Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

uil - (nachtroofvogel van de orde Strigiformes)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

uil zn. ‘nachtroofvogel van de orde Strigiformes
Onl. ūla ‘uil’ in Ulenbruc ‘onbekende plaats in de omgeving van Brussel’ [1110; Gysseling 1960] (met als tweede lid broek ‘moeras’); mnl. ule ‘uil’ [1240; Bern.]; vnnl. uylen (mv.) [1671; WNT].
Ontstaan als klanknabootsende vorming bij de roep van de uil, net als de hierna genoemde uilnamen, die alle een gemeenschappelijk klankelement /oe/ hebben of oorspronkelijk hadden. Ook de klinker in het Nederlandse woord moet oorspr. als /oe/ hebben geklonken, maar door klankwettige ontwikkelingen veranderde de uitspraak via /uu/ in /ui/.
Mnd. ule; nfri. ûle; oe. ūle (ne. owl); on. ugla (nzw. uggla); < pgm. *uwwalōn. Daarnaast staat pgm. *uwwilōn > *uwilōn, waaruit: os. ūwila; ohd. ūwila (mhd. iuwel, iule, nhd. Eule). Mogelijk met diminutiefachtervoegsel behorend bij pgm. *uwwōn ‘oehoe’, waarbij: os. hūo; ohd. ūwo, hūwo (mhd. hūwe, Zwitsers-Duits Huw). Met vergelijkbare klank daarnaast nhd. Uhu, zie → oehoe, en pgm. *ūf- ‘oehoe’, waarbij: ohd. ūvo (mhd. ūve, ūfe, Beiers en Oostenrijks-Duits Auf); oe. ūf; on. úfr ‘berguil’ (nzw. uv), nfri. katof ‘katuil’.
Niet verwant, maar eveneens gebaseerd op de roep van de uil of oehoe, zijn: Latijn būbo ‘oehoe’, ulula ‘uiltje’; Grieks búās ‘oehoe’; Sanskrit úlūka- ‘uil’; Lets ūpis ‘oehoe’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

uil* [vogel] {ule 1201-1250} oudengels ule, oudhoogduits uwila, oudnoors ugla, klanknabootsende vorming evenals latijn ulula [uil], ululare [gillen, huilen], grieks ololuzein [hard kermen, jubelen], oudindisch ulūka- [uil].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

uil znw. m., mnl. ûle v. m., mnd. ūle, oe. ūle (ne. owl), kan met het oog op os. ohd. ūwila, on. ugla ontstaan zijn uit *ū̆wwalon, dat stellig een klankwoord is. Maar het is ook mogelijk dat mnl. ûle rechtstreeks uit de klank ū gevormd is, zoals ook mnl. ûfe, uuf ‘soort uil’, ohd. ūvo, oe. ūf, on. ūfr ‘nachtuil’, waarmee te vergelijken zijn osl. vypŭ ‘meeuw’, lett. ūpis ‘uil’ (IEW 1103). De laatste verklaring vindt nog steun in lat. ulula, ulucus, oi. úlūka- ‘uil’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

uil znw., mnl. ûle v. m. = ags. ûle v. (eng. owl) “uil”, misschien ook ŷl in ŷl-twist “aucupium” (voor ’t tweede lid zie bij twist). Met het oog op ohd. os. ûwila (nhd. eule), on. ugla v. “uil”, die op oergerm. *uwwaxlôn- wijzen, neemt men voor ndl. uil en ags. ûle gew. een dgl. grondvorm aan. Dit is zeer aannemelijk, maar niet noodig. In ieder geval zijn al deze woorden onomatop. en van den klank ū̆ gevormd. Evenzoo ohd. ûvo, ags. ûf, on. ûfr m. “nachtuil”, mnl. ûfe, uuf “een soort valk”. Vgl. verder vooral lat. ulula, ulucus, oi. úlûka- “uil”, die zich bij een in allerlei taalgroepen voorkomende klanknabootsende basis ul- aansluiten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

uil. De bet. van mnl. uuf (niet ûfe) is wsch. ‘een soort uil’, niet ‘een soort valk’.
Zie voor klanknabootsingen met het element ū̆l- nog bij wielewaal Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

uil m., Mnl. ule, Os. ûwila + Ohd. id. (Mhd. iuwel, Nhd. eule), Ags. úle (Eng. owl), On. úgla (Zw. id., De. ugle) + Skr. ulukas, Lat. ulula: onomat. — In een uiltje vangen = een middagdutje doen, is uiltje de naam van een nachtvlinder.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Oele Schrijfwijze voor Uil in diverse dialecten. Fries Ule; ûle bij kleine beginletter, o.a. in de betekenis ‘dom persoon’.

Oeloe “Visuil (Smilonyx ceylonensis) in Indië en Z.-Azië, leeft van vissen” [vD 1961/1970]. Bedoeld is hier de Bruine Visuil Ketupa zeylonensis (Gmelin: Strix) 1788.
Een indisch woord voor ‘Uil’ is Ullu [Weinstein 1985 p.114]; gezien de onomatopoëtische aard van veel namen voor Uilen, hoeft het niet te verbazen dat ‘indisch’ Ullu op oudernieuwN *Oele lijkt. Vgl. ook Lat Ulula (ululare ‘huilen’), sub Sperweruil.

Tengmalms Uil ZuidN naam voor de Ruigpootuil ↑ [Kist 1962], eerder als Tengmalmsuil ook bij Buekers 1902. Naar de zweedse medicus Pehr Gustaf Tengmalm (1754-1803). Diens naam komt ook voor in E Tengmalm’s Owl, deens Tengmalm’s Ugle [bij Kjaerbølling 1856; Perleugle bij Schiøler 1925], F Chouette de Tengmalm, Sp Lechuza de Tengmalm, portugees Mocho de Tengmalm, baskisch Tengmalmontza en de oude wetenschappelijke naam Strix Tengmalmi Gmelin 1788 [Wilms 970404,5; M&M 1988]. Houttuyn 1762 noemt Linnaeus’ 7e Uil, Strix Funerea, “Steen-Uil”; het is duidelijk, wat hier aan de hand is: de summiere omschrijving door Linnaeus liet Houttuyn toe de hem wél bekende Steenuil hier ‘in te vullen’.

Uil Algemene N benaming voor de diverse ‘nacht-Roofvogels’, die de wereld rijk is. In N broeden vijf soorten min of meer regelmatig en twee soorten zelden. Daarnaast nog drie soorten als incidentele gast. De Oehoe is de enige die niet de achternaam -uil draagt. Uiltje is hier en daar een volksnaam voor de Steenuil, maar het is de officiële naam voor sommige Nachtvlinders, de familie der Noctuidae, omdat de meeste hiervan, net als de meeste Uilen, ’s nachts actief zijn. Zie ook Schuifuil, Schuifuit.
ETYMOLOGIE N Uil ule [Bern. c.1240; JvM c.1266 vs.607 Leidsch Handschrift; hule A/H]; fries ûle (in De Vries 1911/1928 ook ûl) <uwle (1614), ouwl, ouwlle (1640) <oule (1543); achterhoeks Oele, liemers Oel [kaartje in Schaars 1989 p.366]; gronings Oel; drents Oele; nederduits Uul [Hutterer 1999 p.296]; E Owl
oule ule, hule; D Eule iule, iuwel ūwila; zweeds Uggla, noors/deens Ugle, ijsl/faerøers Ugla ugla; germ *uwwilon, *uwwalon, verkleiningsvorm uit *uwwon [Wahrig 1992]. Het germ oerwoord is mogelijk een klanknabootsing van de roep van de meeste Uilen; het bevat de [oe]-klank. In het N ontwikkelde deze klank zich echter via [uu] naar [ui] en hierdoor is het onomatopoëtisch karakter van de naam voor de vogel verloren gegaan. De klanken in het ww. huilen, oorspronkelijk ook klanknabootsend, volgden dezelfde ontwikkeling.
Naast de bovengenoemde woorden voor ‘Uil’ vermeldt NEW 1992 nog de volgende: “mnl ûfe, uuf ↑ ‘soort Uil’; ohd uvo; oudengels uf; oudnoords úfr ‘nachtuil’”. Hiervan vinden we in moderne talen nog terug: fries Katof ↑; zweeds -uv in Berguv ‘Oehoe’ en Dvärguv ‘Dwergooruil); ijslands Ufur ‘Oehoe’; lets Upis ‘Oehoe’ (waarin een p die mogelijk door Germaanse Klankverschuiving in de germaanse woorden tot f geworden is). Hierbij behoort ook Lat Bubo = ‘nachtuil’, de wetenschappelijke naam voor de Oehoe ↑. Indien wij zouden uitgaan van idg *(bh/k)ubhu, een nabootsing van de roep van de meeste grote europese Uilensoorten, kunnen we bijna alle bovengenoemde namen onder één noemer brengen. De ontwikkeling zou dan als volgt gedacht kunnen worden: idg *(bh/k)ubhu > germ *(b/h)uvu. [buiten het germ bijv. >Lat bubo] Uit het oergermaanse woord kunnen dan zowel ohd uvo (*huvo) als ohd *(h)uwwon ontstaan gedacht worden. De l doet dan zijn intrede als onderdeel van een verkleiningssuffix in de namen voor de kleinere Uilensoorten. In de naam voor de grootste onder de Uilen, de Oehoe, blijft de l achterwege! [Een uitzondering is dan weliswaar het gebruik van de naam uv in zweeds Dvärguv; fries Katof is een halve uitzondering: de Velduil is een middelgrote soort.]
Mogelijk is de overgang van de [oe]-klank naar de [o]-klank (in kat-uf [spreek uit: kat-oef] >katof) een assimilatieverschijnsel onder invloed van de voorafgaande a. De -f (uit -v) is mogelijk het gevolg van verscherping aan het eind van het woord (vgl. halve en half); ontstaan uit een vóór-germaanse p is misschien ook een mogelijkheid (vgl. hierboven bij lets Upis).
TOPONIEMEN Oeffelt (NB) *(h)ûf ‘uil’ en -lo ‘bos’. Bij de water- naam Ule-sprong bij Dunegea (= Doniawerstal, Fr) wyll-spring ‘wel, bron’, waarbij het eerste en het tweede element dan hetzelfde betekenen.

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

UILENTytonidae en Strigidae
Betekenis Tytonidae (Kerkuilen): een geluidsnabootsing. Betekenis Strigidae: bloeddorstige nachtvogels. Uil is klanknabootsend gevormd en verwant aan huilen, schreeuwen. Uilen zijn roofvogels, die in het verleden wegens hun gekrijs in de nacht als onheilbrengers werden beschouwd. In andere situaties maakten ze een domme indruk, getuige onze uitroepen ‘Uil!’ en ‘Uilskuiken!’. Maar meestal worden ze als symbool van wijsheid aangemerkt. Zo is er de uitdrukking ‘Uilen naar Athene zenden’, daterend uit de Griekse oudheid. In wezen gaat het om het overbodige van de handeling: destijds huisden al heel veel uilen in de rotsspleten van de Acropolis te Athene. En later waren er op zeker moment al zoveel uilen, d.w.z. wijsgeren naar Athene gekomen dat het geen zin meer had dat er nog meer naar toe kwamen. Dit zou ‘water naar de zee dragen’ zijn. In de namen van uilen wordt vaak onderscheid gemaakt tussen ooruilen en gladkopuilen, d.w.z. uilen met opstaande kopveertjes – die op oorpluimpjes of horentjes lijken – en uilen die deze niet hebben.

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

uil: dom mens. De volksmond zegt zo dom als een uil. Bekend is ook de uitdrukking uilen broeden uilen: ‘domme ouders hebben domme kinderen’. Kijk ook onder kerkuil*.

Je hebt die broek verknipt, ellendige uil! (Johannes Kneppelhout, Studenten-typen, 1839-1841)
Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

uil (zn.) uil; Vreugmiddelnederlands ula <1110>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

uil s.nw.
1. Tipe nagroofvoël. 2. Domkop. 3. Kamerpot.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. uil (al Mnl. in bet. 1, 1541 in bet. 2). Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel deurdat die kamerpot, soos die uil wat 'n nagvoël is, ook snags te voorskyn kom. In Ndl. is 'n sekere tipe slaapmus as uil (1776) bekend (WNT).
D. Eule, Eng. owl.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. uil: gevlekte zwarte uil, (de, -en), door Vermeulen (158) gebruikte naam voor een niet nader aangeduide soort uil.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

uil: bep. nagroofvoël (spp. Strix, fam. Strigidae); Ndl. uil (Mnl. ūle, naas uuf, “bep. soort uil”), Hd. eule, Eng. owl, hou verb. m. Lat. ulula en ulucus, almal kn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

uil ‘uilachtige; domoor’ -> Deens ugle, in de uitdrukking: at fange en ugle ‘door slechte windrichting of stuurmanskunst vaart verliezen met een schip; controle over een roeiboot verliezen; op de roeibank vallen’; Sarnami ullu ‘vogel; domkop, sufferd, halve zool’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

uil* uilachtige 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2304. Elk meent zijn uil een valk te zijn,

d.w.z. ieder houdt het zijne (zijne kinderen, zijn werk, zijn liefje) voor uitnemend; lat. quisquis amat ranam, ranam putat esse Dianam; fri. elts mient dat syn ûle in falk is, waarvoor ook gezegd wordt elts hâldt syn eigen protter (spreeuw) for in lyster. Ook een uil wordt, evenals de valk, gebruikt voor de vogelvangstZie Chomel II, 1262-1263.; vandaar dit spreekwoord, dat wordt aangetroffen bij Spieghel, 285; Cats I, 417:

 Siet! 's vrijers gunstigh oogh dat kan de schoonheyt maken;
 Elck acht sijn uyl een valck, en boven eygen mal,
 Soo wil men dat het volck het soo geloven sal.

Zie ook Smetius, 189: Eenen jeghelicken dunckt sijn uyltjen, een guyltjen; bl. 265: Elck een dunckt sijn uyltje een duyfjen te zijn; De Brune, 43; 462; Bank. I. 282; Pasquilmaecker, 28: Ider meent toch syn Uyl een Valck te sijn, en heeft sijn liefje lief, schoon wasse besnot; Paffenrode 76; Rotgans, Boerekermis (anno 1790), bl. 33: Elk noemt zijn Uil een Valk, zijn koekoek Nachtegaal; Tuinman I, 83; Sewel, 807: Elk meent dat zyn uil een valk is, every one thinks his own geese swans (ook every mother thinks her sprats are herrings); Harreb. II, 350; Antw. Idiot. 1279: iederen uil meent dat zijn jongen valken zijn; Joos, 176: ieder uil meent zijn jong een valk te zijn; en vgl. het hd. jeder hält seine Eule für einen Falken oder jeder sieht seine Eule für eine Nachtigall an, dat herinnert aan De Brune, Bank. I, 379: Elck meent, dat zijn koeckoeck fraeyer zinght, als een anders nachtegael.

2305. Uil of (Uils)kuiken,

l. zoo dom, lomp.

stommeling, dom individu; Kil. Wl, homo stolidus et improbus; Winschooten, 333: Het is een uil van een vent, een lomp: jouw uilskuiken! Coster, 226, 12. Hartelijcke bedanckende dese ghestoorde Uylskuykens, datse alle de wereldt met haar roepen en krijten ... in dese benauden tydt soo gaende ghemaect hebben, dat de speelplaets (schouwburg) te enghe was om de aenschouwers te vatten; Halma, 713: Uil, uilskop, uilskuiken, halve gek; Sewel, 807: Hy is een rechte uil, he is a silly fellow: 't Is een uilskop, he is a blockhead; uilskuiken, zotskap, a coxcomb; Tuinman I, 205: 't Is een uil, dit is een smaadnaam, dien men aan een weetniet geeft; 218: 't Is een malloot, een slechthoofd, een schaapshoofd, een kiekenshoofd; E. Wolff-Bekker, Brieven, bl. 29: Wat praat gij toch van lompe boeren verguld uilskuiken, dat niets weet; Draaijer, 22: Küken, lomperd, ezel, dwaas. Voor Zuidndl. vgl. Antw. Idiot. 1279: uil, uilekop, dommerik, domoor; 2099: zoo som, lomp, stom als een uil; 647: E kieken zonder kop, een onbezonnen mensch.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut