Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

uitentreuren - (bijwoord van hoedanigheid: tot vervelens toe)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

uitentreuren* [tot vervelens toe] {1900} spellingvariant van 17e-eeuws uit den treuren, met dezelfde betekenis als middelnederlands sonder treuren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

uitentreuren bijw. is ontstaan uit het 17de eeuwse uit den treuren te vergelijken met oud-nnl. sonder treuren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

uitentreuren bijw. Spellingvariant van ’t reeds 17.-eeuwsche uit den treuren; in gelijke bet. oudnnl. sonder treuren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

uitentreuren bijw., voor uit den treuren, d.i. zonder treuren, zonder aarzelen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

uitentreure b.nw.
Herhaaldelik, sonder ophou.
Uit Ndl. uitentreuren (1913, 1900 in die vorm uittentreuren, en al 1649 in die vorm uyt-ten-treuren). Die spelling uitentreuren het ontstaan nadat die oorspr. verbinding uit ten treuren, nog ouer uit den treuren, versteen geraak het en treuren nie meer as ww. opgevat is nie maar as verboë s.nw., soos ook o.a. in ten aanhore en ten aanskoue.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

uitentreure: bw. (boekw. en ged. veroud), sonder ophou, tot vervelens toe; Ndl. uitentreuren (ouer sonder treuren, 17e-eeus uit den treuren – Ndl. treuren (Mnl. troren/truren), Hd. trauern, hou verb. m. Eng. dreary, ander mntl. verw. onseker.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

krieltje [kleine, nieuwe aardappel] (1874). Krieltje was een van de nieuw beschreven woorden in het in 1874 gepubliceerde Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal van J.H. van Dale (1828-1872) – het woordenboek dat later later de Grote Van Dale genoemd zou worden. Het werd na de dood van Van Dale door zijn assistent Jan Manhave voltooid. Het Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal was een bewerking van een ouder woordenboek, uit 1864, van de neven I. M. Calisch en N. S. Calisch, en geldt dan ook tegenwoordig formeel als de tweede druk van Van Dale. In dit woordenboek werden vele Nederlandse woorden voor het eerst lexicografisch beschreven, zelfs heel gewone woorden, zoals krieltje. Andere woorden die in 1872 voor het eerst werden opgenomen, waren: bullen (‘spullen’), dwarsbomen, gegeven (‘grootheid, bekend geval’), kantje (‘haringvaatje’), keihard , moeren (‘kapot maken’), muisjes (‘gesuikerde anijszaadjes’), nippertje, snuiter (‘kwant’) en uitentreuren.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

uitentreuren* bijwoord van hoedanigheid: tot vervelens toe 1872 [GVD]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2308. Uitentreuren,

d.w.z. zonder ophouden, onverpoosd (tot vervelens toe); eig. buiten' zonder treuren (eertijds ook sonder treuren), dat is: vroolijk, waaruit zich de beteekenis opgewekt, flink, onverpoosd geleidelijk heeft ontwikkeld. Vgl. Sartorius III, 3, 21: Ghy singht uyt den treuren, dat hij gelijk stelt aan ‘gij zingt als een lijster’, dus vroolijk, zonder zorgen; De Brune, Bank. I, 67: De quiste-keers leeft uyt den treuren (onbezorgd) en heeft altijd wat goeds gedaan; Alewijn, Beslikte Swaentje, 54: Ik zal dan voortgaan uit den treuren (flink, zonder dralen); Focquenbr. 141: Vrouw Dido dampte zo lang uit den treuren (onverpoosd), totdat haar 't koude zweet uitbrak; Middelb. Avant. 137: De melk-meid zong een deuntje uit den treuren, en liet violen zorgen; Tuinman I, 180; Harreb. III, 68 a; Landl. 167: We liepen uit den treure; Het Volk, 19 Juni 1914, p. 2 k. 3: En in verkiezingsdagen zal dat liedje wel uit ten treuren worden gezongen. Zie verder Noord en Zuid II, 203-214; III, 92-94.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal