Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vaardig - (bedreven; gereed)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vaardig bn. ‘bedreven; gereed’
Mnl. vardich ‘gereed, bereid; snel’ in Dat si tis liues inde wert Was verdech ‘dat ze klaar was voor het einde van het leven’ [1265-70; VMNW], dat niet te vardech mar ghestade har ulieghen si ‘opdat haar vliegen niet te snel zal zijn maar rustig’ [1287; VMNW], ‘behendig, snel, vlug’ Sijn paert was vaerdich ende snel [ca. 1420; MNW]; vnnl. ook veerdich in veerdich ende wel gerust ‘reisvaardig en met goede uitrusting’, veerdich int spreken ‘vlot pratend’, veerdich vander handt ‘handvaardig, handig’ [alle 1573; Thes.].
Afleiding van → vaart in de betekenis ‘snelheid, vlugheid’.
De betekenis ‘gereed om te, bereid tot’ komt alleen nog voor in dialecten en in samenstellingen, bijv.boetvaardig, hulpvaardig ‘bereid tot hulp’, reisvaardig ‘gereed voor de reis’, strijdvaardig ‘bereid tot strijd’. Sommige woorden op -vaardig zijn echter samenstellende afleidingen met vaart ‘manier van doen’, bijv.hovaardig, → rechtvaardig, bereidvaardig, lichtvaardig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vaardig* [bedreven] {ve(e)rdich, va(e)rdich 1265-1270} middelnederduits verdich, oudfries -ferdig, oudhoogduits fertig (hoogduits fertig); afgeleid van vaart1, dus gereed om te varen [gaan, reizen]; de uitdrukking reisvaardig is dus een pleonasme.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

vaardig

De oorspronkelijke betekenis van vaardig, een woord dat afgeleid is van het zelfstandige naamwoord vaart: tocht, gang, snelheid, koers, is: gereed om te gaan, klaar voor de reis, reisvaardig. Bekend is de bijbelse uitdrukking: vaardig worden over in de betekenis: inspireren, bezielen. De geest des Heren werd vaardig over David, leest men in 1 Sam. 16:13. Uit de betekenis gereed volgt die van bereid, in staat tot en zo gaat vaardig betekenen: vlug, bedreven, behendig, bekwaam. Zo spreekt men van vaardig met de pen of met de naald. Groot is het aantal samenstellingen waarvan vaardig het tweede lid vormt in de betekenis: bereid tot. Zo heeft men: bereidvaardig, hulpvaardig, slagvaardig, strijdvaardig en verscheidene andere.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vaardig bnw., mnl. vaerdich, veerdich, verdich, mnd. verdich (> on. ferðugr, of alleen bet. ontlening?), ohd. fartīg, fertīg (nhd. fertig) is een afl. van vaart met de bet. ‘tot gaan gereed’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vaardig bnw., mnl. vaerdich, ve(e)rdich (gh) met ruime bet.-sfeer. = ohd. fartîg, fertîg (nhd. fertig), mnd. verdich (> laat-on. ferðugr). Afl. van vaart met de oorspr. bet. “tot gaan bereid”. Voor de bet. vgl. bereid, gereed.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vaardig bijv., + Hgd. fertig: afleid. van vaart, dus = tot de vaart bereid.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

veerdeg (bn.) klaar; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) vairdig, Vreugmiddelnederlands vardich <1265-1270> < Duits fertich.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vaardig b.nw.
1. Gereed. 2. Handig, bedrewe.
In bet. 1 uit verouderde Ndl. vaardig (Mnl. verdich, veerdich, vardich, vaerdich). In bet. 2 uit Ndl. vaardig (1573). Ndl. vaardig is 'n afleiding met -ig van vaart en beteken oorspr. 'tot die vaart of tog bereid'.
D. fertig (10de eeu).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vaardig, afl. van vaart, vaarde = reis (van varen = gaan), dus: gereed voor de reis zijnde; later bereid, geschikt in meer ruimen zin.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vaardig ‘bedreven; (verouderd) klaar, gereed’ -> Deens færdig ‘klaar’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors ferdig ‘klaar, gereed’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds färdig ‘klaar, gereed’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vaardig* bedreven 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut