Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

vaak - (slaap)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

vaak zn. ‘slaap’
Oudnederlands Vak, gebruikt als bijnaam: Simon cognomento Vak (1130–1161). Middelnl. vaek m. ‘slaperigheid, slaap’ (1240), Nnl. vaeck (1540), vaak (1612). Tot ca. 1700 in de Noordnl. literatuur in gebruik voor ‘slaap’, bijv. in de vaak verdrijven, de vaak uit de ogen wrijven. In de standaardtaal nog in de uitdrukking praetjes voor de vaeck (1613, Bredero) ‘praatjes voor de vaak, verhaaltjes om iemand in slaap te krijgen’. Dialectisch vaok, vaak, vèèk(e) ‘slaap’ (Vlaams, Zeeuws, Brabants, Gelders, Overijssels). Verder is het woord bewaard in de naam van Claes-vaeck (1666, Bruno, Mengel-moes), Klaas Vaak (vanaf 1726) ‘het Zandmannetje’.
vaken ww. ‘slapen’
Oudnl. facon ‘slapen’ (901–1000, Wachtendonckse Psalmen), fakinga ‘slaap’ (ibidem), Mnl. vaken ‘slaperig worden, slapen’ (1240), meestal met datief subject: mi vaket ‘ik krijg slaap’, Nnl. vaecen (1528), vaeken, vaken. Ook Mnl. vakeren ‘sluimeren’ (1477, Delftse Bijbel), en daarvan afgeleid Mnl. vakerech (1291–1300), vakerich (1401–1450), Nnl. vaeckerigh (1562) ‘slaperig’.
Verwante vormen: Nieuwnederduitse dial. fakk ‘moe, zwak, flauw’, Mhd. vachen ‘slaperig zijn’, MoE fag bn. ‘wat slap hangt’, fag ww. ‘afmatten; verflauwen, kwijnen’. Zuidnederlandse vag, fagge, fak, vakke ‘vod; vrouw (pejoratief)’ kan daar ook goed bijhoren, omdat woorden voor ‘vod’ en ‘slet’ vaak van ‘slap’ zijn afgeleid.
De Nederlandse woorden gaan terug op een zn. *faka- en een ww. *fakōjan-, waarnaast blijkens het Engels en het Zuidnl. ook een variant met *fag(g)- bestond. Ze wijzen volgens Kroonen (2013: 124–125) op een Germaans ww. *fakk-, *fag- met de betekenis ‘loshalen, loshangen’, van waaruit ‘slap’ en ‘slaperig’ goed verklaard kunnen worden. De wortelvorm *fak- zou dan secundair als aanpassing van *fakk- aan *fag- ontstaan zijn. Uiteindelijk zou het woord teruggaan op de PIE wortel *poḱ-, *peḱ- ‘wol plukken’ (van een schaap), en verwant zijn met Nl. vee en vacht.
[Gepubliceerd op 27-04-2017 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

vaak1* [slaap] {vaec(k), vake 1201-1250} middelnederduits vāk, oudnederlands facon [slaperig zijn], en mogelijk engels to fag [kwijnen]; etymologie onbekend. Het woord wordt nog voornamelijk gebruikt in de naam Klaas Vaak {1678} voor het mannetje dat kinderen zand in de ogen strooit om ze te laten slapen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

praatjes voor de vaak

Dat vaak hetzelfde betekent als slaap, bewijst de naam Klaas Vaak. Praatjes voor de vaak zijn onbeduidende, niets betekenende praatjes, kletspraatjes waaraan men geen waarde moet hechten. Men verklaart de zegswijze als: praatjes, verhaaltjes om de slaap uit de ogen te houden, maar dan zou er moeten staan: praatjes tegen de vaak. Ik houd het woordje ‘voor’ dus voor een tijdsbepaling: eerst komen de praatjes, dan komt de vaak. Hetzelfde vindt men in: hoogmoed komt voor de val. Eerst komt de hoogmoed en daarop volgt de val.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vaak 1 znw. m., mnl. vāke, vaec m. ‘slaperigheid’, mnd. vāk; daar naast vaken ww., mnl. vāken, vaecken (onpers.) ‘slaperig worden’, reeds onfrank. facon ‘dormitare’, en fakinga ‘slaap’, vgl. nog nnd. dial. (mecklenb. pomm.) fakk ‘moe, zwak, flauw’ en verder ne. fag bnw. ‘wat slap hangt’ en ww. ‘verflauwen, kwijnen’. — Verder geen verwanten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vaak I znw., mnl. vāke, vaec m. (â? N.B. achterh. faok naast vaak). = mnd. vāk “slaap, slaperigheid”. Hierbij ’t ww. vaken, mnl. vāken (onpers.) = onfr. facon “dormitare”. Oorsprong onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

vaak 1 m. (slaap), Mnl. vaec, verbaalabstr. van vaken = slapen, Lips.gl. fakon + Ndd. vaken, Mhd. vachen, Ofri. fakon.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

vaak b.nw., s.nw.
Slaperig, of behoefte aan slaap.
As s.nw. uit verouderde Ndl. vaak (Mnl. vaec(k), vake), gewestelik nog bekend in Belgies-Ndl. As b.nw. 'n afleiding van die s.nw. vaak. Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

vaak I: s.nw. en b.nw., “slaperigheid; slaperig; Ndl. vaak (Mnl. vāke/vaec), hou verb. m. Eng. b.nw. fag, “slap”, en ww. in bet. “kwyn, verflou”.

vaak II [+]: (boekw.) dikwels; Ndl. vaak (Mnl. vāke, by Kil vāke/vāken), verboë vorm v. vak, tydsruimtelik toeg. en veral tuis in oostelike en noordoostelike Ndl. taalgebied, v. dVri J NEW.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Vaak (slaap), van ’t Mnl. vaken, Os. fakon = slapen. Vgl. ’t Mnl.: „Het vakede den coninc”. „Des nachts als ie niet en vake.” Vaak (dikwijls), van vake, meerv. van vak; het woord w.d.z.: in vakken, in gedeelten, dus niet in ééns, maar meermalen; vgl. ’t Hgd. einfach, zweifach enz. = eenvoudig, tweevoudig, enz.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

vaak* slaap 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1878. Praatjes (of een praatje) voor den vaak,

d.w.z. onbeteekenende, onbeduidende praatjes, zotteklap; eig. praatjes om den slaap uit de oogen te houden. Eene in de 17de eeuw vrij gewone uitdr. die we o.a. lezen bij Poirters, Mask. 242; Brederoo I, 278, vs. 258; Huygens IV, 42; Rusting, 143; zie verder C. Wildsch. II, 220; Halma, 144; Tuinman I, 194; Harreb. II, 199; Nest. 177; enz. In Het Volk, 5 Febr. 1916, p. 2 k. 4: Hij betoogde dat dominee die school òf niet in haar beginselen kende òf dat hij maar voor de vaak en tegen beter weten in redeneerde. In Zuid-Nederland: klap voor of tegen den vaak, flauwe praat, prietpraat (Schuerm. 769 b; 507 b; Waasch Idiot. 683 a; Tuerlinckx, 310); dat is praat (of klap) tegen den vaak; dat is praat om den vaak in 't land te houden (uit de oogen te houden); Joos, 81; Schuermans, Bijv. 162; Antw. Idiot. 1815; elders: prul voor de vaak (Rutten, 181 b; Tuerlinckx, 513); fri. praetsie om 'e nocht; Afrik. praatjes vir die vaak (varke) verkoop.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut