Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vaar - (angst)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vaar2* [angst] {vare, vaer 1265-1270} oudsaksisch far(a) [vrees, gevaar], oudhoogduits fara [arglist, het belagen], oudengels fær [vrees, gevaar] (engels fear), oudnoors fár [boosheid, bedrog], gotisch ferja [belager] → gevaar.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vaar 1 v. (vrees), Mnl. vare, Os. fâra + Ohd. fâra (Mhd. váre), Ags. fǽr (Eng. fear), On. fár (Zw. fara, De. fare) = vrees. Go. ferja = belager; Germ. wrt. fer + Gr. peĩra (d.i. perja) = proef, Lat. periculum = proef, gevaar, Oier. erud = vrees: Idg. wrt. per (z. gevaar).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vaar ‘(verouderd) angst, afschuw, gevaar’ -> Deens fare ‘hachelijke toestand’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors fare ‘hachelijke toestand, gevaar’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds fara ‘hachelijke toestand, gevaar’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins vaara ‘hachelijke toestand, gevaar’ ; Ests vaar ‘hachelijke toestand, gevaar’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal