Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vak - (begrensd deel; tak van wetenschap; beroep)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vak zn. ‘begrensd deel; tak van wetenschap; beroep’
Mogelijk al onl. *faka ‘vlechtwerk als afdamming in een beek, voor de visvangst’, gelatiniseerd als toponiem Facum (bij Maldegem, Oost-Vlaanderen) [768-814, kopie 941; Gysseling 1960]; mnl. vac ‘ruimtelijk begrensd deel, segment, deel van een muur e.d.’ in So waer een ghemene vac in een dijc te banne ghescouwet worde ‘wanneer een gemeenschappelijk dijkvak bij de schouw zal worden afgekeurd’ [1319; MNW], Den zuytghevel te maken en(de) te vermaetsen, dair 2 vake uytgevallen waren ‘De zuidelijke gevel te repareren en te vermetselen, waar twee stukken uitgevallen waren’ [1343-44; MNW], zy vonden .1. vac afghesleghen ‘ze vonden een afgeslagen stukje (van het hoofd)’ [1351; MNW-P]; vnnl. vacke ook ‘vakje in een meubelstuk’ [1599; Kil.]; nnl. vak overdrachtelijk ook ‘tak van wetenschap e.d., beroep, ambacht’ in in dit vak der Letterkunde [1785; iWNT], om een vak te vervullen, daar ik altijd in gewerkt heb [1808; iWNT], Het was een groot man in zijn vak [1810; iWNT].
Os. fac ‘ruimtelijk begrensd deel, deel van een muur’ (mnd. vak en, o.i.v. de verbogen vormen, vāk); ohd. fah ‘id.’ (nhd. fach); ofri. fek ‘id.’ (nfri. fek); oe. fæc ‘ruimte, afstand; tijdsduur’; nzw. fack ‘deel van kast, beroep’ (ontleend aan nhd. en nnd.); < pgm. *faka-.
Wrsch. ontstaan uit pie. *ph2ǵo-, bij de wortel peh2ǵ- ‘vast maken of worden’, een variant van *peh2ḱ- ‘id.’, waarvoor zie → vangen.
In de continentaal West-Germaanse talen is het woord oorspr. uitsluitend in ruimtelijke, veelal technische betekenissen geattesteerd, bijv. voor de ‘vakken’ van vakwerkhuizen of voor afzonderlijke delen van een dijk. In het Oudengels heeft het woord een algemenere betekenis ‘ruimte, afstand’ en een temporele betekenis ‘tijdsduur, tijdsinterval’. Ook in het continentaal West-Germaans moet deze laatste betekenis bekend geweest zijn, getuige de van pgm. *faka- afgeleide versteende datief *fakan ‘veelvuldig, dikwijls, vaak’, zie → vaak.
In het Nieuwnederlands kreeg het woord de overdrachtelijke betekenissen ‘tak van wetenschap’ en ‘beroep’, mogelijk in navolging van het Hoogduits, waar deze betekenisuitbreiding van de betekenis ‘vakwerk’ via ‘specialisatie, specialisme’ en vandaar ‘tak van wetenschap’ al eerder was opgetreden. In deze betekenissen komt het woord in vele samenstellingen voor, bijv. vaktaal, vakkennis, vakman.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vak* [begrensd deel, beroep] {vac(k), fack [afdeling, vooral van een bouwwerk] 1319; als ‘beroep’ 1808} oudhoogduits fah [muur], oudfries fek, oudengels fæc [afstand, periode, afsluiting]; buiten het germ. de onder vangen vermelde woorden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vak znw. o., mnl. vac o. (2de nv. vākes) ‘stuk, afdeling, dijk, vak’, os. fak o. ‘vak’ (als deel van huis, vgl. ook juk-fak ‘omheining van een juk land’), ohd. fah o. ‘muur’ (nhd. fach), ofri. fek o. ‘vak’ (bouwterm), oe. fœc o. ‘tussenruimte van plaats en tijd’; dus alleen westgerm. — Men moet uitgaan van de omheining of huiswand en dan de nadruk leggen niet op het vlechtwerk, maar op de in de grond geslagen palen om het geraamte te vormen. Uit te gaan van de idg. wt. *pā̆ĝ ‘vastmaken; paal’, vgl. gr. pḗgnumi ‘door inslaan vastmaken’, pēgós ‘vast, stevig’, lat. pangō ‘bevestigen, inslaan’, miers āge (> *pāgi̭o) ‘lid, pijler’ (IEW 787-8). — Zie vaak 2 en voegen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vak znw. o., mnl. vac (gen. vākes; vgl. vaak II en voor de nnl. kk vgl. gemak) (o.?) m. “stuk, afdeeling. dijkvak”. = ohd. fah o. “muur” (nhd. fach), os. fak o. “vak” (als bouwterm en in juk-fak o. “omheining van een “juk” land”, ofri. fek o. “vak” (bouwterm), ags. fæc o. “tusschenruimte, tijdruimte”. Van de idg. basis pā̆ĝ- (ook pē̆ĝ-?) “hechten, voegen”, waarvan ook ier. âil “aangenaam” (*pâĝ-li-), lat. pango “ik maak vast”, pâgus “district, dorp”, com-pâgês “voeg”, gr. pḗgnũmi, dor. pā́gnũmi “ik maak vast”, págē “val, strik”, russ. paz, lit. pożas “voeg”, arm. hoc “compact, opeengedrongen”, (oi. pajrá- “krachtig, dik, glanzend”??). Naast pā̆ĝ- een synoniem pā̆ḱ-: zie voegen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vak. Mnl. vac o.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vak o., Mnl. vac, Os. fak + Ohd. fah (Mhd. vach, Nhd. fach), Ags. fæc, Ofri. fek = ruimte, afsluiting, enz.: van Idg. wrt. pag: z. vangen, voegen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vak s.nw.
1. (gewoonlik in die verkleinw. vakkie) Afdeling, verdeling van 'n horisontale of vertikale ruimte, soos 'n kas, laai, tas, doos, ens. 2. Beroep, ambag. 3. Afdeling van 'n wetenskap.
Uit Ndl. vak (Mnl. vac in bet. 1 en 2, 1808 in bet. 3).
D. Fach (8ste eeu).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vak ‘beroep, schoolvak’ -> Fries fak ‘beroep, schoolvak’; Deens fag ‘beroep’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Indonesisch vak ‘onderwerp van studie; discipline, tak van wetenschap; beroep; beroeps-’; Boeginees ‘schoolvak’; Javaans fak ‘studierichting’; Menadonees vak ‘schoolvak’; Papiaments vak ‘schoolvak’.

vak ‘begrensd deel’ -> Deens fag ‘begrensd deel, dat wat binnen twee dragende elementen zit in een bouwwerk’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Noors fag ‘begrensd deel, begrensd gebied’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds fack ‘begrensd deel’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans † faquin ‘zakkendrager, sjouwer; houten of strooien pop gebruikt bij een steekspel; ploert’; Frans dialect † facque ‘zak’; Tamil dialect vakku ‘begrensd deel, gemaakt van steen of cement’; Papiaments † vak ‘begrensd deel’; Sranantongo faki ‘begrensd deel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vak* begrensd deel 1319 [MNW]

vak* beroep 1808 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut