Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vanille - (vanille-orchidee (Vanilla planifolia); specerij van die plant)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vanille zn. ‘vanille-orchidee (Vanilla planifolia); specerij van die plant’
Vnnl. eerst Bainilla ‘vanille’ [1682; Gage]; nnl. Banillie [1721; Weyerman], dan Vanillen ... zyn lange en gelyk als zamen geperste hulzen (over vanillestokjes) [1734; iWNT], Vanille, zekere plant [1769; iWNT].
Ontleend, aanvankelijk rechtstreeks, maar in de moderne vorm via Frans vanille ‘zekere specerij’ [1664; Rey], aan Spaans vainilla ‘vanille’, oorspr. algemener ‘zaadomhulsel, dop’ [1555; Corominas], verkleinwoord van vaina ‘peul’, ouder vaína [1155; Corominas], dat ontwikkeld is uit Latijn vagina ‘kaf, omhulsel van een korenaar’, een overdrachtelijke betekenis bij oorspr. ‘schede van een zwaard’, zie → vagina.
De oudere Nederlandse attestaties met b- zijn te verklaren door de uitspraak van de Spaanse v- als /b/. De plant is afkomstig uit Mexico.
Lit.: T. Gage (1682), Nieuwe en seer naeuwkeurige reyse door de Spaensche West-Indien, Utrecht, 207; J.C. Weyerman (1980), De Rotterdamsche Hermes, ed. A. Nieuweboer, Amsterdam, 272

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vanille [vrucht, specerij daarvan] {1734} < frans vanille < spaans vainilla, verkleiningsvorm van vaina [vagina, schede, koker, peulschil] < latijn vagina; de betekenisovergang van ‘vagina’ naar ‘vanille’ is ontstaan door gelijkenis, de kokervorm van de doosvrucht en de bij het drogen ontstane overlangse rimpels.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vanielje, vanille znw. v., eerst nnl. < fra. vanille (sedert de 17de eeuw) < spa. vainilla < vulg. lat. <*vaginella ‘peul’ voor lat. vaginula ‘schacht van korenaren’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vanielje znw., nog niet bij Kil. Uit fr. vanille (spa. vainilla, demin. van vaina “huls” < lat. vâgîna). Ook elders ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vanielje v., uit Fr. vanille, van Sp. vainilla, dimin. van vaina = peul, Lat. vaginam (-a) = peul, scheede.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vanielje s.nw. Ook vanilla.
1. Plant waarvan die soet, geurige peulvrugte vir speserye gebruik word. 2. Geursel van hierdie plant berei, veral vir gebruik in gebak.
In bet. 1 uit Ndl. vanielje, 'n wisselvorm van vanille (1734). In bet. 2 uit Eng. vanilla (1728).
Ndl. vanille uit Fr. vanille (1693) wat saam met Eng. vanilla kom uit Sp. vainilla, die verkleinw. van vaina 'vagina, skede, koker, peulskil' uit Latyn vagina. Die peulvrug word so genoem omdat die kokervorm en rimpels by uitdroging aan 'n vagina herinner.
D. Vanille (17de eeu).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vanielje: – vanille (nie noodwendig na vb. v. Eng. nie) – , geurige speseryplant en sy geursel (Vanilla planifolia, fam. Orchidaceae); Ndl. (na Kil) vanielje/vanille, soos Eng. vanilla, uit Fr. (1693) vanille uit Sp. vainilla, dim. v. vaina, “peul”, wat verb. hou m. Lat. vagina (q.v.).

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

vanielje [vrucht, specerij]. Ofschoon dit product, dat tot de orchideeën behoort, uit Amerika afkomstig is, moet de naam niet uit enige Amerikaanse taal, maar uit het Spaans worden verklaard. Hij luidt in die taal vaynilla, een verkleinvorm van vayna, het Latijnse vagina. Vayna betekent in het algemeen een ‘schede’ en in het bijzonder de schede die het zaad van sommige planten bevat, de zaaddoos, peul of hauw. De vruchten van de vanielje (vanilla aromatica) bestaan werkelijk uit kleine, lange hauwen, zodat de reden van de naam geheel voor de hand ligt. De Mexicaanse naam van de vanielje is Tlilxochitl. Zie Piso, Mantissa aromatica, p. 200. [V]

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

vanille (Frans vanille)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vanille ‘specerij’ -> Indonesisch kernéli, panéli, vanili, panili ‘specerij’; Jakartaans-Maleis kernèli, panèli ‘specerij’; Javaans panili, pranili ‘specerij’; Madoerees panili, fanili ‘specerij’; Makassaars panîli ‘specerij’; Menadonees vanèli ‘specerij’; Minangkabaus panili ‘specerij’; Petjoh pernielie ‘specerij’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vanille specerij 1734 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut