal sit. In het nd. fast in 'n Sadel sitt'n (Eckart, 446); hd. fest im Sattel sitzen en sattelfest sein; fr. être ferme dans les arçons, voet bij stuk houden; être bien en selle; eng. to be quite firm in; fri. fest yn 't seal sitte, vast op zijn plaats, uit een maatschappelijk oogpunt.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal