Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

varen - (over water gaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

varen 2 ww. ‘over water gaan’
Onl. faran ‘gaan, zich begeven’ in An allero erthon fuor luit iro ‘hun geluid ging over de hele aarde’ [10e eeuw; W.Ps.], laaz ouch thinen niith faran ‘laat ook je vijandschap varen’, Wara is thin wino gefaran ‘waar is je vriend heengegaan?’ [beide ca. 1100; Will.]; mnl. varen ‘gaan, zich begeven’ [1240; Bern.], ‘gaan, reizen, gebeuren, enz.’ in Hoe hebbedi geuaren sent ‘hoe is het sindsdien met je gegaan’ [1265-70; VMNW], varen vp die see ‘op zee varen’ [1270-90; VMNW], varen met enen waghene ‘rijden met een wagen’ [1286; VMNW], alsi ouer die ze uaren ‘als ze (t.w. kraanvogels) over de zee vliegen’ [1287; VMNW].
Os. faran (mnd. varen); ohd. faran (nhd. fahren); ofri. fara (nfri. farre); oe. faran (ne. fare); on. fara (nzw. fara); got. faran; alle ‘gaan, zich begeven’ met diverse afgeleide betekenissen; < pgm. *faran-. Zie ook → vaart, → veer 2, → voeren 1 en → voorde.
Verwant met: Latijn portus ‘haven, toevluchtsoord’; Grieks peírein ‘doordringen, doorboren’; Sanskrit píparti, pāráyati (causatief) ‘overzetten, overheen voeren’; Kerkslavisch -prati ‘opsplitsen’; < pie. *per-, *por-, *pr- ‘erdoorheen gaan’ (IEW 816). Zie ook → ver- en → voor 1.
De betekenis van dit sterke werkwoord van beweging was in het Middelnederlands, net als in de andere Germaanse talen, nog zeer algemeen. Het fungeerde, net als → gaan, zelfs als hulpwerkwoord om een toekomstige gebeurtenis aan te duiden, zoals in Die voer en uision beschowen ‘die ging een visioen aanschouwen’ [1265-70; VMNW]. In het Nederlands zijn alle betekenissen behalve ‘zich voortbewegen op het water met behulp van een schip, boot e.d.’ verouderd, behalve in enkele vaste verbindingen, bijv. de duivel is in hem gevaren, iets laten varen ‘afzien van iets’, er wel bij varen ‘er voordeel van hebben’.
Vervoer van personen en goederen door de lucht vergeleek men met vervoer op open water. Zo vormde men samenstellingen als luchtvaart [1813; iWNT], luchtschip [1823; iWNT], luchtscheepvaart [1868; iWNT lucht I], ballonvaart [1911; iWNT] en ballonvaren [1928; iWNT ballon] en uiteindelijk ook het simplex varen in het varen met ballons [1936; iWNT].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

varen2* [over water gaan (in of van een vaartuig)] {oudnederlands faran 901-1000, middelnederlands varen [gaan, reizen, rijden, varen]} oudsaksisch, oudhoogduits, oudengels, gotisch faran, oudnoors fara [gaan]; de nl. betekenis is secundair en heeft zich hier kunnen ontwikkelen doordat het reizen per water de gewone manier van vervoer was; buiten het germ. latijn portus [haven], porta [poort], grieks peran [aan gindse zijde van], poros [voorde], oudwelsh rit [voorde], oudkerkslavisch pariti [vliegen], armeens hordan [weggaan], oudindisch pārayati [hij brengt over]. In de uitdrukking hoe vaart u? is varen behouden in de oude betekenis van ‘gaan’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

varen 2 ww., mnl. vāren ‘zich voortbewegen, gaan, reizen, varen, zich gedragen, zich bevinden, voeren’, onfrank. os. ohd. faran (nhd. fahren), ofri. fara, oe. faran (ne. fare), on. fara, got. faran ‘zich voortbewegen’. — lat. perītus ‘ervaren’, portāre ‘dragen’, gr. peráō, peirō ‘doorheendringen’, poreúomai ‘reizen’, oi. píparti, pārayati ‘overheen voeren’, osl. pirati ‘vliegen’, pariti ‘zweven’ van idg. wt. *per ‘over iets heen brengen, doorheendringen’ (IEW 816). — Zie verder: vaart, veer 2, voeren 1, voord en ver- 2.

Wat de bet. ontw. betreft kan men opmerken, dat al naar de gesteldheid van het land het woord gespecialiseerd is, in het nl. ‘tot zich voortbewegen te water’, in het hd. als ‘rijden’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

varen II ww., mnl. vāren “zich voortbewegen, gaan, reizen, varen, zich gedragen, zich bevinden, voeren”. = onfr. ohd. faran (nhd. fahren), os. faran, ofri. fara, ags. faran (eng. to fare), on. fara, got. faran “zich voortbewegen” (ook in specialere en overdr. bett.). Hierbij vaart, veer II, voeren I, ver- II en mnl. voort (d) m. “doorwaadbare plaats” (nog dial. en in plaatsnamen als Amersfoort, familienamen als ten Voorde) = ohd. furt m. (nhd. furt v.), os. -ford (in plaatsnamen als Heriford), mnd. vorde, vort m. “id.”, ofri. forda m. “overgang over een water”, ags. ford m. (eng. ford) “waadbare plaats”, noorw. ford m. “weg door een moeras”; vgl. hiermee gall. Ritu-magus, Augusto-ritum, okymr. rit “doorwaadbare plek”, lat. porta “deur”, portus “haven”, av. pǝšav- “doorwaadbare plek, brug”, pǝrǝtav- “doorgang, overgang, ingang”, met ablaut on. fjǫrðr m. “inham”. Verder zijn o.a. verwant: gr. póros “gang, doorgang”, peráō “ik dring door”, ksl. na-periti “doorboren”, russ. poróm “pont”, alb. pruva, prura “ik bracht, voerde”, arm. hord “betreden” (bnw.), oi. píparti “hij brengt over, geleidt, redt”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

varen 2 ono.w. (zich voortbewegen), Mnl. id., Onfra., Os. faran + Ohd. id. (Mhd. varn, Nhd. fahren), Ags. faran (Eng. to fare), Ofri. fara, On. id. (Zw. id., De. fare), Go. faran: Germ. wrt. fer + Skr. wrt. par, Zd. pǝrǝtav = doorgang, brug, Gr. póros = doorgang, Lat. porta = deur, portus = haven, peritus (= ervaren), We.. rit = wed, Osl. prati = vliegen: Idg. wrt. per = doorgaan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vare (ww.) varen; Aajdnederlands faran <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2vaar ww.
1. Met 'n vaartuig êrens heen beweeg. 2. Met behulp van roeispane, 'n seil of stoom deur die water beweeg. 3. Gaan, êrens heen beweeg. 4. Iets beleef.
Uit Ndl. varen (al Mnl.).
D. fahren (8ste eeu), Eng. fare (971 in bet. 1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vaar I: ww., beweeg, reis; daarvan afkom; Ndl. varen (Mnl. vāren), Hd. fahren, Eng. fare, hou verb. m. Lat. portare, “bring; dra, vervoer”, Gr. poros, “deurgang; pad, weg;” v. veer II, voer II.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

varen. In de oudere taalfases van het Nederlands betekende varen vooral ‘gaan, reizen’. De verwensingen vaar voor alle Turken! en dat die de duvel haal en voer die op een kar na Bremen! drukken verontwaardiging en woede uit en betekenen ‘ik veracht je, hoepel op’. Vgl. Stoett (1943: nr. 1431). Hetzelfde geldt voor de regionale (Groninger) variant vaar heen voor scheepskok!Bremen, duivel, Turken.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Varen, van den Germ. wt. far, Idg. per, por = gaan; (vgl. ’t Gr. poros = gang, doorgang; Lat. portus = haven, als ingang voor schepen). Het algemeen begrip gaan is in ’t Hgd. tot rijden (met een wagen) geworden, bij ons: met een schip gaan. De oude bet. was bij ons ook meer algemeen gaan, vgl. ’t Mnl.: „Vaert stelen ende wert (= word) een dief”. Ook nog: hoovaardig (z. d. w.); hemelvaart; Hoe vaart gij? – Afl. zijn: vaart (z. d. w.), en vaardig (z. d. w.); het caus. is voeren.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

varen ‘over water gaan (in of van een vaartuig)’ -> Negerhollands vaar ‘over water gaan (in of van een vaartuig)’; Papiaments † vaar ‘over water gaan (in of van een vaartuig)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

varen* over water gaan (in of van een vaartuig) 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2039. In iemands schuitje komen (of varen),

d.w.z. het met iemand eens worden; eig. met hem gaan varen, zijne partij kiezen; in zijn vaarwater komen (De Arbeid, 10 April 1915, p. 1 k. 2); mnl. in enes pander (korf) comen. In een (of dezelfde) schuit zitten of zijn, in denzelfden toestand verkeeren, het met iemand eens zijn; eng. to be (or row) in the same boat or embarked in the same boat or embarked in the same bottom with. Vgl. Winschooten, 241: Wij sijn in een schuit, wij hebben geen verschil; W.D. Hooft, Jan Saly (1622), 6 v: Wy komen daer mee ghelijck in ien schuyt; Plaiz. Kijv. 10: met iemand in éen schuit zyn, met iemand in denzelfden toestand verkeeren; De Brune, 24: Hy vaert met ons in 't zelve schip; Halma, 578: Wij vaaren in eene schuit, wij zijn van éen verstand, wij hebben het zelve belang, nous sommes d'accord, nous avons la même pensée ou le même intérêt; Sewel, 715; Van Effen, Spect. IX, 151: Ik beken, dat ik hier eenigermate met myne Medemakkers in de zelfde schuit ben; C. Wildsch. I, 63: Gij komt tog altoos bij slot van rekening nog al in mijn schuitje; Handelsblad, 26 Maart 1915, p. 6 k. 4 (avondbl.): Is het dan niet verkeerd, dat de Regeering zich thans begeeft in het schuitje van partijen, die zoo lichtvaardig denken over de gemoedsbezwaren van hun tegenstanders?; Nkr. IX, 30 Jan. p. 4: Heb dank, gij, man van het Handelsblad, dat ge meevaren komt in mijn schuitje; Molema, 366 b: zij komen mit 'n kander in ijn schip (Tuinman I, 141; Harreb. II, 252 a). In het Bredaasch: hij zal nog wel in mijn straatje komen (Hoeufft, 584). Vgl. ook de uitdr. iemand in (of op) zijn boot krijgen, iemand tot zijne belangen of zijne denkwijze overhalen; met iemand in één boot varen (in Kippev. I, 305: U meent dus dat u met Paulus in één boot kunt varen, baron? vroeg de borstelmaker).

2316. Hoe vaart ge?

Vgl. fr. comment allez-vous?

Deze zegswijze, waarmede men vraagt naar iemands lichamelijken welstand, is niet ontleend aan het bedrijf van den schipper, daar varen hier nog de oudste beteekenis, n.l. die van gaan, bewaard heeft, die men ook aantreft in hemelvaart, bedevaart, voortvarend, kruisvaarder, iets laten varen, enz. Hoe vaart ge wil dus eigenlijk zeggen hoe gaat ge (hd. wie geht's), hoe is het met u gesteld? Sedert de middeleeuwen werd ‘varen’ gebruikt in dezen zin van zich bevinden, het maken, gesteld zijn; vgl. Ovl. Lied. en Ged. 317: Hoet met u vaert, nemmermeer en seght dat u God anders gheeft dan goet; Flor. 3109: Si begonsten spreken van den lede ende hoe si hadden gevaren sint dat si erst gesceden waren; Melis Stoke IV, 1427: De grave hiet scinken den wijn ende seide: drinct vander hant mijn sinte Gherden minne ende vaert wel; Reyn. 4634: God gheef, dat hi qualic moet varen dese valsche moordenaer fel; Kiliaen: Vaeren, valere, gerere, habere se hoc aut illo modo; Plantijn: Wel varen, se porter bien; hoe vaerdy, comment vous portez vous?; vaert wel, portez bien. Vgl. Mnl. Wdb. VIII, 1258; het 17de-eeuwsche hoe vaertetNoord en Zuid XIX, 33-34. naast het tegenwoordige hoe gaat het? of met een voornaamwoord of een zelfstandig naamwoord in den 3den naamval hoe gaat het u? waarnaast dial. (o.a. te Dordrecht) hoe gaat (of zelfs ga) u? Verder hoe ben je (daarmee) gevaren? (Sart. II, 8, 92; Winschooten, 321; Vondel, Leeuwend. 1267; Waasch Idiot. 686 b; Harreb. III, 71) en dergelijke reeds oude uitdrukkingen. Vgl. hd. fahrwohl (met betrekking tot iets dat men opgeeft); eng. fare well!

2656. In iemands zog (of kielzog) varen,

d.w.z. iemands gemaks- of voordeelshalve volgen; het zog is het spoor, dat het schip in het opborrelend water achterlaat, het kielzog, of zooals Halma, 812 verklaart ‘het water dat een vaarend schip gelijk als na zig trekt’. Komt men daarin, dan vaart men dus vlak achter het voorafgaande schip dat den weg baant, en volgt men dit; men wint dan aan snelheid, doch ten koste van den voorganger.De Zee, 1922, bl. 621. Vgl. Winschooten, 269: in iemands sog vaaren: iemand hinderlijk zijn ‘want hoe veel meer swaarte een schip naa sig sleepen moet, hoe het te minder vaart kan maaken’Ook Sewel, 933 hecht er, hoogstwaarschijnlijk in navolging van Winschooten, deze beteekenis aan.; Brederoo, Klucht v.d. Koe, 266: Siet, broertje, dat is gang, volght gy so wat stijfjes in myn sock; Vondel, Lucifer, 1233: Heer Stedehouder, ay, aenvaert dien heirstaf toch en hanthaef 't heiligh Recht: wy volgen in uw zogh. Tuinman I, 414 hecht er evenwel een anderen zin aan nl. ‘van ymant mede gevoert worden, hem op 't spoor volgen’, en voegt er deze verklaring aan toe: ‘'t is ontleent van de varende schepen, die 't water als na zich zuigen, en 't geen er in dien stroom is, nasleepen’. Dezelfde verklaring geeft ook Van Eijk I, 165. Vgl. nog Harreb. II, 505 a; Nkr. VIII, 7 Febr. p. 4: De Beaufort zelfs vaart in Pieter Jelles' zog; 26 Sept. p. 4: Zoo vaart Colijn, de brave, in 't keizerlijke zog; De Arbeid, 17 Januari 1914 p. 1 ik. 2: Zoo drijvende in het kielzog van anderen, streden zij den strijd mede; 19 Dec. 1914 p. 3 k. 1: Zoo komen de modernen en S.D.A.P.-ers langzamer hand in het kielzog der onafhankelijken; Nw. School, IV, 176: Ik vaar niet heelemaal in zijn zog, al ben ik een Laarman-vereerder. Ik heb wel degelijk mijn aanmerkingen. In het eng. to follow (or to sail) in a person's wake. Hiernaast iemand in zijn zog meesleepen in Het Volk, 27 Juli 1915 p. 1 k. 2: Maar de stokebranden, die de weerbaarheidsmannen in hun zog meesleepen, kunnen opnieuw beginnen met het hart van den Hollandschen doorsneeburger te vervullen van vrees voor Duitschlands annexatieplannen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut