Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vadsig - (dik, slap en traag)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vadsig bn. ‘dik, slap en traag’
Vnnl. vaddigh ‘slap’ [1588; Kil.], vadsigh, vaddigh ‘slap’ [1599; Kil.], de slappe, crancke, vadsighe oft vochte maghe ‘de slappe, zwakke, weke of vochtige maag’ [1618; iWNT], haaren vadzigen boezem ‘haar slappe borst’ [1647; iWNT].
Algemeen wordt aangenomen dat vadsig een intensiverende afleiding is van vaddig ‘slap’, zoals al in mnl. Omdat ons soo grote traecheit ende vaddicheit hout ‘omdat zo'n grote luiheid en traagheid ons in z'n greep heeft’ [1470; MNW vaddicheit]. Mnl. vaddich is afgeleid van vadde, fadde ‘slap’ met toevoeging van het achtervoegsel → -ig om het woord duidelijker te markeren als bijvoeglijk naamwoord. Mnl. vadde, als in Hi ... houd u van herten fadde ‘hij jaagt u schrik aan’ [1300-50; MNW-R], ghi siit Een quaet vadde cokiin ‘je bent een slechte, luie landloper’ [1340-60; MNW-R], fadde in sijn lede ‘slap in zijn ledematen’ [1390-1400; MNW-R]. Mnl. fadde is ontleend (Kiliaan, FEW, Toll., EDale) aan Oudfrans fade ‘slap, week, krachteloos’ [ca. 1170; TLF] (ook ‘flauw, smakeloos’ zoals in het Nieuwfrans). Het Nederlandse woord sluit naadloos aan bij het gebruik van fade in Noord-Franse dialecten (FEW). Het is dan ook overbodig om klankexpressieve herkomst (FvW) of verwantschap met → vod (NEW) te veronderstellen. Overgang van mnl. f- in (v)nnl. v- komt vaker voor bij oude leenwoorden die als inheems worden aangevoeld, bijv.vijg, → vlam.
Frans fade, dat in de andere Romaanse talen niet als erfwoord voorkomt, moet teruggaan op vulgair Latijn *fatidus, dat wrsch. door suffixsubstitutie (de uitgang -idus was veel frequenter) is ontstaan naast klassiek Latijn fatuus ‘smakeloos, onnozel’, mogelijk mede onder volksetymologische invloed van het antoniem sapidus ‘lekker smakend’. Engels fade ‘vervagen, verwelken’ gaat terug op een Oudfranse afleiding fader van fade.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vadsig [traag] {vadsigh 1599, vgl. vadsicheyt 1573} van middelnederlands fadde, vadde [vadsig, lafhartig], vadheid [vadsigheid, luiheid] < oudfrans fade [kleurloos, krachteloos] < latijn fatuus [onnozel, flauw, smakeloos].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vadsig bnw., sedert Kiliaen bekend, een afl. van mnl. vadde, vaddich (dit laatste ook bij Kiliaen en nog in vlaams, brabants en antw.), naast faddel (vgl. faddelheit ‘traagheid, vadsigheid’, vgl. ook zuidnl. vadder ‘luiaard’, maar in het Waas ‘door warm weer half gesmolten’; vgl. nog Kiliaen vadde ‘een soort dunne, slappe koek; zwam op bomen, traag wijf’.

Er is alle aanleiding om van een bet. ‘lap, flard’ uit te gaan en dan is het te verbinden met vod. — Aan herkomst uit fra. fade ‘smakeloos’ is niet te denken, ook al betekent dit woord in het ofra. ‘zwak, kwijnend’ (vgl. ook de Tollenaere, Fryske Studzjes, Feest-b. J. H. Brouwer, i960, 47-52.

vadsig [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: het verdient aanbeveling het znw. vadde ‘flensje’ en derg. te scheiden van het bnw. vadde ‘loom’; zie WNT.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vadsig bnw., sedert Kil. In gelijke bet. mnl. vadde, vaddich (het laatste ook bij Kil. en nog vla. Antw. brab.) en faddel (in faddelheit v. “traagheid, vadsigheid”); vgl. Antw. vads znw. “vadsige persoon”, Waasch vadder “door warm weer half gesmolten”. Wsch. evenals Kil. vadde “een soort dunne, slappe koek”, “zwam op boomen”, “traag wijf, traag, vuil meisje” jong en onomatop. Eventueel kan fr. fade “smakeloos, laf”, ofr. vooral ook “zwak, kwijnend” (< lat. fatuus “dwaas, flauw”? < vapidus “bedorven” [van wijn e.dgl.]?) invloed gehad hebben. Vgl. vod. Dgl. woordfamilies zijn die van flodderen, slodderen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vadsig. Zuidndl. ook znw. vadder ‘luiaard’.
Fr. fade wordt wel uit een gallorom. *fatidus, kruising van lat. fatuus en vapidus afgeleid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vaddig, vadsig bijv., het tweede intensieve afleid. nevens het eerste, Mnl. vadde, oorspr. onbek.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vadsig traag 1599 [Kil.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut