Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

unie - (bond)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

unie zn. ‘bond’
Vnnl. unie ‘eenheid, verbond’ in unie ende eendrachticheyt te maken mit Brabant, Zeelandt, ende Vrieslant [1524; MNW], ‘provincies, staten enz., die als één optreden’ in voornomde watringhen als tsamen in unie ... wesende ‘genoemde waterschappen als gezamenlijke eenheid optredend’ [1573; WNT Supp. arbiter], die Unie (van Utrecht, tegen Spanje) [1579; WNT], ‘eenheid, verbond’ sijn unie met God [1679; WNT restablisseeren]; nnl. unie ‘eendracht, harmonie’ in om vrede en eendracht en unie ... te stichten [1829; WNT], ‘verbond van samenwerkende instellingen, partijen, staten enz.’ in In bijna alle Staten van de Unie van Noord-Amerika [1908; WNT vacantie], de Chr. Democratische Unie [1948; WNT Supp. archivist], de Ned. Athletiek Unie [1949; WNT Supp. athletiek].
Ontleend aan Frans union ‘band, verbond’ [eind 14e eeuw; TLF], eerder al ‘eenheid (van God in drie personen)’ [ca. 1220; TLF], dat zelf ontleend is aan Laatlatijn unio (genitief unionis) ‘eenheid, het verenigen’, klassiek Latijn ūnio ‘enkel voorwerp’, afleiding van ūnus ‘een’, zie → een.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

unie [vereniging] {1524} < frans union < latijn unionem, 4e nv. van unio [eenheid, vereniging], van unus [één] (vgl. unicum).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

unie znw. v., sedert de 16de eeuw < fra. union of lat. unio.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

unie znw., sedert de 16. eeuw. Internationaal woord, bij ons aan fr. union of lat. ûnio “eenheid, vereeniging” ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

unie s.nw.
Vereniging, verbond.
Uit Ndl. unie (1524).
Ndl. unie uit Fr. union uit Latyn unionem, akkusatief van unio 'eenheid, vereniging', met lg. van unus 'een'.
D. Union, Eng. union.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

unie ‘vereniging’ -> Fries uny ‘vereniging’; Indonesisch uni ‘vereniging’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

unie vereniging 1524 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal