Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vallen - (naar beneden bewegen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vallen ww. ‘naar beneden bewegen’
Onl. fallan ‘naar beneden bewegen’ in Gruouon ... gruoua in fielon an thia ‘zij groeven een kuil en vielen erin’, fallon sulun mora ‘de Moren zullen neervallen’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. vallen in bloet dat hem ... op de cleder uallet ut den lippen ‘bloed dat uit hun lippen op hun kleren valt’ [1236; VMNW], ook overdrachtelijk, o.a. ‘in een bepaalde toestand terechtkomen’ in dat hire bi ualle in houet sonden ‘dat hij erdoor in hoofdzonden zal vervallen’ [1236; VMNW], ‘gebeuren’ in Aldos so es het daer geuallen ‘zo is het daar gebeurd’ [1265-70; VMNW].
Os. fallan (mnd. vallen); ohd. fallan (nhd. fallen); ofri. falla (nfri. falle); oe. feallan (ne. fall); on. falla (nzw. falla); alle met basisbetekenis ‘vallen’, < pgm. *fallan-. Zie ook → val 1 en → val 2 en het causatief → vellen. De geminaat -ll- in dit oorspronkelijk reduplicerend ww. is ontstaan door assimilatie van een suffix -n- aan de voorafgaande -l.
Verwant met Litouws pùlti ‘vallen’; Armeens pclanim ‘ik val’; niet bij een wortel pie. *peh3lH- ‘vallen’ (LIV 463), maar gevormd uit pie. *h2po ‘af’ en *h3elh1- ‘vallen’ (LIV 298), een door Neri (2007) voorgestelde ontleding; zie ook De Vaan (2008:21). Verwant zijn dan ook Latijn dēlēre ‘vernietigen’, ab-olēre ‘id.’, Grieks ap-ollúnai ‘doden, vernietigen’.
Dit werkwoord van beweging heeft in de loop van de tijd vele betekenissen en betekenisnuances ontwikkeld. Gedeeltelijk zijn deze overgegaan op afleidingen, bijv.aanvallen ‘met geweld aangrijpen’, → bevallen 1 ‘baren’, → bevallen 2 ‘behagen’, → geval ‘gebeurtenis’ en toeval ‘onvoorziene gebeurtenis’.
Lit.: S. Neri (2007), Cadere e abbattere in Indoeuropeo. Sull' etimologia di tedesco ‘fallen’, latino ‘aboleo’ e greco ‘apóllumi’ (= Innsbrucker Beiträge zur Sprachwissenschaft, Band 124), Innsbruck

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vallen* [omlaaggaan] {oudnederlands fallon 901-1000, middelnederlands vallen} oudsaksisch, oudhoogduits fallan, oudfries, oudnoors falla, oudengels feallan; buiten het germ. litouws pulti, lets pult [vallen], armeens pʼlanim [ik val in].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vallen ww., mnl. vallen, onfrank. fallon, os. ohd. fallan (ohd. fallen), ofri. falla, oe. feallan (ne. fall), on. falla. Oorspr. redupl. ww. met presentisch n-suffix (ll > ln). — Idg. wt. *phol, vgl. lit. púolu, pùlti, lett. puolu, pult ‘vallen’, arm. pcul ‘ineenstorting’, pclanim ‘invallen’ (IEW 851).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vallen ww., mnl. vallen. = onfr. fallon, ohd. fallan (nhd. fallen), os. fallan, ofri. falla, ags. feallan (eng. to fall), on. falla “vallen”. Met ll (oorspr. alleen praesentisch) uit ln en verwant met lit. pů́lu, púlti “vallen”, arm. pʿul “het invallen”, pʿlanim “ik val in”. Gr. sphállō “ik breng ten val” kan ph > idg. ph hebben en met vallen enz. verwant zijn; veeleer echter hoort ’t met. idg. qh bij oi. skhâlate “hij struikelt”. Lat. fallo “ik bedrieg” is ten onrechte met vallen gecombineerd: lat. f kan noch op idg. ph noch op p teruggaan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vallen ono.w., Mnl. id., Onfra. fallon, Os. fallan + Ohd. id. (Mhd. valn, Nhd. fallen), Ags. feallan (Eng. to fall), Ofri. falla, On. id. (Zw. id., De. falde) + Skr. wrt. sphal = wankelen, Gr. sphállein = doen vallen, sphállesthai = zich doen vallen, missen, Lit. pulti = vallen: Idg. wrt. sphal.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

valle (ww.) vallen; Aajdnederlands fallan <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

vallen (viel, is gevallen), (ook:) inzakken (een baksel). Dan is mijn keeks* gevallen! Wat een schande... En ik heb nog wel zoveel lucht erin geklopt, Heer (Helman 1954a: 12).
— : vallen op, komen op (een naam, een idee). Mevrouw Welch zelf vertelde iets over Pinksteren. Het koor - sorry ik kan niet meer op de naam vallen - was geweldig (WS 12-6-1982).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

vallen. De verwensingen val dood!; ze moesten doodvallen!; laat ze doodvallen!; je kunt doodvallen!; val nou toch gauw gebakken!; val in bonken!; val in de sneeuw!; val in de stront!; val in de zeik!; val in de knoop!; ge kunt in een knoop vallen!; val kapot!; val van het dak!; val in mijn kastje! betekenen ‘stik!, je kunt met wat!, bekijk het maar!’ Voor de verwensing val in drieën!; val in moten voor mijn poten! zie men het verwensingsversje onder barsten. Val op je knieën, barst in drieën! werd in Nijmegen genoteerd. Andere varianten met vallen zijn: val in vieren, verrek je spieren,// val in moten, trap voor je kloten. Een zegsman uit Gouda geeft als alternatief val in brokken, voor mijn rokken// val in de sloot dan ben je dood! barst! En in Hillegom kent men nog val in stukken van je krukken,// val in brokken uit je rokken, barst! En in Warmond komt voor doe niet zo lomp, val in de plomp! Al deze verwensingen worden gebruikt in geval van verontwaardiging, minachting, haat, boosheid, woede. De vloek val nou toch gauw gebakken! drukt eveneens verontwaardiging en minachting uit en betekent ‘barst, hoepel op’. Hetzelfde geldt voor val in mijn straatje! en val uit je bed! Een zegsman uit Amsterdam kende in de jaren zeventig ook de verwensing vriend der vaderen erf, val op je smoel met een pot verf. Hij voegt daaraan toe dat men dat altijd zei als men niets meer te zeggen had. Als zelfverwensingen kennen wij ik val dood als het niet waar is! en ik mag doodvallen als ... In Nederlands-Limburg hoorde ik ook val als lange kapot en sta als korte weer op! Sanders en Tempelaars (1998) kennen voorts nog val dood op je verjaardag!; val drie hoog het raam uit!; val onder de tram!; val onder lijn 7!; val in elkaar!; val in mijn zak!; val om! en val omhoog! De emotionele betekenis van al deze verwensingen duidt eveneens op ergernis, minachting enz. → barsten, dood, doodvallen, kunnen, rotten, touw.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vallen, van den Germ. wt. fal, Idg. (met voorgevoegde s) sphal = vallen, vgl. ’t Gr. sphalloo = ik val, stort neder.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vallen ‘omlaaggaan’ -> Negerhollands val, fāl ‘omlaaggaan’; Berbice-Nederlands falu ‘omlaaggaan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vallen* omlaaggaan 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

303. Een boom valt niet met den eersten slag,

eene moeilijke taak kan niet in eens volvoerd worden. Dit spreekwoord is bij vele schrijvers te vinden. In het mlat. arbor per primum nequaquam corruit ictum (Werner, 4); in het mnl. niet en valt die boom ten iersten slage; een boom die vast ghewortelt staet en valt ten eersten slaghe nietMnl. Wdb. VII, 1184.; Campen, 114: die boem en valt niet van eenen slach; Prov. Comm. 200; Servilius 31; Sartorius, 1, 9, 63; Bebel, 458; De Brune, 66:

 De eyck, die vast ghewortelt staet,
 De eerste slagh niet neer en slaet.

Tuinman I, 87; Harreb. III, 138-139 en vgl. fr. l'arbre ne tombe pas du premier coup; hd. auf dem ersten Hieb fällt kein Baum; es fällt keine Eiche mit einem Streiche; eng. a first stroke fells no tree.

450. Op iets dood blijven (of) vallen,

in de uitdr. hij blijft of valt dood op een halven cent, d.w.z. ‘hij is door en door gierig; om een halven cent zou hij een koop laten varen, van een onderneming afzien (V. Dale); hij ging liever dood dan een halven cent op te offeren. Bij Van Effen, Spectator XII, 58 lezen wij: Zo een lafhartig gedrag van luiden, die in het dingen, op een duit dood zouden blyven, kan nergens anders uit spruiten, zal men zeggen, dan uit een verfoeielyke gierigheid. Synoniem hiermede is de bij Campen, 54 voorkomende uitdr. hy solde wel op een luys doot blyven, ook vermeld door Sartorius II, 9, 80 en III, 8, 39: Hy blyft op een luys doot, de iis, qui pauperum modo tenuiter vicitant; Brederoo I, 224, 322; De Brune, 467; Tuinman I, 168; II, 114; Ghetto2, 23: Hij is betoegh (rijk), maar ie valt dood op een halvie; in Nest, 74: Ik moet op een halve roode cent doodblijven. In Zuid-Nederland zegt men op een oordje, veur 'ne(n) (halve) cent dood blijven (De Cock1, 302-303; Waasch Idiot. 790; Claes, 45; Antw. Idiot. 366) en spreekt men van een oordjedood, gierigaard (Volkskunde XV, 146); in het Hagelandsch: oep i negemännke (een duit) doeëd blijve (Tuerlinckx, 410; Volkskunde, XV, 176); nd. dä blieuw op em Penneng düd (Eckart, 403); fri. hy falt dea op in stûr (stuiver).

451. Ik mag dood vallen (of ik val dood) als....

Eene sterke verzekering der waarheid van hetgeen men beweert (zie o.a. Lev. B. 191; Sjof. 219); eveneens in Zuid-Nederland bekend, waar men ook zegt: ik wil eeuwig branden, als hetgeen ik beweer niet waar is. In Noord-Holland: ik laat me teren (Boekenoogen, 1363); in de 17de eeuw: ik laat me wippen, als (Gew. Weuw. III, 80); in de 18de eeuw: ik wil me laten kortooren (Halma, 284); hd. ich will Matz (of Hans) heiszen; du sollst mich einen Schelm heiszen; ich will des Todes sein, wenn; eng. may I die of I'll be shot, hanged if; I may drop down dead, if (Prick); fri. ik mei dea del falle as.

Vgl. nog het lat. pereo; mnl. van Gode moetic hebben ondanck; up een rat doet mi legghen eest niet waer; oft ic't late, dat ic riese; condijs mi dies vroet ghemaken, ic wille dat ghi mi Hughe heet; ic leghs minen hals teghen den dinen, dat; ic wille mijn kele windewait en es die coninc niet hier bi; ndl. mijn kop er af, er den hals onder verzetten (Ndl. Wdb. V, 1655); je mag me kielhalen; God mag me straffen; mag mie de bok steuten (Molema, 505 b); ik laat me rekken (van hier tot Rome); 'k laat me ophangen (fr. je veux être pendu), me kappen, mijn kop voor mijn voeten, 'k laat me kisten, villen (Brederoo II, 100, 2465: Vildtme, doen ick het weer); 'k wil verzinken, verdonderen, creveeren, crepeeren, barsten, 'k wil verdoemd zijn, 'k wil (eeuwig gloeiende) verdoemd zijn, de duivels mogen mij oppakken, Ons lieve Heer mag mij rollebollen in 'n papieren zak, als 't niet waar is (Waasch Idiot. 823 b); ik mag verdaard zijn; 'k wou dat dit brood in mijn keel bleef steken (hd. dass mir das Brot im Halse stecken bleibe; fr. que ce morceau de pain m'étrangle), 'k wil da'k vergif dronk, een koolken op iets dorren inslikken ('t Daghet XIII, 48), enz. Zie vooral De Cock1, 105 vlgg.; Schrader, 302.

1133. Om de keur niet van de balk willen vallen,

d.w.z. geene voorkeur hebben in eene zaak; het eene al even slecht als het andere vinden. Zie Con. Somme, 156: Ic en viele om die core van den balke niet; Sart. III, 1, 12: Ick viel om die keur van die balk niet, de duplici malo dici solitum, ut non magni referat utrum elegeris; ook bij Coster, 519, vs. 717; Brederoo III, 237, 25; Lichte Wigger, 7 r; J.v. Heemskerk, Arcadia (ed. 1756), bl. 34. De oorspr. bet. moet zijn ‘de beide gevallen staan zoo, dat ik mij niets onaangenaams zou willen getroosten voor een van de beide’; ‘balk’ kan worden opgevat als de op eenigen afstand van elkander liggende balken zonder vloer daarover (zooals in sommige korenschuren), waar men tusschendoor kan vallen. Zie het Ndl. Wdb. II, 956; vgl. Campen, 112: Ick wolde om die coer niet op staen of ick wolde om die coer niet wt mijn mont spyen; Adagia, 41: Ick en viel om den kuer van de trappen niet af; Volkskunde XI, 168; XII, 97: Ik zou voor de keur in de gracht niet vallen; Joos, 115; Waasch Idiot. 833; De Bo, 517: 'k En wil van de trappen niet vallen voor de keuze; fri. ik wol my om 'e kar net hingje litte; Wander IV, 1740: Ich möcht umb die Wahl nit darvor die Stiegen hinunter fallen; Ich will der Wahl wegen nicht vom Balken fallen..

1270. In de kraam liggen (- komen, - zijn),

d.w.z. bevallen zijn; in tweeën gevallen zijn (De Cock2, 179); aan stukken liggen (Winschooten, 145); moeder geworden zijn; zie Teuth.: In crame of kyndelbed liggen, puerperizare, decubare, decumbere; Plantijn: In den craem liggen, estre en gesine, gesir d'enfant, cubare, jacere in puerperio. In de 17de eeuw meermalen in 't kraam liggen of in de kraam vallen (o.a. Huygens, Korenbl. II, 486). Het znw. kraam had vroeger de bet. van zeildoek, daarna die van de door een gordijn of zeil afgeschoten ruimte en wel bepaaldelijk het met gordijnen afgeschoten veldbed of bed, waarop een vrouw haar kroost ter wereld brengt, het kraambed of kinderbed, en deze laatste bet. heeft het nog in de hiergenoemde uitdr. bewaard. Zie Taalk. Bijdr. I, 19-25; Mnl. Wdb. III, 2037-2039; Ndl. Wdb. VIII, 23 en Huydecoper, Proeve I, 362. In Zuid-Nederland: in het kraam komen (De Bo, 567); in 't kraam liggen (zijn), schertsend van iemand die ziek te bed ligt (Antw. Idiot. 706); nd. in den Kram kommen (Eckart, 289); fri. yn 'e kream komme, - wêze; yn twa stikken falle (vgl. 17de eeuw in twee stukken (stikken) raken).

1299. Die een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in,

d.w.z. hij die een ander in het ongeluk wil storten, wordt dikwijls zelf daardoor getroffen; vgl. Rein. II, vs. 5683: Sulc pijnt seer om eens anders scade, ende loont hem selver al mit quade; mlat. effodit foveam vir iniquus et incidit illam of in foveam quam fecit ipse incidit (Werner 25; Journal, 145; Archiv. XIII, 383). Het spreekwoord, dat bij Campen, 96 (hy is in syn selfs cuyle ghevallen, die hy men anderen gegraeven hadde) wordt aangetroffen, is ontleend aan den Bijbel, waar het voorkomt in Spreuk 26, 27; Ps. 57, 7: Sy hebben een net bereydt voor mijne gangen, mijne ziele was nedergebuckt; sy hebben eenen kuyl voor mijn aengesicht gegraven: sy zijnder midden in gevallen; Psalm 7, 16: Hy heeft eenen kuyl gedolven, ende dien uytgegraven, maer hy is gevallen in de groeve [die] hy gemaeckt heeft; zie Zeeman, 337; Villiers, 70. De Romeinen zeiden in laqueos, quos posuere, cadunt (vgl. fr. qui tend un piège s'y prend le premier), terwijl Hesiodus, Werken en Dagen, 265 deze gedachte uitdrukt met de woorden: οι τ αυτω κακα τευχει ανηρ αλλω κακα τευχων; elders παγην ιστας εν παγη λεφθησει. Zie nog Wander II, 153: wer andern eine Grube gräbt, fällt selbst hinein; Mnl. Wdb. III, 2199; Harreb. III, 269; 270; Joos, 135; Van Moerk. 100 en Hooft, Ged. I, 256:

Die d' aerd', tot 's anders val, opwroeten,
Verraeden zelv' hun' eighe voeten.

1440. Uit de lucht vallen,

ook uit de wolken vallen, d.w.z. plotseling en onverwacht te voorschijn komen. Ontleend aan het Latijn de caelo decidere; vgl. Plautus, Pers. 259: Ea (occasio) nunc quasi decidit de caelo; Liv. 22, 29, 3: Se acies repente velut caelo demissa ostendit (Otto, 62). De uitdr. vindt men in de 17de eeuw o.a. bij Winschooten, 167: Dat 'er een uit de lugt (tanquam deus è machinâ) mogt koomen te vallen, die uuw uit de nood hielp; bij Van Effen, Spect. IV, 110: Somtyds koomen ook Goden, Godessen.... wanneer men er 't minst om denkt, als uit de lucht vallen, om de ontknooping te maaken van een stuk; Harreb. I, 201: Hij komt uit de lucht vallen als een aangeschoten gans; B.B. 154; 155: Daar komt ze in eens met zoo'n Franschen lawaaischopper uit de lucht vallen. In Zuid-Nederland beteekent hij komt als uit de lucht gevallen, hij weet van de zaak niets, staat beteuterd te kijken (Schuermans, 353 a; Waasch Idiot. 413 b; Rutten, 246; Antw. Idiot. 770In Taal en Letteren I, bl. 62 wordt gedacht aan het oude volksgeloof, dat iemand door bovennatuurlijke macht ineens op eene ver verwijderde plaats kon worden overgebracht. Anderen denken aan een bom, die onverwacht neervalt; vgl. Ndl. Wdb. III, 324 en Schrader, 363: Er fiel wie eine Bombe ins Haus. Het zou ook van meteoorsteenen gezegd kunnen zijn. Vgl. Chomel II, 1252: Op welks gefluit de Leeuwerik als een steen uit de lucht komt vallen.). Vgl. fr. tomber des nues; hd. aus den Wolken fallen; eng. to drop from the clouds.Vgl. onze uitdr. uit de koets vallen, ontnuchterd worden, o.a. in Camera Obscura, Een oude kennis; Handelsblad, 3 Oct. (avondbl.) 1914, p. 1 k. 6: Voor wie misschien onder een Lelio-indruk waren gekomen, al mee tantaseerend, verdween nu álle illusie. Men viel uit de koets. Bij Harreb. I, 428: Hij valt door de koets (zonder vermelding der beteekenis).

1473. Door de mand vallen (- druipen of zakken),

ook door de ben (o.a. Jord. II, 17), de mat, het net (zie Het Volk, 27 Aug. 1914, p. 6 k. 3) vallen, op zijn plat vallen (Halma, 508)Zie Tijdschrift XXXI, blz. 98 vlgg.. ‘Dit spreek- woord gebruikt men van ymand, die op de beschuldiging eerst iets loochende, maar daar na overtuigt wierd, en dat bekende. Hy valt door de mande, die den bodem inzit, of daar door heen valt, dewyl hem zyn steunzel ontzakt en begeeft. Dit wordt toegepast’ (Tuinman I, 226). Vgl. ook Halma, 127: Door de mand druipen, zijne woorden niet konnen waar maaken; Sewel, 197: Door de mand druipen, to be caught in one's deceit, to make one's self suspect by contradictions. De uitdrukking bewaart eene herinnering aan eene vroegere straf, die door Ter Gouw, de Volksvermaken, 571 aldus wordt beschreven: ‘De veroordeelde werd in een mand boven 't water gehangen, en kreeg eten noch drinken maar alleen een mes bij zich. Pas hing hij er, of alle krengen en welriekende vuiligheden, die de jongens magtig konden worden, vlogen hem om de ooren en vulden zijn mand. Als hij 't niet langer uit kon houden, sneed hij met zijn mes het touw door, en plompte in de gracht, en spartelde naar den kant, maar werd eer 't hem gelukte er uit te komen, vijfentwintigmaal teruggeworpen en weêr ondergeduwd. Eindelijk klonk 't: ‘laat hem nou loopen!’ En de stumpert moest nu een harddraverij houden naar de poort, door de razende menigte gevolgd en met een hagelbui van steenen begroet, totdat hij de poort uit en vrij was, onder voorwaarde, dat hij er nimmer weêr in kwam’Over deze straf zie Rud, Quanter, die Schand- und Ehrenstrafen (Dresden 1901), bl. 114 vlgg. en vooral Verdam in de Handelingen en Mededeelingen van de Maatschappij der Ned. Letterkunde, 1901-1902. Aldaar wordt ook, evenals in Volkskunde VIII, 154, op de hier voorgedragen herkomst onzer uitdrukking gewezen.. Anderen meenen, dat de zegswijze haren oorsprong te danken heeft aan de vroegere gewoonte om een vrijer, dien een meisje niet wilde hebben, een bodemlooze mand te sturen (zie no. 1248Vgl. Nieuwen Jeucht Spieghel, bl. 128: Hoe rijck een Joffrou zy, hoe schoon, hoe groot van Vrinden, //Haer te begheren, derf hy (iemand die te hoog vliegt) sich wel onderwinden: // Dies dickwils oock ghebeurt, dat sulck met groote schandt //Oft een blau Schene loopt, oft vallet door de Mandt.). In de latere middeleeuwen komt de uitdr. in de tegenwoordige bet. voor bij Despars, 4, 377: Vallende allincx zo meer duer die mande ende verkennende daer veel diversche zaken, die men hem te laste leydeMnl. Wdb. IV, 1089.. Zie ook Colijn v. Rijssele, de Spiegel der Minnen, 656: Als verwaende druypende duer de mande (er met schande afkomend); Everaert, 482; Carel v. Mander, 133: Al droper al veil deur de mande, al slaagden velen nietR. Jacobsen, Carel v. Mander, dichter en proza-schrijver (1548 - 1606), Rotterdam, MCMVI.; Poirters, Mask. 224; Boek der Rabauwen, 41; Rab. I, 344: Pantagruel die onlangs alle ouwe kluivers en kootjongens van Wysen verwonnen heeft, zal nu eens tegen den beul te biegt komen en door de mand vallen; Pers, 215 b; 341 b; Spaan, 42; Verm. Avant. I, 99; Idinau, 54:

De sulcke vallen al deur de mande,
Die in hun saken al qualyck uyt-kommen.
Sy blijven in 't vuyle, in schade, of schande.

Sjof. 249; Krat. 199; Dievenp. 53; 122; 158; 164; Nkr. VII, 15 Nov. p. 5; Ndl. Wdb. IX, 184; enz. In den zin van met schande ergens afkomen, niet slagen, mislukken, verkeerd uitkomen, in 't water vallen is zij in Zuid-Nederland en Limburg thans nog bekend; zie De Bo, 668; Schuerm. 362 a; Waasch Idiot. 421; Antw. Idiot. 791; 1887: Deur de mand vallen, mislukken; ook: niet meer weten wat zeggen, niet kunnen antwoorden, zijne woorden niet kunnen waarmaken; Tuerlinckx, bl. 666, die op bl. 204 als synoniemen opgeeft: be ze gat in 't waeter valle, ter deur valle; Rutten, 246 a; Joos, 95; 82; 14: Hij valt er door gelijk door een mande zonder boom: mislukken. Vgl. het 16de-eeuwsche van den planc vallen, voor de verleiding bezwijken (eig. in 't water vallenMnl. Wdb. VI, 414.); mnl. van der kerren vallen, geen voldoend antwoord gevenMnl. Wdb. III, 1209; Ndl. Wdb. VII, 1563, waar een plaats uit later tijd wordt vermeld in den zin van: ‘geen voet bij stuk houden.’; V.d. Water, 79: in de geut valle, in 't water vallen, mislukken; een droevig figuur slaan; Maastricht: door den (as)körref vallen;N. Taalgids XIV, 195. het hd. durchplumpsen, dat ook wijst op in het water vallen; eng. to fall through, mislukken; fr. échouer. Synoniem zijn in den zin van bekennen braken, doorslaan (vgl. Jord. II, 388 en doorslag, zeef) en omslaan (S.S. 72; 74; 75; Köster Henke, 14; 49).

1543. Niet op den mond (of zijn mond(je) gevallen zijn,

d.w.z. zijn woord goed kunnen doen, ook: goed van zich kunnen afbijten, een bekvechter zijnHandelsblad, 19 Oct. 1918, p 5 k. 2 (O): Maar heden is gebleken dat ook de S.D.A.P. nog geroutineerde bekvechters telt.... en dat althans de heer Duys nog de oude is.. Tuinman II, 209: Zy is op haar mond niet gevallen ‘dat zegt men van eene, die wel weet weêrom te spreken, en haar verdediging gereed heeft; Halma, 358: Dat vrouwmensch is op haaren mond niet gevallen, cette femme a la langue bien pendue; Sewel, 496; V. Janus III, 204; Harreb. II, 98; Villiers, 82; Ppl. 111; Schoolm. 247: De schoonmaaksters die trouwens geen van allen op heur mondjen zijn gevallen. In Zuid-Nederland zegt men hiervoor volgens Schuermans, 396 en 734: op zijnen muil, op zijn bakkes (ook Antw. Idiot. 179), op zijn blad (tongAntw. Idiot. 246; Waasch Idiot. 120 b. Vgl. mnl. tongeblat, tong.), op zijne tong niet gevallen zijn (Antw. Idiot. 1251; Claes, 240; Waasch Idiot. 656 a); alsook op zijn smoel niet gevallen zijn (Tuerlinckx, 660) en in Limb. ze is neet op 't muelke gevallen (Jongeneel, 94); bij Poirters, Mask. 134: Een ander vrouwe... toonde dat haren mondt ook in geen maelslot (hangslot) en was gevallen. Volgens Taalgids VIII, 110 wordt nu en dan aan deze zegswijze toegevoegd: en zoo zij er op gevallen is, is ze er niet op blijven liggen, dat tevens de verklaring aangeeft. De Duitschers zeggen: nicht auf den Kopf gefallen sein in den zin van: geen domkop zijn, maar ook er ist nicht auf den Mund, aufs Maul gefallen (Grimm, VI, 1789; 2678; Wander III, 514; Eckart, 284), waarvoor men in het fri. ook zegt: hy is net op 'e mûle fallen, do 't tiid wier om praten to learen. In Drente zegt men in dezen zin: hom is 't spinrag ook nijt veur de bek mossen (Bergsma, 35; vgl. Campen, 126: hem en sal ghien spinnecobbe voer de mont wassenHarreb. II, 97 b.).

1618. Met zijn neus in het vet (of in de boter) vallen,

d.w.z. een (onverwacht) fortuintje krijgen; vooral juist komen als men ergens feest viert of smult; een voordeelig huwelijk sluiten. De uitdr. komt in de 17de eeuw voor bij Brederoo, Klucht v.d. Molenaar, vs. 474: Dat ick so ien reys mocht mit myn neus in 't vet raken; Van Eijk III, 41; Nkr. II, 25 Oct. p. 3: Het feit dat Z.E. Gestrenge door zijn benoeming met zijn neus zelf in de boter is gevallen; Kalv. II, 183: Je valt hier met je neus in de boter; Prikk. II, 11: Jij valt ook niet eventjes met je neus in de boter!; Het Volk, 25 Juni 1914, p. 5 k. 2: Nu, ge kunt denken dat hij (een onderkruiper) onder zooveel georganiseerden met zijn neus in de boter viel (leelijk te pas kwam). Elders leest men met zijn aars in de boter vallen (Harreb. I, 84 b), waarvoor men in Friesland zegt mei 't gat yn 'e bûter (of 'bûterfet) falle, gezegd van een meisje zonder geld, dat een rijk huwelijk doet; in Groningen: mit 't achterste (of mit 't gad) in de botter (of in 't bottervat) vallen (Molema 54 a; Bergsma, 67); op de Veluwe: met 't kond in de botter vallenOnze Volkstaal III, 250.; In Zuid-Nederland met zijn gat in de boter vallen (o.a. Antw. Idiot. 281; Teirl. 201; Tuerlinckx, 94). Bij Schuermans, 808 a: met zijne palms (of zijnen neus) in het vet vallen, ergens te midden van eene kermis of feest aankomen, in welken zin het bij ons ook niet ongewoon is (Dr. Bl. III, 46 en vgl. eng. to come at puddingtime); bl. 408: met den neus in 't vet zitten of liggen, goede dagen hebben; Joos, 84: met zijn duimen in 't vet vallen; Land v. Waas: met zijnen achteruit in de boter vallen of met zijnen bek in 't vet vallen. Syn. in de 17de eeuw met zijn lijf in een vat boter vallen; zie V.d. Venne, 226: Die met sijn Lyf in een vat boter valt, schijnt een geluckigen vet-sack te wesen.

1985. De schellen (of schillen) vallen hem van de oogen.

Deze uitdr. is ontleend aan den Bijbel, en wel aan Hand. IX, 18: ‘Terstont vielen af van sijne oogen gelijck als schellen, ende hy wiert terstont wederom siende’, d.i. hij (Saulus) had een gevoel alsof er een vlies van zijne oogen afviel, wat in werkelijkheid natuurlijk niet kan gebeuren. Met verwaarloozing van de woorden gelijck als gebruikt men bovengenoemde zegswijze in den zin van: de verblinding houdt op: iemand ziet thans duidelijk in, wat hij te voren niet begreep; Zeeman 399. Vandaar ook: iemand de schellen van de oogen (af)lichten, iemand iets doen inzien; zie Interest, 255; Huygens, Hofw. vs. 620 en vgl. Gew. Weeuw. I, 41; Brederoo, I, 105: Nadien my de vliesen van die verwaantheyt zyn afgedaan.... hebbe ick (dan te laat) bevroet, dat ick in myn vernuft met blinde streecken schermutselde; Van Effen, Spect. VI, 199: Iemand de vliezen van de oogen lichten; Vondel II, 569: Gods suy'vre vinger treckt de schubben van uw oogen; Pers, 6 a: Soo dat hier door veeler donckere vliesen van de oogen begosten af te vallen. Zie het Ndl. Wdb. X, 2256; XIV, 374 en Sewel, 33. In 't fri.: de skillen falle him fen 'e eagen; in het Bredaasch: iemand de oogen schellen, d.i. de schellen van de oogen lichten (Hoeufft, 516); Twente: de döppe valt hem van de oagen. Vgl. fr. les écailles lui sont tombées des yeux; hd. es fällt ihm wie Schuppen von den Augen; die Schuppen sind ihm von den Augen gefallen; eng. the scales are fallen from his eyes; fri. de skillen falle him fen de eagenG.S. Overdiep meent, dat de uitdr. overdrachtelijk is ontwikkeld uit: ‘hij wordt van de staar gelicht’ (stelling 24 zijner dissertatie: De Vormen van het Aoristisch Praeteritum in de Mnl. epische poëzie)..

2251. In de termen vallen,

d.w.z. in aanmerking komen, aanleiding geven om. In het ofr. komt terme voor in de bet. assise, audience; mnl. term, de voor de behandeling eener rechtszaak vastgestelde dag of tijd; eng. terms, berechtingstijd: vandaar in termen setten, in beraadslaging brengen, aan de orde stellen. Hieraan herinnert de ndl. zegswijze: er zijn geen termen om iemand te veroordeelen, d.i. geen rechtsgronden; en zoo ook dat valt niet in de termen, d.i. dat valt niet onder het bereik der strafwet, bij uitbreiding: is ergens niet toe te brengen, geeft geen aanleiding om. Zie Mnl. Wdb. VIII, 256.

2287. Hij is van de trappen gevallen.

Deze zegswijze bezigt men van iemand, wiens haar geknipt is (Harrebomée II, 343 a); gewoonlijk wordt er nog aan toegevoegd en heeft zijn haar gebroken, wat haar tevens verklaartEene andere beteekenis heeft van de trappen (van den preekstoel) rollen of vallen, dat dialectisch gebruikt wordt van hen, wier huwelijksgeboden op het bordes van het stadhuis of op den preekstoel worden afgekondigd; zie o.a. Taalgids VII, 206-207; Waasch Idiot. 658 b; Volkskunde XVI, 160. Zie no. 612.; syn. hij heeft van de boter gesnoept. In Zuid-Nederland: Hij heeft van de boter geëten of aan de boter gezeten, van iemand wiens haar tot aan de huid is geknipt (Antw. Idiot. 1907).

2453. Onder de(n) voet raken (of vallen),

d.i. op den grond vallen; bezwijken; ook: ziek worden. Wellicht is deze uitdrukking ontleend aan een gevecht, waarbij degeen, die valt, onder de voeten der paarden en der krijgslieden raakt; vgl. Parth. 6610: Want hi M. van den orse daer neder stac, dat hi onder die voete lach. Zoo ook enen onder voet(e) riden, - steken, - slaen; onder voet(e) vallen, te gronde gaan, te niet gaan; ook ondervallen, onder den voet vallen, bezwijken, onder voet leggen (Mnl. Wdb. V, 310; 442). Zie verder Huydecoper, Proeve II, 214-215, waar verschillende uitdrukkingen uit de 17de eeuw geciteerd worden; Rabelais I, 393: Sy zoopen zich al t' zaamen zoo vol en dol, datse eindelijk onder voeten vielen; I, 245: Ik zou in gevaer zijn van onder voeten te vallen door flauwte; Asselijn, 246: Den eene tijd is hij (een koopman) er hiel boven op, en dan leid hy weer eens hiel onder de voet; Tuinman II, 234: Hy blyft onder de voet, dat is hy kan het niet te boven komen; Halma, 737: In een gevegt worden veele soldaaten aan weerskanten onder de voet geschooten; onder de voet leggen, être par terre; onder de voet stooten, jetter sur le carreau; Sewel, 902: Iemand onder de voet loopen, to run one down; onder de voet gesmeeten, thrown down on the ground; onder de voet stooten (dood steeken), to kill with a sword; iemand onder de voet drinken, to drink one down; Tuerlinckx, 700: onder de voet, in den weg, van zijne plaats; in slechten toestand; De Bo, 1341 b en Antw. Idiot. 1392: onder de voet(en) zijn, ziek zijn; bl. 2138: onder de voet geraken, vervallen (een handelszaak); De Cock1, 16: hij is onder den voet, hij zit slecht in zijn zaken; zijne gezondheid laat te wenschen over; fri. ûnder 'e foetten reitsje, ziek worden.

2513. Van den wal in de sloot (ge)raken (of vallen),

d.w.z. van een slechten toestand in een nog erger vervallen. Vgl. Sart. I, 5, 62: Loopt niet van de wal in de sloot, admonemur ne sic vitium aliquod fugiamus, ut in aliud majus incauti devolvamur; Lichte Wigger, 5 r: Van de wal in de gracht; Van Eijk III, 10: Hy raakt van den wal in de sloot, van de eene zwarigheid in de andere; Harreb. II, 275. De Romeinen zeiden de fumo ad flammam cadereVgl. Interest, 234: Van den rook in 't vier springen. als navolging van het gri. τον καπνον φευγων εις πυρ ενεπεσεν, hetzelfde als van de Scylla in de Charybdis; van den regen in den drop; van den oever in den dijk (Schuerm. 418 a); van 't bad in 't voetwater (Joos, 69; Waasch Idiot. 86 aIn de 16de eeuw: iemand van den bak in 't voetwater leiden (zie Vad. Mus. IV, 308).); van eene scheele op eene blinde vallen (Rutten, 198 bVgl. het fr. changer son cheval borgne pour un aveugle.); van de branding in den maalstroom (Sewel, 472); van de klaveren naar de biezen of naar 't gras (Schuermans, 247 b); van den (schoot)kant in den gracht vallen ('t Daghet XII, 187; Waasch Idiot. 323; 582); vgl. no. 1920.

2528. In het water vallen,

d.w.z. mislukken, vooral van feesten en ondernemingen gezegd. Zie Harrebomée II, 438: Dat valt in het water. Men zegt dit van een' zoo genoemd geestigen zet, die niet opgaat; afrik. die plan het in die water geval; Schuermans, 845 a; Antw. Idiot. 306; 1420 en Joos, 95: van de brug in 't water vallen, mislukken; Land van Aalst: hij is met zijn gat in 't waterken gevallen, hij heeft fiasco gemaakt; in de Neder-Betuwe: in de geut valle (V.d. Water, 79; Onze Volkstaal II, 86); fr. tomber dans l'eau; hd. ins Wasser, in den Brunnen fallen; eng. to fall to the ground; to go to water; fri. yn 't wetter falle.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut