Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

uitschot - (het minder goede, onbruikbare; (verouderd) voor een bepaald doel uitgekozen groep mensen)

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

uitschot: slecht, gemeen volk. Eigenlijk: ‘afval, bocht, hetgeen onbruikbaar en overtollig overblijft (na bewerking)’. Syn.: tuig* van de richel; vee* van Laban.

Omgekeerd – het personeel dat naar Coroni en Nickerie ging, was over ’t algemeen uitschot, althans niet van ’t beste gehalte. (C. van Schaick, De Manja. Familie-tafereel uit het Surinaamsche volksleven, 1866)
‘De schooiers – ’t uitschot…’, raasde Koert. (Herman Heijermans, Vuurvlindertje, 1925)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

uitschot ‘het minder goede, onbruikbare; (verouderd) voor een bepaald doel uitgekozen groep mensen’ -> Schots † outschot ‘(met betrekking tot dierenhuiden) afgekeurd, van inferieure kwaliteit’; Zweeds utskott ‘afgekeurde waar; commissie, werkgroep’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut