Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

uniek - (enig in zijn soort)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

uniek bn. ‘enig in zijn soort’
Vnnl. unijck “eenich” [1553; Van den Werve]; nnl. unique, uniek ‘enig in zijn soort’ in unicquen erffgenaem ‘enige erfgenaam’ [1701; Stall.], veele voortreffelyke unique Stukken en Tekeningen [1729; WNT], een handschrift op perkament, een uniek stuk [1825; WNT], dit unieke gebied (de Biesbosch) [1946; WNT vloed], bij overdracht ook ‘uitgelezen, prachtig, subliem’ in hij heeft uniek-prachtige dingen geschreven [1874; WNT].
Ontleend aan Frans unique ‘enig in zijn soort’ [1495; TLF], eerder al ‘enkel, eenvormig’ [ca. 1480; TLF], een geleerde ontlening aan Latijn ūnicus ‘enkel, enkelvoudig, niet vergelijkbaar’, gevormd met het achtervoegsel -icus, zie → -isch, van ūnus ‘een’, zie → een.
Dit is een van de woorden waar de Franse uitgang -ique niet door -isch is vervangen, zie verder → -isch.
unicum zn. ‘iets unieks, zeldzaamheid’. Nnl. unicum ‘iets enigs in zijn soort, slechts éénmaal voorhanden’ [1847; Kramers], kostbare unica's, ja zelfs autographen [1875; WNT], in deze waarneming was ... een unicum gebleven [1895; WNT], een unicum in de vogelwereld, een vleugellooze ral [1935; WNT ral I], Het Nederlandse omroepstelsel ... was een unicum in de wereld [1946; WNT Aanv. omroep]. Ontleend aan Latijn ūnicum ‘het enkelvoudige, niet vergelijkbare ding’, de zelfstandig gebruikte onzijdige vorm van ūnicus ‘enkel, enkelvoudig, niet vergelijkbaar’, zie hierboven. De vorm unica's uit 1875 is een vermenging van het Latijnse meervoud unica en een Nederlands meervoud op 's, zoals ook wel voorkomt bij woorden als museum, atheneum en andere woorden op -um.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

uniek [enig] {1553} < frans unique [idem] < latijn unicus [idem] (vgl. unicum), van unus [één].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

uniek b.nw.
1. Enig, waarvan geen tweede bestaan nie. 2. Buitengewoon, merkwaardig, uitsonderlik.
Uit Ndl. uniek (1553 in bet. 1, 1874 in bet. 2).
Ndl. uniek uit Fr. unique uit Latyn unicus 'enig, buitengewoon', met lg. van unus 'een'.
Eng. unique.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

uniek (Frans unique)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

uniek ‘enig’ -> Indonesisch unik ‘enig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

uniek enig 1553 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut