Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vandaal - (iemand die vernielt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vandaal zn. ‘vernieler’
Mnl. Wandelen ‘Vandalen’ in Die Wandelen ... Quamen treckende in Vrankelant ‘de Vandalen kwamen het Frankenrijk binnengetrokken’ [1300-25; MNW-R]; vnnl. in door de Gotthen, Vandalen ... soo dickmaels verwoest [1595; iWNT voetstap]; nnl. vandalen, wandalen ‘vernielers’ in Die Wandalen! ‘die barbaarse vernielers!’ [1835; Geel], de Fransche Vandalen ‘de Franse barbaarse vernielers’ [1849; Gids 2, 99].
Ontleend aan middeleeuws Latijn Wandali ‘Vandalen’, klassiek Latijn Vandali ‘Vandalen’, de naam van een Germaans volk, die begrepen kan worden als ‘zij die rondzwerven’, waarin de Germaanse stam wandal- (of wandil- of wandul-) voorkomt, die we ook terugvinden in → wenden en → wandelen. De Vandalen raakten in Europa bekend als plunderaars, in het bijzonder na grondige plundering van Rome in 455. De hierdoor ontstane betekenis van Oudfrans wandale ‘dief, plunderaar’ [1280; TLF] (Nieuwfrans vandale) is later door het Nederlands overgenomen.
Nog tot in de 20e eeuw treft men Wandaal [1940; Vaderland] naast Vandaal aan.
vandalisme zn. ‘vernielzucht’. Nnl. Het ... Vandalisme, heeft in Frankryk ... nooit weder te herstellene nadeelen te wege gebragt [1799; Vad.lett., 457-58], vandalismus ‘barbaarse vernielzucht’ [1820; Stuart], wandalismus ‘id.’ [1847; Kramers]. Ontleend aan Frans vandalisme ‘barbaarse vernielzucht’ [1794; Rey], een afleiding met het achtervoegsel → -isme van vandale, die bedacht is door Henri Grégoire, bisschop van Blois, om tijdens de Franse Revolutie de vernieling van cultuurgoed te signaleren en zo tot staan te brengen. De ook voorkomende variant vandalismus (soms wandalismus) is ontleend aan Duits Vandalismus [1795; Schultz], dat ook een ontlening is van Frans vandalisme.
Lit.: J. Geel (1968), Gesprek op de Drachenfels, ed. J.C. Brandt Corstius, Amsterdam, 59; M. Stuart (1820), Jaarboeken van het koningrijk der Nederlanden, 1816, Amsterdam, 122; J. de Strada (1553). Epitome du thrésor des antiquitez, Lyon, 254

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

Vandaal [lid van Germaans volk] {1595} < latijn Vandalus, uit het germ., vgl. wenden; de betekenis is ‘hij die rondzwerft’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vandaal ‘iemand die vernielt’ -> Indonesisch vandal ‘iemand die vernielt’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut