Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

uitbotten - (knoppen schieten, ontspruiten, ontkiemen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bot 3 zn. ‘knop’
Mnl. botte ‘knop van bloemen en vruchten’ [ca. 1350; MNW].
Mnd. butte ‘knop’; vnhd. butze ‘klomp van zacht materiaal; prop, gezwel; knop’ [15e eeuw] (nhd. Butzen ‘klomp’); < pgm. *butta- ‘zwelling (?)’. Hierbij hoort ook het werkwoord ohd. buzzen ‘zwellen’.
Herkomst onzeker. Misschien horend bij een wortel pie. *b(e)u-, *bh(e)u- ‘zwellen, opblazen’ (IEW 100) en dan oorspr. wrsch. een zwelling aanduidend. Het is evenwel niet uitgesloten dat het hetzelfde woord is als → bot 1. De verklaring dat het woord uit het Romaans zou stammen (Frans bouton ‘knop, knoop’ (> ne. button ‘knoop’); Italiaans bottone; Spaans botón), lijkt onwaarschijnlijk. De ontlening is veeleer andersom gegaan, dus het Romaanse woord is afkomstig uit Oudfrankisch *butto- ‘knop’.
Een oorspr. verkleinwoord van dit woord is → bottel. Aan het Nederlands ontleend is misschien Engels bud ‘knop’ (FvWS), maar gezien het substraatkarakter zou het ook een cognaat kunnen zijn. ODEE sluit verwantschap tussen het Engelse en het Nederlandse woord echter uit.
uitbotten ww. ‘knoppen krijgen’. Vnnl. botten ‘id.’ [1555; Luython]. Afleiding van het zn.

EWN: bot 3 zn. 'knop' (ca. 1350)
ANTEDATERING: Dat ic niet dorste ghenaken Der botten 'dat ik niet dichtbij de knoppen (van de roos) durfde te komen' [1290-1310; MNW-R]
EWN: ♦ uitbotten ww. 'knoppen krijgen' (1555)
ANTEDATERING: mnl. Nemmer daer bome en botten 'bomen hebben daar nooit knoppen' [1300-50; MNW-R]
Later: De cnoppe die alder eerst wtbottet 'de knop die het eerst uitkomt' [1552; iWNT]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

uitbotten ww., sedert Kil. Zie bot III.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

uitbot ww.
1. Botsels vertoon, uitloop. 2. (fig.) Ontstaan, ontwikkel.
Uit Ndl. uitbotten (1562 in bet. 1, 1588 in bet. 2), 'n samestelling van uit en botten 'bot, knop'.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

uitbotten ‘knoppen schieten, ontspruiten, ontkiemen’ -> Duits dialect uutbutten, butten ‘knoppen schieten, ontspruiten, ontkiemen’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut