Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

uniform - (eenvormig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

uniform bn. ‘eenvormig’
Vnnl. uniform (bn.) ‘gelijk’ in de jurisdictien van dijcgrave ende hooge heemraeden, die over geheel Delflandt uniform was [1565; WNT respect], ‘gelijkvormig’ in Uniform, eengestaltig, eengedaantig [1668; WNT]; nnl. uniform ‘gelijkvormig, gelijk’ in tot eene uniforme wijse van denken gebragt [1782; WNT], in dienst ... uniforme kleeding te dragen [1860; WNT], ‘algemeen geldend’ in een uniform tarief [1890; WNT].
Ontleend aan Frans uniforme ‘zonder enige variatie’ [ca. 1375; TLF], zelf een geleerde ontlening aan Latijn ūnifōrmis ‘eenvormig, met één vorm’, een combinatievorm van ūnus ‘een’, zie → een, en fōrma ‘vorm’, zie → vorm.
uniform zn. ‘dienstkleding’. Nnl. uniform ‘eenvormige dienstkleding’ in het uniform van hun regiment [1742; WNT regiment], 's lands uniform [1781; WNT], de uniform van de welpen [1918; WNT welp], in K.L.M. uniform [1951; WNT veld I]. In het Nederlands ontstaan als verkorting van vaste verbindingen als uniforme kledij en/of ontleend aan het Franse zn. uniforme ‘militaire kleding’ [1726; TLF], dat op dezelfde wijze is ontstaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

uniform [eenvormig(e kledij)] {1668 als bn.; als zn. 1745} < frans uniforme [idem] < latijn uniformis [eenvormig], van unus [één] + forma [vorm].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

uniform bnw., znw. o. v. < fra. uniforme < lat. uniformis ‘eenvormig’. Sedert de 17de eeuw werd dit woord, toen de staande legers in gebruik kwamen, toegepast op de gelijke kleding van de soldaten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

uniform znw., nog niet bij Kil. Internationaal woord, op lat. ûniformis “eenvormig” teruggaand.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1uniform b.nw.
Algemeen geldig, eenvormig.
Uit Ndl. uniform (1668).
Ndl. uniform uit Fr. uniforme 'eenvormig'.

2uniform s.nw.
Voorgeskrewe uitrusting vir 'n bepaalde groep mense.
Uit Ndl. uniform (1745), die gesubstantiveerde vorm van die b.nw. uniform (sien 1uniform).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

uniform: b.nw., gelykvormig; s.nw., gelykvormige drag v. bep. groepe mense voorgeskrywe; Ndl. (sedert 17e eeu) uniform uit Fr. uniforme uit Lat. uniformis, “gelykvormig”.

uniform: b.nw., gelykvormig; s.nw., gelykvormige drag v. bep. groepe mense voorgeskrywe; Ndl. (sedert 17e eeu) uniform uit Fr. uniforme uit Lat. uniformis, “gelykvormig”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

uniform ‘eenvormige dienstkledij; eenvormig in verschijning’ -> Indonesisch uniform, uniporem ‘eenvormige dienstkledij; eenvormig in verschijning’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

uniform eenvormige dienstkledij 1745 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut