Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vadem - (oude maat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vadem zn. ‘oude maat’
Mnl. vadem, vaem (met d-syncope) ‘lengtemaat’ in Jtem van hondert vademe lynen vij sol ‘evenzo voor een touw van 100 vadem: 7 schelling’ [1286; VMNW], 1 groten reep van 30 vadem ‘een grote hoeveelheid hout van 30 (kubieke) vadem’ [1343-46; MNW], veelal als maat voor waterdiepte, in dat schoor van der Ysselen van een vaem diep offt dieper ‘het oevergebied van de IJssel van minstens een vadem diep’ [1485; MNW], oostelijk ook wel ‘draad’; vnnl. vadem ‘lengtemaat van ca. zes voet’ [1573; Thes.].
Os. fathmos (mv.) (mnd. vadem); ohd. fadum (nhd. Faden ‘draad’); ofri. fethem (nfri. fiem); oe. fæðm (ne. fathom); on. faðmr (nzw. famn); < pgm. *faþma- ‘de zijwaarts gestrekte armen’, met in de afzonderlijke talen diverse afgeleide betekenissen als ‘afstand tussen de uiteinden van de zijwaarts gestrekte armen’, ‘(vaste) lengtemaat’, ‘omvatting, boezem, schoot’ (oe., on.) en ‘draad’ (ohd., mnd., oe.).
Pgm. *faþma- < pie. *potmo- is verwant met Proto-Keltisch *petimā ‘draad, touw’ (Oudwelsh etem ‘lint’, Gaelic aitheamh). Beide zijn afgeleid van de wortel pie. *peth2- ‘(de armen) uitstrekken’ (LIV 478) en zo verwant met: Latijn patēre ‘openstaan, open zijn’ (zie ook → patent 1 ‘octrooi’), pandere ‘uitspreiden, openzetten’ (zie ook → expanderen en → pas 1 ‘stap’); Grieks pitnánai ‘uitbreiden’, petannūnai ‘spreiden, openen, zich verbreiden’; Avestisch pathana ‘breed’; Litouws petỹs ‘schouder, oksel’.
Het woord vadem gaat terug op de spanwijdte van een persoon met zijwaarts gestrekte armen. De precieze lengte van een vadem kon daarom enigszins variëren, net als bij andere oude lengtematen die op lichaamsdelen teruggaan, bijv. voet, el, duim. Vanaf de 17e eeuw werd in de zeevaart vooral de zgn. Engelse vadem van ca. 1,83 meter gebruikt voor het aangeven van waterdiepte. De vadem of vaem werd ook nog lang gebruikt als inhoudsmaat (eigenlijk een kubieke vaam) voor hout. Het woord is nu in onbruik geraakt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vaam* [lengtemaat] {vaem [vadem, draad van een vadem lengte] 1480} samengetrokken uit vadem.

vadem* [een maat] {vadem(e), vadom [de uitgestrekte armen, ook als maat] 1286} oudsaksisch fathmos (mv.), middelnederduits vadem, oudhoogduits fadum, oudengels fæðm, oudnoors faðmr, vgl. gotisch faþa [omheining]; buiten het germ. latijn patēre [openstaan, zich uitstrekken], grieks petannumi [ik spreid open], gaelisch aitheamh [vadem], oudwelsh etem [draad], litouws petys [schouder] → paella.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vadem, vaam znw. m., mnl. vādem m. ‘uitgestrekte armen, ook als maat’, os. fathmos m. mv. ‘uitgestrekte armen’, ofri. feth(e)m m. ‘vadem’, oe. fœðm m. ‘omvattende armen, omarming, bescherming, schoot, el’, on. faðmr m. ‘omarming, vadem’. In het mnl. ook reeds bet. draad’ (eig. ‘van een vadem lengte’), evenals ohd. fadam, fadum. — oiers etem (< *petemā), kymr. edau, edaf ‘draad’, gael. aitheamh ‘vadem’, behoort verder tot lat. pateō ‘openstaan’, gr. petánnumi, pitnēmi, pítnō ‘uitbreiden’, petalós ‘vlak’, av. pathana- ’wijd’, lit. pety͂s, opr. pette ‘schouder’ (IEW 824).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vaam znw. = vadem.

vadem, vaam znw. Mnl. vādem m. = os. fathmos m. mv. “de uitgestrekte armen”, ofri. feth(e)m m. “vadem”, ags. fæðm m. “de omvattende armen, omarming, bescherming, schoot, el” (eng. fathom), on. faðmr m. “omarming, vadem”. Ohd. fadam, fadum (nhd. faden), mnl. vādem m. “draad” is ’t zelfde woord. Voor de bet. “vadem” uit “gestrekte armen” vgl. bij el. Van de idg. basis petâ-, waarvan ook mhd. vade, got. faþa v. “omheining”, okymr. etem “instita”, gael. aitheamh “vadem”, lat. petimen “borst”, pateo “ik sta open”, patulus, gr. pétalos “uitgebreid”, petánnũmi, pítnēmi “ik breid uit”, lit. pãtalas “bed”, (av. paϑana- “wijd, breed”?). Al deze woorden mogen met elkaar gecombineerd worden, als we voor petâ- de bet. “een rekkende en omvattende (arm)beweging maken” aannemen. De bet. “draad” gaat op “het omvademende, omvattende” terug. Zie bij adem.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

adem, asem. Van de dial. vormen aojəm, ôjəm, aom komen die met j niet in Gron. voor: ôjəm verder in N.-Brab. en N.-Limb. (Z.-Limb. ôm: voor de geographie van beide zie Schrijnen Isogl. 57 vlg.).
De vorm asem zal zijn grote verbreiding te danken hebben aan invloed van wasem ( mnl. âdem zowel = ‘adem’ als ‘wasem’), maar het is toch niet geraden met Frings PBB. 55, 312 vlg. daaraan uitsluitend de s toe te schrijven en de overgang -þm- > -sm- geheel te ontkennen. Vgl., behalve mnl. ommevessemen, nog zuidndl. pessem ‘kweek’ naast peem ‘id’ (>*pe-dem: vgl. peen Suppl.)
De combinatie met ier. athach is twijfelachtig; gr. atmós (ā?) is wsch. niet verwant (vgl. v.Wijk Aanv.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vadem m., Mnl. id., Os. meerv. fathmos = de uitgestrekte armen + Ohd. fadam (Mhd. vaden, Nhd. faden = draad), Ags. fæđm (Eng. fathom), On. fađmr (Zw. famn, De. favn): Germ. wrt. feth + Gr. petánnumi = ik spreid uit, Lat. patere = open staan, Gaël. aitheamh = vadem, Lit. pãtalas bed: Idg. wrt. pet.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

vaam (zn.) draadje garen; Vreugmiddelnederlands vaem <1286>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

vaam 1, vajem, veëm, zn.: naaidraad; pekdraad van een vadem lang; draad aan de huls van een peulvrucht. Hetzelfde woord als vadem, en met d-syncope vaam ‘afstand tussen de vingertoppen bij gestrekte armen, span, afstand tussen de toppen van duim en pink’ Mnl. vademe ‘vadem’, Os. faðmos, Oe. fæðm, E. fathom, Mnd. fâdem, Ndd. fâm, D. Faden ‘draad (een vadem lang)’. Germ. *faþma < *faþ, in b.v. Mhd. vade, Got. faþa ‘omheining’. Bij Lat. patêre ‘openstaan’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

vaaim, zn.: lies. Door d-syncope uit vadem (zie vaam).

vaam, vaai(e)m, vuim, zn.: vadem, vaam, afstand tussen de vingertoppen bij gestrekte armen, span, afstand tussen de toppen van duim en pink; (secundair) wagenbint, touw. Door d-syncope < Mnl. vademe ‘vadem’, Os. faðmos, Oe. fæðm, E. fathom, Mnd. fâdem, Ndd. fâm, D. Faden ‘draad (een vadem lang)’. Germ. *faþma < *faþ, in b.v. Mhd. vade, Got. faþa ‘omheining’. Bij Lat. patêre ‘openstaan’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

vaam (W), vuime (ZO), zn. v.: vadem, vaam, afstand tussen de vingertoppen bij gestrekte armen, span, afstand tussen de toppen van duim en pink. Door d-syncope < Mnl. vademe 'vadem', Os. faðmos, Oe. fæðm, E. fathom, Mnd. fâdem, Ndd. fâm, D. Faden 'draad (een vadem lang)'. Germ. *faþma < *faþ, in b.v. Mhd. vade, Got. faþa 'omheining'. Bij Lat. patêre 'openstaan'.

vreeuw (G), zn. m.: span, afstand tussen de toppen van duim en pink. Met wisseling van de bilabialen m/w naast vreeum, met r­-epenthesis uit veeum, een dial. vorm die Schuermans vermeldt voor vaam < vadem, eigenlijk 'de lengte van de uitgespreide armen van vingertoppen tot vingertoppen'. Ww. vreeuwen 'de afstand meten met de span van de hand'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vaam s.nw. (skeepvaart)
Lengtemaat van 1,8 meter, ongeveer die lengte van die uitgestrekte arms.
Uit Ndl. vaam (Mnl. vaem), 'n sametrekking van vadem. Reeds by Van Riebeeck (1651 - 1662) in die vorme vadem, vaâm, vaem (Boshoff - Nienaber 1967: 672).

vadem s.nw.
Vaam.
Uit Ndl. vadem (1567).
D. Faden (8ste eeu), Eng. fathom (1519).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

vaam, vajem, veeëm draad van naaigaren (Limburg). = hgd. faden ‘draad’, nl. vadem ‘bep. lengtemaat’. ~ lat. pateo ‘openstaan’. Betekenisontwikkeling: ‘omspanning met beide armen’ → ‘bep. maat’ → ‘draad van die lengte’ → ‘draad’.
Roukens 189-190, krt. 32.

vajm lies, zoveel als men omvatten kan (Oost-Noord-Brabant). = nl. vadem, oeng. fæđm ‘omarming, schoot’. Van een basis die ook aanwezig is in lat. patēre ‘openstaan’.
WBD 566, De Bont 1960, 683, NEW 766.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

vame (DB, I, M), fame (I), zn. v.: vadem, vaam, afstand tussen de vingertoppen bij gestrekte armen, span, afstand tussen de toppen van duim en pink. Door d-syncope < Mnl. vademe ‘vadem’. Os. faðmos, Oe. fœðm, E. fathom, Mnd. fâdem, Ndd. fâm, D. Faden ‘draad (een vadem lang)’. Germ. *faþma < *faþ, in b.v. Mhd. vade, Got. faþa ‘omheining’. Bij Lat. patêre ‘openstaan’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vaam: – vadem – , lengte- en (veral) dieptemaat; Ndl. vadem/vaam (Mnl. vādem, reeds 15e eeu ook vaam), Hd. faden, Eng. fathom, hou verb. m. Lat. patēre, “oop staan” (wsk. m. uitgespreide arms, dan lengte v. vingerpunt tot vingerpunt ong. dié v. ’n vaam), vgl. vadem/vaam m. bodem/boom; by vRieb vadem/vaâm/vaem.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vadem bet. oorspr.: omspanning (vgl. ’t Got. fatha = omheining), en wel meer in ’t: bijzonder: met de armen; van den Germ. wt. feth, fath = uitspreiden. Een vadem is n.1. de lengte der uitgespreide armen. – Omvademen = omarmen (als maat; niet als omhelzing).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vadem ‘maateenheid’ -> Negerhollands fādem ‘maateenheid’; Papiaments † vaam ‘maateenheid’; Arowaks fadem ‘maateenheid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vaam* lengtemaat 1480 [HWS]

vadem* een maat 1286 [CG I2, 1172]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2454. Op geen voeten en (of) vaâmen,

d.i. in de verste verte niet; in 't geheel niet, op of in geen velden of wegenTuinman I, 363: In wegen en velden is zulk een niet te vinden.; eig. op geen afstand van voeten (een voet = 3 decimeter) en vademen (een vadem = 6 voet). Vgl. Van Effen, Spect. V, 162: Terwyl een ander, die ook ten hoogsten wierd geroemt, nogtans by zyn makker op voeten en vademen niet halen kan; V. Janus II, 32: 't Gaat jou immers op geen voeten of vaamen aan; III, 50: Zoo dat hij er zich op geen voeten of vaamen naa mee conformeeren konde; Harreb. II, 86 b: Dat verscheelt vademen en mijlen of voeten en vademen; De Telegraaf, 17 Nov. 1914 (avondbl.), p. 11 k. 4: Op geen voeten of vademen na klaar komen; fri. it skeelt foetten en fiemen; Molema, 263 a: 't scheelt mielen en voamen; vgl. ook Loquela, 516: buiten vame en voet, buitenmate.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal