Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

uitloper - (verouderd) iemand die weggaat uit een gilde en onwettig handel drijft

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

uit’loper (de, -s), iemand die buiten de echtelijke woning overspel pleegt. Vrede in het huis van de Yusufs? Het was om te lachen. Wie kende Yusuf niet, die onverbeterlijke krent en geboren uitloper! (Vianen 1979a: 36). - Etym.: Veroud. AN u. = o.m. iemand die veel uitgaat, straatloper, boemelaar.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

uitloper ‘(verouderd) iemand die weggaat uit een gilde en onwettig handel drijft’ -> Engels † outloper ‘iemand die weggaat uit een gilde en onwettig handel drijft’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut