Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

uitmergelen - (uitputten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

uitmergelen ww. ‘uitputten’
Mnl. uutmerghelen ‘uitputten’ in dat dese heileghe trudo sijn lede hadde wt ghemerghelt van daghelijker pynen ‘dat deze heilige Trudo zijn lichaam had uitgeput ...’ [ca. 1470; via MNHWS]; vnnl. Wtmerghelen ‘van alle kracht ontdoen’ [1562; Kil. emedullo], Het lant onvruchtbaer maken, wtmerghelen, ende alle sijn vetticheyt ontnemen [1562; Kil. defrugo], wtgemergelde ouderdom ‘ouderdom met gebreken’ [1573; Thes.], Sijn wtgemerghelt lijf met vette mest versaden (overdrachtelijk gezegd van een tuin) [1613; iWNT verstorven].
Wrsch. ontleend aan Hoogduits ausmergeln ‘uitputten, van alle kracht ontdoen’ [eind 15e eeuw; Pfeifer], maar de verdere etymologie is onzeker. In de oudste attestaties heeft het Duitse woord betrekking op personen, vandaar dat men het afleidt van Mark ‘merg; kern, kracht’ < Oudhoogduits marg, zie → merg (o.a. Grimm, FvW, Pfeifer). Mogelijk is het ontstaan als leenvertaling van middeleeuws Latijn emedullare ‘van alle kracht ontdoen’, bij het zn. medulla ‘merg’. Het verband met → mergel ‘zeer vruchtbare grondsoort’ zou volksetymologisch zijn ontstaan. NEW en Kluge redeneren andersom: ausmergeln zou oorspr. ‘landbouwgrond verarmen door een al te langdurige en eenzijdige bemesting met mergel (die behalve kalk geen voedingsstoffen aan de grond toevoegt)’ betekenen en zijn afgeleid van mergeln ‘bemesten met mergel’ bij het zn. Mergel ‘mergel’. Het eerste lid aus- verwijst dan naar het uitgeput raken van de grond.
Een derde mogelijkheid wordt geboden door Van Lessen (1925), die zowel het verband met ‘merg’ als met ‘mergel’ als volksetymologisch beschouwt en uitgaat van het Duitse simplex mergeln in de verouderde betekenis ‘drukken, folteren, kwellen, plagen’. Van dat laatstgenoemde woord geeft zij echter geen overtuigende verdere etymologie.
Lit.: J.H. van Lessen (1925), ‘Over de etymologie van uitmergelen’, in: TNTL 44, 185-191

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

uitmergelen [uitputten] {uutmerghelen ca. 1470} van uit + middelnederlands mergelen [een akker met mergel bemesten, waardoor op den duur een waardedaling optreedt]; vermoedelijk is uitmergelen geassocieerd met merg [de vette substantie die beenderen vult].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

uitmergelen ww., Kiliaen wt-merghelen ‘zwak maken’ < nhd. ausmergeln (J. H. van Lessen Ts 44, 1925, 185-6) afl. van mergeln ‘een akker met mergel mesten’, een procédé, waardoor de akker op de lange duur aan waarde verliest. In de 16de eeuw heeft dit mergeln de bet. ‘zwak maken’ gekregen, waarsch. door invloed van het woord merg, dus ‘het merg er uit halen’. Ten slotte neemt men nog inwerking van lat. marcor ‘slapheid’, marcidus ‘verwelkt’ aan (S. Singer, ZfdWortf. 3, 1902, 223 en A. Götze ibid. 10, 1908, 49).

J. H. van Lessen t.a.p. wil het hd. mergeln ‘kwellen, uitputten’ afl. van ohd. morgen ‘slap’, vgl. lat. murcus ‘verminkt’, oi. marcayati ‘leed doen’ (IEW 737) behorend tot de groep van murw en vat de associatie met merg als secundair op. Dit is minder waarschijnlijk wegens het reeds in de 14de eeuw (Elzas) genoemde mergeln ‘de akker met mergel mesten’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

uitmergelen ww. Kil. wt-merghelen “emedullare, zwak maken” en “den bodem voortdurend exploiteeren zonder veel bemesting”. Een ook hd. ww. (hier sedert ± 1500), wsch. een afl. van merg, maar in de toepassing op den bodem beïnvloed door mergel.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

uitmergelen. Ja. H. van Lessen Tschr. 44, 185 vlg. betoogt dat het ndl. woord ontleend is aan hd. ausmergeln, een samenst. van mergeln ‘kwellen, plagen, uitputten’. Dit laatste kan met ohd. morgen ‘slap’, lat. murcus ‘verminkt,’ arm. morč̣ ‘jong, teer’, oi. marcáyati ‘hij doet leed’ komen van de met idg. q verlengde basis, die bij murw besproken is. Met merg zou het woord dan eerst secundair zijn geassocieerd; rechtstreeks hiervan gevormd, misschien naar het voorbeeld van lat. êmedullâre, is nnl. ontmergen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

uitmergel ww.
1. Grond deur roofbou verarm. 2. Uitput, verswak.
Uit Ndl. uitmergelen (1562 in bet. 1, 1573 in bet. 2), 'n samestelling van uit en mergelen 'grond met 'n tipe bemesting bemes', wat egter met verloop van tyd die grond juis verarm het. In bet. 2 is uitmergelen vermoedelik geassosieer met merg 'murg'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

uitgemergel: uitgeput, vermaer, verswak; eint. verl. dw. v. Ndl. uitmergelen (by Kil wt-merghelen) uit Hd. ausmergeln, “’n stuk ploegland m. ’n mengsel v. vetterige grond en kalk bemes” (as daarmee aangehou word, raak d. grond uitgemergeld, d.w.s. uitgeput), hou verb. m. Ndl. mergel, Eng. marl, uit Ll. margila, dim. v. Lat. marga, vlgs. Wald v. Gall. herk. en geen verb. m. Ndl. merg/murg nie; by vRieb uytgemargelt.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

uitmergelen uitputten 1470 [HWS]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut