Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

uiterwaard - (buitendijks rivierland)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

waard 3 zn. ‘door rivieren ingesloten land’
Onl. wertha ‘door water omgeven stuk land’ in toponiemen: Flasuuereda ‘Vlaswaard (onbekende plaats in Oost-Vlaanderen)’ [821-23, kopie 941; Gysseling 1960], Weretham ‘Werthes (hofstede in Frans-Vlaanderen)’ [944; ONW], Werdam (gelatiniseerd, datief) ‘Weurt (Gelderland)’ [1076-81, kopie 1150-1200]; mnl. werde, wert, waerd(e) in jn den wert tusschen thof ende scoude ‘in de waard tussen de abdijboerderij en de Schoudee’ [1251-75; VMNW], die waerd of sutalf anden hievindyc ‘de waard aan de zuidzijde van de Evendijk’ [1281; VMNW].
Ontwikkeld uit mnl. wert (verbogen vorm werde) met rekking en verandering van de klinker voor r + dentaal als in → haard.
Ohd. warid, werid ‘eiland’ (nhd. Wert); oe. waroþ ‘kust, oever’; < pgm. *wariþa-, *waruþa-. Daarnaast de afleidingen mnd. weder en mhd. werder (nhd. Werder ‘eiland in een rivier; uiterwaard’).
Herkomst onzeker. Gewoonlijk beschouwd als afleiding van een woord voor ‘water’, dat voorkomt als oe. wær ‘zee’ en on. vari ‘vocht, water’. Misschien < pie. *ueh1r- en verwant met Sanskrit vār ‘water’ enz., zie → urine.
uiterwaard zn. ‘land tussen zomerbedding en rivierdijk’. Mnl. uterwaert ‘id.’ in Alle wterwaerden ... dat men die niet weijen, grasen noch hoijen en sal ‘... dat men die niet mag beweiden, begrazen of hooien’ [1483; MNW]. Gevormd uit uiter ‘buiten, meer naar buiten gelegen’, zie → uiterlijk 1, en waard.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

uiterwaard* [buitendijks rivierland] {u(y)terwaert, uterwe(e)rt 1483} waarin het eerste lid is middelnederlands utere [buiten-, buitenste] en het tweede waard3.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

uiterwaard znw. v., mnl. ûterwaert, uyterwaert, -weert, -wert, kan zijn ‘de meer buitenwaarts gelegen waard’ en dan is het 1ste lid het onder uiterlijk genoemde mnl. ûtere; mogelijk is ook een analogische formatie naar samenstellingen met onder-, opper-, over-.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

uiterton, uiterwaard znww., niet bij Kil., ’t 2de al mnl. Het eerste lid is het bnw. mnl. ûtere of deze samenstt. zijn ontstaan naar het model van woorden met onder-, over-, opper-.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

uiterton, uiterwaard v., met een adj. uiter, Mnl. utere = uitwendig; cf. innerlijk.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

uiterwaard* buitendijks rivierland 1483 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut