Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vaal - (bleek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

vaal bn. ‘bleek’
Mnl. valu ‘bleekgeel, bleekrood’, zelfstandig gebruikt in de toenaam van Johannes de valewe ‘Johan de Vale’ [1227-32; VMNW valuwe], valu roet ‘geelachtig rood’ (gezegd van vossen), valu ende roet ‘geelachtig en rood’ (gezegd van leeuwen) [beide 1287; VMNW], vale, vael ‘bleek’ in Van vastene was si bleec ende vale ‘door het vasten was ze bleek en vaal (geworden)’ [1300-50; MNW-R], Een graeu paerd, ... 1 zwart paerd ..., 1 bay (‘roodbruin’) paerd ..., 1 vael paerd [1343-44; MNW bay]; vnnl. vael ook van zaken in vael kleed (‘verschoten, verbleekt’) [1599; Kil.], met vaalen inkt (‘grijs, grauw’) [ca. 1700; iWNT]; nnl. dat vaal en aaklig licht (‘bleek, mat’) [1833; iWNT].
Os. falu (mnd. vāl); ohd. falo (nhd. fahl ‘vaal, kleurloos’); nfri. feal; oe. fealu (ne. fallow ‘bruinachtig’, fallow deer ‘damhert’); on. fölr (nijsl. fölur, nzw. falna ‘vaal worden’); < pgm. *falwa-. Een onl. vorm *falwa- is ontleend in het Oudfrans als fauve ‘vaalgrijs, vaalrood’ [12e eeuw], met een vroege vulgair-Latijnse attestatie falvus [9e eeuw].
Verwant met: Grieks poliós ‘grijs’; Litouws pal̃vas ‘lichtgeel’; Kerkslavisch plavŭ ‘witachtig’ (Russisch polóvyj ‘lichtgeel, speciaal van paarden’; Servisch/Kroatisch plâv ‘blauw; blond’); < pie. *pol(H)-uo-, afleiding van de wortel *plH-, *polH- (IEW 804). Met andere achtervoegsels en/of ablaut daarnaast verwant met: Latijn pallēre ‘vaal zijn’, pallidus ‘bleek, verkleurd, vaal’; Sanskrit palitá- ‘grijs’; Avestisch pouruša- ‘grijs’; Litouws pálšas ‘lichtgrijs’; Kerkslavisch pelesŭ ‘id.’ (Russisch dial. pelësyj ‘gestippeld’); Middeliers līath ‘grijs’; Armeens ali-kc ‘wit haar’. Verwantschap met Grieks peliós, pelidnós ‘donkerkleurig’ is onzeker.
In het Middelnederlands had het woord meestal betrekking op de kleur van haren, vacht, huid e.d. van dieren en mensen. De precieze kleur varieert en is afhankelijk van de context, zowel in het Middelnederlands als in de andere Germaanse talen. Meestal wordt een onduidelijke, niet uitgesproken heldere tint bedoeld. Bij uitbreiding of overdracht worden ook andere zaken vaal genoemd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vaal* [bleek] {vale, vael, valu [geelachtig, blond, vaalbleek] 1287} oudsaksisch falu, oudhoogduits falo, oudengels fealu (engels fallow), oudnoors fǫlr; buiten het germ. latijn pullus [zwart, donker], pallidus [bleek, matgeel], grieks polios [grijs], litouws palvas [vaal], welsh llwyd [grijs], oudkerkslavisch plavŭ [wit], oudindisch palita- [grijs].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vaal bnw. ‘vaal, bleekgeel’, mnl. vāle, vālu, os. falu, ohd. falo (falawer; nhd. falb, fahl), oe. fealo (ne. fallow), on. fǫlr. — lat. palleo (ll < ln) ‘bleek zijn’, osl. plavū ‘witachtig’, lit. palvas ‘bleekgeel’, alle van de idg. wt. *polu̯os, waarnaast ook *pelu̯os in dial. nl. veël (hagelands), vèèl (antwerps) ; mogelijk ook de naam Veluwe — Zonder u̯-formans vgl. gr. poliós ‘grauw’, peliós ‘donkerkleurig’, oi. palitá- ‘grijs (van ouderdom)’, arm. alikʻ mv. ‘de witte baard’ (van de wt. *peli). Grondwt. is *pel vgl. miers liath ‘grijs’, lit. pelė̃ lett. pele, opr. peles ‘muis’ (IEW 804). — Voor de bet. variatie der kleurnamen zie Persson SVS Uppsala 10, 1912, 32. — Zie: valk.

Specht Idg. Dekl. 117 neemt aan, dat de kleurbepaling *pel een variant zou zijn van *bhel (waarvoor zie: blijken). — Er is misschien eerder aanleiding deze wt. *pel te verbinden met de homonieme wt. *pel ‘vlechten, heining’ (vgl. vouwen), zoals Trier, Lehm 1951, 30 dat aanneemt: de kleurnamen zouden dan zijn uitgegaan van de techniek om de leemwand te beschilderen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vaal bnw., mnl. vāle, vālu. = ohd. falo (falawêr; nhd. falb, fahl), os. falu, ags. fealo (eng. fallow), on. fǫlr “vaal, geelachtig, grijsachtig”, germ. *falwo-. = obg. plavŭ “witachtig”, lit. pal̃vas “bleekgeel”. [De door meerdere parallelen gesteunde combinatie hiermee van lat. palûs “moeras”, oi. palvalá- “id., vijver” en die van gr. pēlós, dor. pālós (*palso-?) “modder, moeras” met lat. pallidus zijn toch hoogst onzeker.] Lat. pallidus “bleek” heeft eer ’t formans -no- of -so- (met -so- of -ḱo- lit. pálszas “gelig, vaal”, ksl. pelesŭ “grijs”) dan -wo-. Met nog andere formantia gr. poliós, lit. pílkas, arm. alevor, oi. palitá- “grijs”, pâṇḍú- “wittig, gelig, bleek”. Met e-vocalisme hagelandsch veël, Antw. vèèl “vaal”, westf. fel “gelig wit”, gr. peliós “blauwzwart, loodkleurig”, lit. pelċ̃ “muis”; met schwundstufe ier. liath, kymr. llwyd (*pleito-) “grijs”. Zie nog valk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vaal. Bij de vormen met e-vocalisme wsch. ook Veluwe: Muller NGN. 8, 124 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

valuw, vaal bijv., Mnl. valu, vale, Os. falu + Ohd. falo (Mhd. val, Nhd. falb en fahl), Ags. fealo (Eng. fallow), On. folr + Skr. palitas, Arm. alikʽ, Gr. poliós = grijs, Lat. pallidus = bleek, Osl. plavŭ = wit, Lit. palvas = vaal. Het heeft dus niets te doen met Lat. flavus, waarover z. blauw; — voor de wisselvormen vaal, valuw, vergel. geel. Uit het Germ. komt Fr. fauve.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vaal b.nw.
1. Askleurig, vuilwit. 2. Gryserig. 3. Bleek. 4. Eentonig en kleurloos.
Uit Ndl. vaal (1546 in bet. 1, 1605 in bet. 2, 1833 in bet. 3, 1836 in bet. 4). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).
D. fahl (9de eeu). Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. in die samestelling vaalblaar (1821).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vaal: askleurig; Ndl. vaal (Mnl. vāle/vālu), Hd. falb/fahl, Eng. fallow, hou verb. m. Lat. palleo, “bleek wees”, vgl. Gr. polios, “grou, grys” en pelios, “donkerkleurig”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vaal (of valuw, als geel en geluw) bet. oorspr. bleek; vgl. ’t Lat. palleo (voor palveo, waarin de p aan onze v beantwoordt) = ik ben bleek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

vaal ‘bleek; (verouderd) rossig’ -> Frans fauve ‘rossig; (rood) wild, roofdier’ Frankisch; Zuid-Afrikaans-Engels vaal ‘bleek, grauw, beige’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vaal* bleek 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut