Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vaan - (vlag, banier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vaan zn. ‘vlag, banier’
Mnl. vane ‘krijgsvlag’ [1240; Bern.], ‘herkenningsvlag’ in Selue die coster droech een vaen ‘zelfs de koster droeg een vlag’ [1460-80; MNW-R]; vnnl. vaenken ‘windwijzer’ [1546; iWNT].
Os. fano (mnd. vane); ohd. fano (nhd. Fahne); ofri. fona, fana (nfri. fane); oe. fona (ne. vero. fane); on. fani (nno./nzw. fana); alle ‘vlag, vaan’, os. en ohd. ook ‘lap, doek’; got. fana ‘lap’; < pgm. *fanan- ‘lap, doek’. Oudfrans fanon ‘lap, doek’ [ca. 1170; TLF] is een ontlening aan het Oudnederlands en wijst op onl. *fano. Hetzelfde woord is wrsch. ook terug te vinden in de gelatiniseerde Reichenauer glosse fanonem ‘doek’ [8e eeuw; ONW].
Misschien verwant met: Latijn pannus ‘doek, lap’; Grieks pḗnē ‘weefsel’ (< *pān-); < pie. *ph2n-, *peh2n- (IEW 788).
De oorspr. betekenis is ‘lap, doek’, maar in het Noord- en West-Germaans is het woord al vroeg ‘vlag, vaandel’ gaan betekenen. Een vaan is van oudsher een vlag, veelal driehoekig, die als herkenningsteken werd meegedragen door een groep militairen of een groep andere personen, bijv. in een processie. Bij uitbreiding worden ook andere driehoekige vlaggen of vlaggetjes vaan(tje) genoemd. De windvaan, van oudsher in de vorm van een vlag, kan ook van metaal zijn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vaan* [vlag, banier] {vane, vaen [vaandel, vendel] 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits fano, oudfries fona, oudengels fana [doek, vlag], oudnoors fani, gotisch fana [doek]; buiten het germ. latijn pannus [lap], russisch opona [gordijn].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vaan znw. v., mnl. vāne, vaen m. v. ‘vaandel, banier’, os. fano m. ‘doek’, ohd. fano m. ‘vaan, doek’ (nhd. fahne), ofri. oe. fona m. ‘vaan’, on. fani ‘vaan’, got. fana m. ‘doek’, vooral in samenstelling ohd. gundfano, oe. gūðfana, on. gunnfani ‘krijgsvaan’. Uitgangspunt is de bet. ‘doek, lap’. — lat. pannus ‘doek, lap’, gr. pēnós ‘inslagdraad’, pḗnē ‘weefsel’, osl. o-pona ‘gordijn’, oiers anart ‘linnen’, ētach (< *pantako) ‘kleren’. Het is niet onmogelijk deze woorden hoger op met de groep van spinnen te verbinden (idg. wt. *(s)pen).

Uit het frank. *fano is ontleend ofra. fanon ‘lap, handdoek, vaan’ en uit frank. *gundfano zijn overgenomen ofra. gonfanon (> ital. gonfalone), nfra. gonfalon.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vaan znw., mnl. vāne m.v. = ohd. fano m. “vaan, doek” (nhd. fahne v.), os. fano m. “doek”, ofri. ags. fona m. “vaan” (eng. vane), on. (gunn-)-fani m. “id.”, got. fana m. “doek”. De oorspr. bet. is “stuk goed” en wsch. komt germ. *fanan- met het formeel opvallende lat. pannus “lap” van de basis (s)pen- “vlechten”, waarvan ook lit. pinù, pínti “id.”, obg. pĭną, pęti “spannen, ophangen”, o-pona “gordijn”; ook ier. anart “linnen kleed”? Zie verder spinnen. Gr. pḗnos, pēníon “op de spoel gewonden draad van den inslag” kan verwant zijn, maar ook anders verklaard worden. Uit het Germ. fr. fanon “lap” en gonfalon, it. gonfalone “vaandel” (ohd. gund-fano m. “id.”).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vaan v., Mnl. vane, Os. fano = doek + Ohd. id. (Mhd. vane, Nhd. fahne), Ags. fona (Eng. vane), Ofri. fona, On. fani (Zw. fana, De. fane), Go. fana + Gr. pe͂nos, Lat. pannus = lap, Osl. o-pona = gordijn, Lit. pinti = vlechten: Idg. wrt. pen = spannen, hangen. Uit het Germ. (Ohd.) gundfano (= strijdvaan) komt Fr. gonfanon. Vaan = maat, is eerst de naam van een munt waarop een ruiter met lansvaan, dan van de biermaat waarvan deze munt de prijs was.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vaan: banier, vlag(gie); Ndl. vaan (Mnl. vāne/vaen), Hd. fahne, Eng. fane en vane, ouer bet., soos by Got. fana, “doek”, hou verb. m. Lat. pannus, “doek, lap”, Gr. pênê, “weefdraad; weefsel”; hiervan is vaandel (sedert 16e eeu) eint. ’n dim.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

vaan. De verwensing loop naar de vaantjes! ‘hoepel op’ drukt verontwaardiging uit. In Vlaanderen, Zeeland, Brabant en Limburg komt voor krijg de vliegende vaan! Letterlijk betekent dat ‘krijg reumatiek’. De emotionele betekenis ervan is ‘ik ben woedend en veracht je, hoepel op’. → wensen.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vaan, bet. oorspr. lap, doek; vgl. ’t Ohd. hals-fano = halsdoek. Als krijgsbanier is het een verkorting van het Oudgerm. gunth-fano, waarin gunth = strijd (vgl. Günther = strijder). Men brengt het woord in verband met een Idg. wt. pen = spannen, ophangen; alzoo: het uitgespannene (doek).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vaan, vaantje ‘vlag, banier’ -> Engels † fanikin ‘vlaggetje’; Deens fane ‘vlag, banier’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors fane ‘vlag, banier’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds fan ‘vlag, banier’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans fanon ‘vlag; hangend deel; halskwab, lel’ Frankisch; Frans dialect † vannequin ‘windwijzertje’; Frans gonfanon, gonfalon ‘vaandel, banier’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vaan* vlag, banier 1170 [Rey]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

981. De huik naar den wind hingen,

d.w.z. van partij veranderen naarmate de omstandigheden dit raadzaam schijnen te maken; ook wel het vaantje of de zeilen naar den wind hangen. Onder een huik verstond men een langen mantel zonder mouwen, die zoowel door mannen als vrouwen gedragen werd, tot op de voeten reikte en van voren over het hoofd heen in een langen hoorn uitliep. De eig. bet. is: de huik zoo hangen, omslaan, dat men tegen den wind beschut is; fig. ‘eene zoodanige houding aannemen, dat men altijd gedekt is; met beide partijen op een goeden voet willen blijven’; zie Kiliaen: Huyck of huycksken nae den wind hanghen, servire scenae, servire tempori, versare suam naturam et regere tempus; Plantijn: De huycke na de wint hangen, tourner la cappe au vent, adag. flechir à touts vents; mlat. versa sit adversum tua semper penula ventum. In de middeleeuwen zeide men die hoyke tegen (of na) den wint hangen; zie het Mnl. Wdb. III, 525-527; Stallaert II, 625 en Ons Volksleven V, 182. Hij, die dit deed, werd een wendehoyke genoemd. Thans wordt ook, omdat men de uitdr. niet begrijpt, gezegd: ‘de huig naar den wind hangen’. Zie verder Goedthals, 57: De huycke naer den wint hangen, t hooft inden windt houden, tourner a tout vent; Everaert, 160, vs. 437; Pers, 137 b; Coster, 55, vs. 1344; Bebel, no. 282; Taalgids 4, 255; Woeste, 95: et haüken nam winde draigen; Eckart, 215: dä wêss de Hock no'n Wedder ze hangen; Dirksen I, 37: de wêt de heike na de wind to setten (of na de wind to hangen) en vgl. onze uitdr. zijn rokje omkeeren of omhangen (Sewel en Halma), fr. tourner casaque; het Vlaamsche: het vaan of vaanken naar den wind hangen of zijn molen naar den wind hangen (Schuermans, 770 a); het hekken naar den wind hangen (bl. 182; ook Teirl. II, 25); den staart naar den wind draaien ('t Daghet XI, 80); de leuke naar den wind hangen (De Bo, 627); het Neder-Betuwsche: zooas de wijnd waoit, waoit zijn ja(a)s; Onze Volkstaal II, 114; Breuls, 86; De Cock1, 148; Antw. Idiot. 1476: e zeiltje naar de(n) wind spannen; hd. den Mantel nach dem Winde hängen; man musz den Mantel kehren wie das Wetter geht.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut