Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vangen - (pakken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vangen ww. ‘pakken’
Onl. fān, fangan ‘vangen’ in fangit imo ‘neem hem gevangen’ [10e eeuw; W.Ps.], so mich thie ivden uahn ‘als de Joden mij vangen’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. vaen [1240; Bern.], vanghen [1285; VMNW].
Onl. fān en mnl. vaen zijn klankwettig ontstaan door wegval van de nasaal voor h en compensatierekking, zoals dat ook gebeurd is bij haen, zie → hangen. Het verleden deelwoord heeft zijn vorm te danken aan de grammaticale wisseling hg, waarbij n niet wegviel voor g en er dus geen compensatierekking optrad. In de loop van de Oud- en Middelnederlandse periode werden de infinitief en de daarop gebaseerde vervoegingen (presens, imperatief, conjunctief) door analogiewerking vervangen door vormen met de klank -ng- van het verleden deelwoord gevanghen (waarnaast ook de verleden tijd vinc, vinghen).
Met mnl. vaen corresponderen: os. fāhan (mnd. vān); ohd. fāhan (nhd. vero. fahen); ofri. ; oe. fōn; on. (nzw. ‘krijgen, mogen, moeten’), waarnaast on. fanga (ontleend aan mnd.; nzw. fånga ‘grijpen, pakken’); got. fāhan; alle ‘grijpen, pakken e.d.’, < pgm. *fāhan- < *fanhan-. Daarnaast door analogiewerking: os. fangan (mnd. vangen); ofri. fangia (nfri. fange); me. fangen (ne. vero. fang); nhd. fangen; laat-on. fanga (wrsch. ontleend aan het mnd.).
Verwant met: Sanskrit pā́śa- ‘keten, strik’, pāśayati ‘bindt vast’; Latijn pāx ‘vrede’, pacere ‘overeenkomen’; < pie. *peh2ḱ- ‘vastmaken’ (LIV 461), waarbij pgm. *fāhan- teruggaat op een nasaalpresens *ph2-n(é)-ḱ-. Zie ook het ablautende causatief → voegen < pgm. *fōgijan- < pie. *poh2ḱ-éie-. Daarnaast staat een wortelvariant *peh2ǵ- (LIV 461), waaruit: Latijn pangere ‘bevestigen, vastmaken, in de grond slaan’ (zie ook → paal en → palet); Grieks pēgnúnai ‘bevestigen, vastmaken’; en zie → vak.
vangst zn. ‘het vangen; dat wat gevangen is’. Mnl. vanc ‘het vangen’ in van din mirakelleken vanghe ‘van die wonderbaarlijke (vis)vangst’ [1285; VMNW]; vnnl. vangst ‘het vangen; dat wat gevangen is’ in Een ... vangst is ooc de Haze duchtigh ‘een smakelijke vangst is ook de bange haas’ [ca. 1575; iWNT duchtig II], Van ons eygen vanghst [ca. 1600; iWNT]. Relatief jonge, en alleen in het Nederlands en Nederduits voorkomende afleiding van vangen of van het oudere zn. vanc ‘vangst’, met een achtervoegsel -st naar het voorbeeld van andere zn. met -st na nasaal of liquida, zoals dienst, komst, winst, dorst.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vangen* [pakken] {1279} uit middelnederlands vaen {1237} o.i.v. het verl. deelw. gevangen, vgl. oudsaksisch, oudhoogduits fahan, oudfries fangia, naast , oudengels fangian, naast fōn, oudnoors , verl. tijd mv. fengu, gotisch fahan; buiten het germ. latijn pangere [vastmaken], pax [vrede, verdrag], grieks pègnumi [ik maak vast], russisch paz [verbinding], oudindisch pāśa- [touw, vangstrik].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vangen ww. mnl. vanghen, onfrank. fangan, mnd. vangen, nhd. fangen (sedert 17de eeuw), ofri. fangia, on. fanga is onder invloed van verl. deelw. en verl. tijd mv. nieuw gevormd naast het oorspr. mnl. vaen, os. ohd. fāhan, ofri. , fān, oe. fōn, on. , got. fāhan < germ. *fanhan < idg. *panḱ-, nasalering van *pā̆ḱ‘vastmaken’, vgl. oi. páś - ‘strik’, gr. pássalos ‘pin, spijker’ lat. paciscō ‘een verdrag vastmaken’ IEW 787-8). — Daarnaast ook de wt. *pā̆ĝ, waarvoor zie: vak. — Zie ook: voegen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vangen ww., mnl. vanghen. Een naar het verl. deelw. en het praet. opgekomen vorm naast gewoner mnl. vaen = ohd. os. fâhan (nhd. fangen, nog niet mhd.; wel onfr. fangan en mnd. vangen), ofri. , fân, ags. fôn, on. , got. fâhan “vangen, grijpen” (*faŋχanan). Voor de vormen vgl. hangen. Gew. als genasaleerde vorm van de basis pā̆ḱ- (waarvan o.a. oi. pā́ça-, páç-”strik, strop”; zie voegen) beschouwd. Plausibel is echter ook de combinatie met po. pęk, russ. puk “bundel”, die op een idg. basis (peŋq-) poŋq- of paŋq- wijzen. Zie spang.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vangen. De combinatie met de groep van voegen is de waarschijnlijkste. Zie nog spang Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vangen o.w., Mnl. vaen, Os. fâhan + Ohd. id. (Mhd. vâhen, Nhd. fahen, fangen), Ags. fón, Ofri., On. fá. Go. fâhan (alle uit *faŋhan, waar eerst de n vóór h, en dan de h tusschen twee klinkers wegviel; echter zijn Nndl. vangen en Nhd. fangen analogievormen naar ’t verl.deelw.): Germ. wrt. fa(ŋ)h (z. voegen) + Skr. pāças = strik. Gr. pḗgnumi = ik maak vast, Lat. pangere en pax: Idg. wrt. pa(ŋ) en wrt. pa(ŋ)g͂.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vaange (ww.) vangen; Aajdnederlands fangan <901-1000>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vangen leidt men af van den Idg. wt. pac, pang = vastmaken, boeien, waarvan ’t Lat. pax = vrede, als vastmaking van een verdrag.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vangen ‘pakken’ -> Deens fange ‘pakken’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors fange ‘pakken, gevangen nemen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds fånga ‘pakken, gevangen nemen’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins vangita ‘pakken, gevangen nemen, van de vrijheid beroven’ ; Ests vangistada ‘pakken’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands vang, fan ‘pakken, bemachtigen, gevangen nemen’; Berbice-Nederlands fanggi ‘pakken’; Skepi-Nederlands fank ‘pakken’; Papiaments fangu ‘pakken’; Sranantongo fanga ‘pakken; vangst; vangijzer’; Surinaams-Javaans fangah, mangah ‘geld ontvangen, iets vangen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vangen* pakken 1279 [CG I]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

6. Hij is te vangen als een aal bij den staart,

d.i. hij is zoo weinig thuis, dat men hem maar hoogst zelden te spreken kan krijgen; ook: zoo vlug en handig, dat men hem bij eene discussie niet schaakmat kan zetten. Vgl. no. 7.

600. Hij is voor één gat niet te vangen,

d.w.z. hij is niet gemakkelijk, of wel, in 't geheel niet te vangen; ook hij is voor geen zeven gaten te vangen. Onder gat moet hier volgens het Ndl. Wdb. IV, 337 worden verstaan de opening of mond van een der pijpen of gangen van een hol, waarin dassen, vossen of konijnen zich ophouden. Deze dieren hebben meer dan een uitweg aan hun hol; spant men een net voor het eene gat, dan ontsnappen ze door het andere; de uitdr. is derhalve aan de jacht ontleend; vgl. Sewel, 231: Voor alle gaten is 't kwaad garen (net) hangen. Zij komt voor bij Campen, 93: Hy is voer een gat niet toe vangen; Hooft's Brieven, 188; Coster, 540, vs. 1402; Focq. Typhon, 33, vs. 1: Vrouw Pallas als doorslepen en niet gevangen voor een gat; Sewel, 231; Harreb. I, 205 a. Vgl. ook het Friesch: hy is foar ien gat net to fangen; nd. se is vör ên Gatt nich to fangen (Eckart, 138); fr. souris qui n'a qu'un trou est bientôt prise; hd. es ist eine arme Maus, die nur ein Loch hat; nd. et möste ne arme Mus sin, de dar män een Lak hädde (Jahrb. 38, 160); eng. it's a poor mouse that has but one hole to creep out at. Zie verder Wander III, 537-538Het mnl. die mues die waer een hol en weet ic segge u dat hare sorgeleke steet is te vergelijken met het mlat. mus miser est, antro qui tantum clauditur uno (Werner, 51). Vgl. R. Visscher, Sinnepoppen, 1ste Schock, 58.. Hiernaast Hij is voor dat gat niet te vangen (o.a. Korenbl. II, 110).

1897. Een puisje vangen; puisjesvangen,

d.w.z. bij iemand aanbellen en daarna wegloopen, beldeurtje spelen. In de 18de eeuw komt bij Van Effen, Spect. IV, 158 een znw. puisjesvanger voor. Zie ook Sewel, 654: Een puisje vangen (een belletje maaken), to knock or ring at one's door in the evening; S.M. 115: Die brutale jongens, alweer een puistje, zei hij in zich zelven en trad op de stoep om te zien, wie hem nog zoo laat hinderde. De oorspr. bet. zal wel zijn: voorgeven eene poes (in de 17de eeuw is puis = poes zeer gewoon) te vangen (bij avond), doch eig. straatschenderij plegen. In N.-Limb. kent men hiervoor: muschkejagen; in Antw. een beeldeken plakken; te Breda: eene rat jagen; elders: een muisje vangen; muiske bellen (te Roermond); muisjes bellen (te Dordrecht); bolkies vangen (te Delft); zie Taalgids IV, 40; Schuermans, 399 b; 523 a; Bijv. 204 b en Hoeufft, 482. Vgl. ook een uiltje knappen en om zeep gaan, aan welke uitdrukkingen eene soortgelijke gedachte kan ten grondslag liggen. (Aanv.) Een poes werd ook gevangen en aan 't schellekoord opgehangen.

1986. Een schelvisch uitwerpen om een kabeljauw te vangen,

d.w.z. iets gerings opofferen om een grooter voordeel te verkrijgen. Vroeger was meer gewoon: een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen; vgl. Spieghel, 295; Winschooten, 276: Een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen: dat is, oneigendlijk genoomen: iemand iets kleins vereeren, op hoop van iets beeters weer te krijgen’; bij andere schrijvers is weer sprake van een aal, bijv. Idinau, 168: een aelken werpen, om eenen snoeck te vanghen. Zie Suringar, Erasmus, no. CCXXVII; Harreb. III, 97 b en vgl. de synonieme uitdrukkingen: een haring uitwerpen om een zalm te vangen (Harreb. I, 284); avontuur een sardijntje om een' snoek te vangen (Harreb. II, 236); mit een metworst noar een stuk, een ziede spek, 'n schink gooien (Taalgids V, 154; Dr. Bl. III, 49; Dirksen I, 350); een teling uitzenden om een eendvogel te vangen (Harreb. I, 171 b); een avel uitwerpen om een snoek te vangen (Welters, 95); een bliekske (of een rotse) smijten om eenen snoek te vangen; een appel geven om een ei te krijgen (De Bo, 148 b; 957 a); een pieringsken, een witvischken, een vischken, een spieringsken, een baasken in 't water werpen om eenen snoek (of eenen kabiljauw) te vangen (Schuermans, 476 a; Bijv. 274 b; Waasch Idiot. 317 b; Antw. Idiot. 1379); een ei geven om een hoen (een schaap, een os) terug te krijgen (Ndl. Wdb. III, 3971); met een (slecht) vorentje een (vetten) karper vangen (De Brune, Bank. II, 174). In het fr. donner un oeuf pour avoir un boeuf; donner un pois pour avoir une fève; hd. mit der Bratwurst nach eine Seite Speek schieszen; oostfri.: mit 'n pinke na 'n schinke smiten (Ten Doornk. Koolm. II, 718 b); noordfri.: hi leat an Swalk (zwaluw) ûtj flä an wol an Gus (gans) wedder ha; eng. to cast a sprat to catch a whale or to bait with a sprat to catch a mackerel; fri. in spjirring útsmite om in kabbeljau to fangen of in tielling útstjûre om in einefûgel to fangen.

2091. Hij heeft een snoek gevangen.

Eene ironische uitdr. voor: hij is in het water gevallen. Zie Winschooten, 268: Een snoek vangen, het welk oneigendlijk beteekend, in het waater vallen; en derhalven werd het spotsgewijs geseid. Zie R. Visscher, Quicken, III, 38; Snorp. I, 22; Van Moerk. 97 en Tuinman I, 80: Die in 't water ploft, vangt een snoek, en die knikkebolt vangt een uiltje; Harreb. II, 279; Opprel, 84 a: snoek zijn, in het water gelegen hebben; Breuls, 85: ene snook vange, onverwachts in een plas water trappen; Waasch Idiot. 607 a; Kinderspel I, 277: Komt er een in 't water terecht die vangt sloek of snoek; te Denderleeuw: snoek hebben, water in zijn schoenen of klompen hebben. In Vlaanderen, Limb. ('t Daghet XII, 112) en Brab. zegt men daarnaast eenen visch vangen, ook voor: in een waterplas trappen (De Bo, 1328 b; Waasch Idiot. 715 a; Antw. Idiot. 1379); Rutten, 260: eenen visch pakken; Antw. Idiot. 935: een paling vangen (dat ook beteekent niet slagen in een onderneming; Schuermans, Bijv. 232), syn. van een kater vangen (Antw. Idiot. 1800). Volgens Schuermans, 848 b beteekent het ook: hij is dronken. Vgl. ook hij gaat aan 't kikkers vangen (van een dronkaard die in 't water valt; Harreb. I, 400); het Nederduitsche: he hett Al steken; he hett en Quapp fungen (is door het ijs gezakt; Eckart, 419); het vroegere mollen vangen, 16de eeuw mollen rooven, dood gaanHet gron. hij het 'n bolk fangen, hij heeft een nat pak gehaald, kan niet vergeleken worden, daar bolk hier niet kabeljauw maar regenbui beteekent (Molema, 48 b; Ndl. Wdb. III, 303).; hd. Krabben fangen (bij 't roeien niet diep genoeg in 't water slaan en achterover vallenOok bij ons beteekent een snoek vangen, de riemen recht in 't water steken.; eng. to catch a rab (or crabs); amer. to catch a lobster; it. pigliare un granchio; fri.: chy het in snoek fongen. Zie no. 331.

2306. Een uiltje knappen (of vangen),

In het Ndl. beteekent een uiltje vangen (door onoplettendheid van den stuurman) overstag gaan, door den wind gaan.

d.w.z. een middagslaapje doen, ‘naar het lek luisteren’, zooals de zeeman zegt, fri. nei 't lek lûsterje), naar 't lekken van de goot gaan luisteren (Goeree en OverflakkeeN. Taalgids XI, 308.); de kriekele beechte (MaastrichtN. Taalgids XIV, 194.). Eene verbloemende uitdrukking, die eig. wil zeggen een uiltje (een vlinder) vangen, doch schertsenderwijze gebruikt wordt voor het zich even afzonderen om een slaapje te doen; vgl. no. 356. De uitdr. komt in de 17de eeuw o.a. voor bij Hooft, Ged. II, 463; Heemskerk, Minnekunst (anno 1626) bl. 459:

 't Soete groen, tot een verwonder
 Lancx het water weeldrigh groeyt,
 Dat het vruchtbaerlyck besproeyt.
 't Welck my 's middaghs doet verlanghen
 Om een uyltjen op te vanghen:
 Waer ick 't slapen vind so soet
 Als ghy op u pluym-bed doet.

Zie verder Noord en Zuid XIX, 165-168; Kluchtspel II, 202; Rusting, 7; 584; C. Wildsch. V, 303: Dominées oude goede sloof, die onderwijl een zoet uiltje geknapt had; Halma, 713: Een uiltje vangen, een namiddagslaapje neemen, faire la méridienne; V. Janus, 2; Leopold, I, 42; Uit één pen, 119; Nederland, 1914, II, 7; Joos, 107; Waasch Idiot. 669 a; het hd. eine Eule fangen, ein Mittagschläfchen haltenSchrader, 262. In de hd. zeemanstaal beteekent eine Eule fangen, den wind plotseling van voren krijgen.. Te vergelijken is de Groningsche uitdr. vlinder knippen, den schooltijd verzuimen (Molema, 326); vinkertjes leggen (Frequ. I, 117); een poesje vangen, to ring at people's doors in the night time (Sewel), dus wat wij noemen een puisje (17de eeuw puis = poesVoor den verkleiningsuitgang zie Taal en Letteren III, 91. vangen; een muisje pakken, minnehandel drijven (Rutten, 149); enz. Zie no. 2298 en vgl. Om zeep gaan (noot).

2432. Ergens niet zijn om vliegen te vangen,

d.i. ergens niet zijn om den tijd te verbeuzelen. Vgl. in de 16de eeuw bij Servilius, 127: Muscas depellere, etiam hodie vulgato ioco dicitur, qui iocoso (sic) atque inutili fungitur officio, hij moet hem de vliegen keeren; Sartorius III, 8, 38: Muscas depellere, τας μυιας απαμυνειν, de vliegen afkeeren, de eo, qui otioso atque inutili fungitur officio; Paffenr. 91: Men weet wel dat hy daer niet quam om vliegen te vangen; Halma, 662; 733: Ik zitt' hier niet om vliegen te vangen, ik ben hier niet om vergeefschen arbeid te doen; Tuinman I, 50: Ik ben hier niet om vliegen te vangen, de zin is, myn werk is geen beuzelingen, maar dingen van aangelegentheid te verrichten. 't Is genomen van Keizer Domitianus, die gewoon was zich dagelyks een wyl alleen in zyn kamer te besluiten, alsof hy daar iets gewigtigs te doen had, en dan dien tyd doorbragt met vliegen te vangen’Vgl. Suetonius, Dom. 3.. Een gelykluidend spreekwoord is: ik ben hier niet om de ganzen te hoeden waar toe men kleine boerenjongens gebruikt’Vgl. Tuerlinckx, 202.. Het is niet waarschijnlijk dat deze bewering van Tuinman juist is, daar reeds bij den Griekschen schrijver Aristophanes τας μυιας απαμυνειν, de vliegen afweren, in onze beteekenis voorkomt. Zie verder Suringar, Erasmus, CXXVI; De Arbeid, 11 Febr. 1914, p. 4 k. 1: De vakvereenigingen zijn er niet om vliegen te vangen en laten zich niet met een kluitje in het riet sturen, veel minder negeeren; Boefje, 10: Die kreeg 't werachies toch ook niet met vliegevange bij mekaar, die ongelukkige zeve gulde in de week; bl. 70: Gane julie maar vliege vange; Schrader, 9; hd. ich bin nicht hier um Fliegen zu fangen; fr. je ne suis pas ici pour enfiler des perlesVgl. Sewel, 14: Wy zyn hier niet om paerlen aan te rygen, we are not here to trifle; Harreb. II, 172: Hij staat daar niet, om paarlen te snoeren.; eng. I do not sit here to pick straws.

2433. Twee vliegen in één klap (of lap) slaan (of vangen),

d.i. twee oogmerken tegelijk bereiken. Vgl. Idinau, 65:

 Twee vlieghen met eenen lappe sy slaen,
 Die met een moeyte twee dinghen bekomen.
 T' gheluckt soo, of t' is met ernste ghedaen:
 Alst komt, t' werdt meest in 't goede ghenomen.
 Men prijst, die hen tot deughden ver-vromen.

Hooft, Brieven, 400: Wy zouden 'er etlijke te lijf slaan, ende midlerwijle twee vliegen met een' lap; Ged. II, 349 vs. 1312: t Komt profytelijck uyt, men slaet twee vlieghen mit ien lap; De Brune, 279: Het moest wel met gheluck toe-gaen, twee vlieghen met een lap te slaen; Bank. II, 209: Die zijn zaecken wel aen-leght, kan somtijds twee vlieghen met eenen lap slaen; Tuinman I, 274; Adagia, 60: Twee vliegen in eenen lap slaen, in saltu unico duos aperos capere; Van Effen, Spect. VII, 78; IX, 150; Sewel, 897: Twee vliegen met een' klap slaan, to kill two crows with one stone; zoo ook W. Leevend II, 83; Schoolblad, XLIII, k. 994; Het Volk, 21 Febr. 1914, p. 5 k. 4: Nu kan men twee vliegen in één klap slaan, door het Gooi heelemaal af te zanden en alle Amsterdamsche grachten te dempen; 4 April 1914, p. 1 k. 1: Wellicht hopen zij twee vliegen in één klap te slaan, en naast de versterking van hun ekonomische machtspositie, ook politiek profijt uit deze worsteling te winnen; afrik. twee vlieë in een klap slaan; Waasch Idiot. 717: twee vliegen in één lap, twee werken met ééne moeite; Schuermans, 820 b: twee vliegen in éenen slag (of in een lap) treffen, syn. van twee gaten met eenen bus stoppen (Schuerm. 86 a); twee duiven met éen boone vangen (De Bo, 275 b; De Brune, Bank. II, 209, vertaling van het ital. pigliar due colombi con una fava). Vgl. het lat. uno in saltu apros capere duos; Sart. I, 7, 67: twee vogelen schieten met een bout; III, 7, 41: met een sprongh twee hasen bespringen; twee kraeyen met een schoot schieten; Servilius, 23: met eender dochter twee behoude sonen crijgenVgl. Le Roux de Lincy (anno 1842) I, 152; II, 391., hetzelfde als twee swagers (schoonzoons) met een dochter maecken (Sart. I, 7, 68; Volkskunde XVI, 64); De Brune, Bank. II, 209: twee muyren met een quispel witten, vertaling van het lat. duos parietes de eadem dealbare fidelia (Suringar, Erasmus, LXII); hd. zwei Fliegen mit einer Klappe schlagen, - mit einem Schlage fangen; eng. to kill two birds with one stone; de. at slaae to Fluer med eet Smaek; fri. twa miggen of mosken yn ien flap fange.

2478. Men moet vossen met vossen vangen,

d.i. men moet slimme menschen door slimheid verschalken; ‘men moet slimheid tegen slimheid overstellen, om tot zijn oogmerk te geraken’Men denke aan de vroegere gewoonte om dieven met gewezen dieven te vangen. De onderschout was gewoonlijk iemand, die zelf vroeger niet deugde.. De spreekwijze komt voor bij Servilius, 257*: Men moet vossen met vossen vanghen; Sart. I, 2, 71: Vulpinari cum vulpe, αλωπεκιζειν προς ετεραν αλωπεκαZenobius, I, 70; Bebel, 549; Suringar, Mnl rijmspr. 60: wie vosse met vosse vaen sal, hi moet kinnen haer weghe al; Erasmus, CCXLIII; Prov. Comm. 656; tis quaet vosse met vossen vaen (Bebel, 488); mlat. illaqueare lupum numquam potes arte luporum., vossen met vossen vangen, hoc est cum astuto astutiis agere; Mergh, 59; De Brune, 124; 475: Men moet den vos met vossen vangen; Adagia, 46: Men moet met vossen vossen vangen, cum vulpe vulpinandum; Harrebomée II, 407 bOok in letterlijken zin geschiedt dit door een wijfjesvos aan een boom te binden en netten of vallen in den omtrek te plaatsen. De mannetjes komen op de wijfjesvos aan en worden zoo in de netten of strikken gevangen.. Vgl. hd. Füchse musz man mit Füchsen fangen; fr. à renard, renard et demi; eng. set a thief to catch a thief; it. con la volpe convien volpeggiare; lat. cum Cretensi cretizare.

2530. In (of op) zulke waters vangt men zulke visschen.

Men bezigt deze uitdrukking als iemand de nadeelige gevolgen ondervindt van eene slechte daad, loon naar werk krijgt; mlat. in tali tales capiuntur flumine pisces; in magno grandes capiuntur flumine pisces (Werner, 40). In de Prov. Comm. 437: in sulcken riviere vangtmen sulcke vissche, in tali tales capiuntur flumine pisces; Bebel, no. 182: in tali flumine tales capiunter pisces; dicitur in illos, qui sua temeritate et voluntate periculum inciderunt; vel etiam in bonum dici potest; Winschooten, 348: In sulke waaters vangt men sulke vissen: dat is, men krijgt loon naa werken. Zie verder in de 17de eeuw Hooft, Brieven, 270, waar de bet. evenwel is: van zulke menschen verwacht men zulke daden, in welken zin het spreekwoord ook voorkomt bij Coster, 537 vs. 1293; Brederoo, Klucht v.d. Koe, vs. 671; Huygens V, 96; De Brune, 240; 476; V. Moerk. 94:

 Dat de pry my bedrieghen wou, hoord ick wel te gissen:
 Somma op sucke waters vangtme sucke vissen.

Tuinman I, 296 en II, 197 kent het spreekwoord alleen in den zin van: ‘dit zijn de vruchten van zulk een bedrijf’; zoo ook Sewel, 941: Op zulke waters vangt men zulke visch, that's the reward due to such doings; door Van Dale worden beide beteekenissen vermeld. Zie verder Harreb. I, 291 a; Schuerm. 845 b; Antw. Idiot. 1420; in Waasch Idiot. 714: op zulke vijvers vangt men zulke visschen, zulke werken hebben zulk gevolg; vgl. Jahrb. 38, 164: in söcken Water fänkt man söcke Fiske; Woeste, 317 a; hd. in solchem Wasser fängt man solche Fische; fr. telle eau, tels poissons; Harreb. I, 83 a: in zulke bosschen vindt men zulke vogels; in het fri.: op sokke wetters fangt men sokke fisk, zoo oorzaak zoo gevolg; ook: soort zoekt soortMag ook vergeleken worden Spieghel, 297: In zullich water, zullighe visschen?.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal