Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vakantie - (vrije tijd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vakantie zn. ‘vrije tijd’
Mnl. vacantie ‘periode zonder rechtszittingen’ in gheen onbehoorlijcken Vacantie [1462; iWNT]; vnnl. de Ferien ende Vacantien ‘de vrije (feest)dagen en schoolvrije perioden’ [1575; iWNT], vacantie ‘periode waarin niet gewerkt wordt’ [1677; iWNT confronteeren].
Ontleend aan middeleeuws Latijn vacantia ‘vrijstelling’ [1457; Fuchs], ook ‘het niet werkzaam zijn’ [1477; Fuchs], gevormd door herinterpretatie als vrouwelijk enkelvoud van Laatlatijn vacantia ‘onbeheerde goederen’, de onzijdige meervoudsvorm van het teg.deelw. vacāns ‘wat vrij is, vrij zijnde’ van vacāre ‘vrij zijn’, zie → vacant.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vakantie [vrije tijd] {vacantie [dag waarop geen rechtspleging geschiedt] 1462} < middeleeuws latijn vacantia [idem], eig. het als enk. opgevat zelfstandig gebruikt o. mv. van vacans (2e nv. vacantis), teg. deelw. van vacare [vrij zijn] (vgl. vacant).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vacantie znw. v. ‘rusttijd’, bij Kiliaen ook ‘feriae solennes’ in aansluiting aan fra. vacance gevormd bij lat. vacāre ‘vrij zijn’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vacantie znw., reeds bij Kil. o.a. ook al = “feriae solennes”. Van fr. vacance(s).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vekantie (zn.) vakantie; Aajdnederlands vacantie <1575> < Latien vacantia.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vakansie s.nw.
Tydperk wanneer iemand met verlof is of wanneer daar nie gewerk hoef te word nie.
Uit Ndl. vakantie (al Mnl.).
Eng. vacation (1386), Fr. vacances.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vakantie ‘vrije tijd’ -> Fries fakânsje ‘vrije tijd’; Duits dialect Vakanze ‘schoolvakantie, vrije tijd’ (uit Nederlands of Frans); Indonesisch pakansi, vakansi ‘vrije tijd’; Boeginees pakânsi ‘vrije tijd’; Makassaars pakânsi ‘vrije tijd’; Menadonees fakangsi ‘vrije tijd’; Papiaments fakansi ‘vrije tijd’; Sranantongo fakansi ‘vrije tijd’; Aucaans fakansi ‘vrije tijd’; Surinaams-Javaans fakansi ‘vrije tijd’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vakantie vrije tijd 1575 [WNT] <ME Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut