Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vagebond - (landloper)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vagebond zn. ‘landloper’
Vnnl. eerst als bn. vagebunde ‘zwervende’ [1510; iWNT vagabond], dan het zn. vagabund, vagabond, vagebond ‘landloper’ in Alle Vagabunden, Leechgangers ende andere, geenen dienst noch onderhoudt hebbende [1536; iWNT], vagabonden en andere deugnieten [1539; iWNT], Vagebonden [1588; iWNT].
Ontleend, al dan niet via Frans vagabond (zn.) ‘zwerver’ [1530; Rey], eerder al (bn.) ‘zwervend’ [1382; Rey], aan middeleeuws Latijn vagabundus ‘zwerver’ [789; Niermeyer], het als zn. gebruikt Laatlatijn vagābundus (bn.) ‘rondzwervend’, dat afgeleid is van vagārī ‘zwerven’, zie → vagant.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vagebond [landloper] {vagabunt 1537} < frans vagabond < latijn vagabundus [zwervend] (vgl. vagant).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vagebond znw. m., sedert Kiliaen < fra. vagabond (sedert de 14de eeuw) < lat. vagabundus ‘rondzwervend’.

vagebond [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: niet ‘sedert Kiliaen’, maar ‘reeds 1536’; zie WNT.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vagebond znw., sedert Kil. < fr. vagabond (< lat. vagâbundus).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vagebond m., uit Fr. vagabond, van Lat. vagabundum (-us), afgel. met suffix -bundus van vagari = ronddolen (vagus = dolend: z. vaag 2).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vabond s.nw.
1. Rondloper of iemand wat nie vertrou kan word nie. 2. (skertsend) Ondeunde persoon.
In bet. 1 uit Ndl. vabond (1536). Bet. 2 is mntl. 'n leenbetekenis van Eng. rascal (1610). Eerste optekening in vroeë Afr. op 28 Mei 1774 in die samestelling vagebonde goed 'vabondsgoed' (Scholtz 1972: 174), waarna in Afr. by Mansvelt (1884) in die vorm vaa'bond.
D. Vagabund (17de eeu), Eng. vagabond (1426), Fr. vagabond (16de eeu in die vorm vagabonder).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vabond: – vagebond – , landloper; karnallie (skelnaam); Ndl. (sedert 16e eeu) vagebond/vagabond, via Fr. vagabond uit Ll. vagabundus, “rondloper”, v. vaag.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vagebond, van ’t Fr. vagabond, uit ’t Lat. vagabundus = ronddwalend, van vagus = dolend; zie Vaag.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vagebond ‘landloper’ -> Sranantongo fagabundo ‘landloper’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vagebond landloper 1536 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal