Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

uitbundig - (bovenmatig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

uitbundig bn. ‘bovenmatig’
Vnnl. uitbundigh, -bond-, -bind- ‘voortreffelijk, voorbeeldig’ in der Vrouwen Wtbindighe waerdy ‘de voorbeeldige waardigheid der vrouwen’ [1615; iWNT], ‘overvloedig, buitengewoon’ in haar uitbondigh smeeken [ca. 1635; iWNT], 't uitbundigh pynighen [1642; iWNT], werd met uitbundigh bewys van eerbiedenis en liefde bejeeghent [1642; iWNT]; nnl. Een uitbundig handgeklap en gejuich [1857; iWNT].
Ontleend aan Middelnederduits ūtbundich of Vroegnieuwhoogduits außbündig ‘voortreffelijk’, gevormd met ūt resp. aus ‘uit’, zie → uit, bij bund ‘bundel, pak’, een ablautend zn. bij → binden, en zie ook → bundel.
Het Neder- en Hoogduitse bn. is ontstaan als koopmansterm: men nam de mooiste exemplaren van de uit te stallen waar uit het pak, de bundel e.d., en legde deze bovenop. Het bn. is in het Duits verouderd, maar het Hoogduits heeft nog wel de afleiding Ausbund ‘het toonbeeld van zijn soort, het puikje’. De vormen met -bind- en -bond- die in het Vroegnieuwnederlands zijn aangetroffen, zijn volksetymologisch beïnvloed door binden, bond(ig) e.d.
De oorspr. betekenis ‘voortreffelijk’ is in het Nederlands alleen in de 17e eeuw gevonden; de betekenis verschoof al gauw naar ‘bovenmatig, buitengewoon’, sinds de 19e eeuw vooral met betrekking tot het uiten van positieve emoties, zoals in uitbundig applaus, uitbundige vreugde, uitbundig toejuichen, lachen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

uitbundig [buitengewoon] {1615} < hoogduits ausbündig [idem], van Ausbund [toonbeeld, eig.: het naar buiten gebonden eind van een stuk laken om als monster te dienen].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

uitbundig

De omschrijvingen, die men in de woordenboeken vindt: voorbeeldig, uitnemend, voortreffelijk, zijn niet meer in overeenstemming met het tegenwoordige taalgebruik. Wij zeggen: de kinderen hadden uitbundig plezier of: iemand uitbundig prijzen. De definitie der woordenboeken is echter historisch wel te verklaren. Het Duitse zelfstandig naamwoord Ausbund betekent: toonbeeld, model, puikje. Het is namelijk oorspronkelijk: het buiten aan een pak koopwaar gebonden monster waaraan men de kwaliteit van de inhoud kon beoordelen. Natuurlijk gebruikte men daarvoor het allerbeste. Ausbündig betekent daardoor: voortreffelijk, uitstekend, bijzonder en in deze zin werd het woord in het Nederlands overgenomen. Thans gebruikt men het in de zin van: geweldig, tot het overdrevene toe.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

uitbundig bnw., eerst sedert de 19de eeuw < nhd. ausbündig ‘voortreffelijk, buitengewoon’, vgl. ook. mnd. ūtbundich. Afl. van ausbund m. ‘het beste, toonbeeld’, eig. ‘beste deel van een pak waren, dat bovenop gebonden werd’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

uitbundig bnw., nog niet bij Kil. Gevormd naar hd. ausbündig (reeds laat-mhd.; ook al mnd. ût-bundich) “voortreffelijk, buitengewoon”, van ausbund m. “het beste, toonbeeld”, oorspr. “buiten aan een pak gebonden monster van een waar”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

uitbundig bijv., uit Hgd. ausbündig, van ausbund = puik, toonbeeld, eigenlijk het naar buiten gebonden einde van een stuk laken, om als monster te dienen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

uitbundig b.nw.
1. Gekenmerk deur buitensporige betoning van blymoedige gevoelens soos respek of waardering. 2. Opgewonde, luidrugtig.
Uit Ndl. uitbundig (1642 in bet. 1, 1810 in bet. 2).
Ndl. uitbundig is reeds in 1615 aan D. ausbündich 'uitstekend, voorbeeldig' ontleen. Hierdie bet. het in Ndl. spoedig oorgegaan in die 'sfeerverwante' bet. 1 (WNT).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

uitbundig: besonder baie; lawaaierig; oordrewe; Nnl. (19e eeu) uitbundig uit Hd. ausbündig, “voortreflik” (v. ’n pak ware wat gebind is).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

uitbundig (Duits ausbündig)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Uitbundig, van ’t Hgd. ausbündig, van Ausbund: puikje, toonbeeld. Dit Ausbund wil letterlijk zeggen: wat uit den bundel gedaan is, en was oorspr. het uiteinde van een stuk laken, dat niet opgebonden (opgerold) was, maar uitgevouwen lag, om als monster, als „toonbeeld” te dienen; een „Ausbund” moest dus voortreffelijk, puik, bijzonder goed zijn; vandaar: iets uitbundig prijzen = iets als toonbeeld, als voortreffelijk prijzen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

uitbundig bovenmatig 1642 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut