Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

twist - (ruzie; garen; een dans; twijgen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

twist zn. ‘ruzie’
Mnl. twist ‘onenigheid, geschil, ruzie’ in ombe tuist te beuelne ‘om recht te spreken over een geschil’ [1237; VMNW], die tuist hadde gemaect ‘die ruzie hadden gemaakt’ [1253; VMNW].
Oude afleiding van Proto-Germaans *twi- ‘twee’, zie → twee. Het woord betekent dus in het bijzonder ‘tweestrijd’. Een andere betekenis van mnl. twist is ‘gedubbelde (d.w.z. uit een aantal vezels gesponnen) draad, tweevoudige draad’ [1380; MNW] < pgm. *dui-st-a ‘twee-stand’.
Mnd. twist ‘twist’; vanuit het Nederlands en Nederduitse taalgebied overgenomen als mhd. zwist (nhd. Zwist), met aanpassing van de anlaut. Hiervan afgeleid: mnl. twisten ‘vechten, ruzie maken’ (zie onder); mnd. twisten ‘id.’, en door ontlening nzw. tvista en nde. tviste ‘id.’.
Met andere betekenissen, die eveneens van ‘twee’ zijn afgeleid: me. twist ‘twijg; vorkvormig voorwerp; gedubbelde draad’, twisten ‘in tweeën delen; (draden) samenstrengelen, vlechten’ (ne. twist ‘(ver)draaien, kronkelen’); nijsl. tvistra ‘uiteendrijven’, nde. tvist ‘twijg’. Mogelijk is Skand. kvist ‘twijg, tak’ hetzelfde woord (met een overgang van *tw- naar kw-). Zie ook → twijg.
twisten ww. ‘strijden, ruzie maken’. Mnl. twisten ‘id.’ in doe Tuisten sinen knapen jeghen des heren knapen ‘toen streden zijn schildknapen tegen de schildknapen van de heer’ [1271-72; VMNW]. Afleiding van twist.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

twist1* [ruzie] {twist(e), twest(e) [ruzie, twijfel, gedubbelde draad] 1254} middelnederduits twist, middelhoogduits zwist; afgeleid van tweetwijfel.

twist2* [garen] {1820} dezelfde herkomst als twist1 [ruzie].

twist3 [dans] {na 1950} < engels twist [idem, lett.: draaiing] zo genoemd naar het zwenken van de lichamen (vgl. twist1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

twist znw. m., mnl. twist, twest m., mnd. twist, mhd. zwist (sedert de 14de eeuw van Keulen uit), ofri. twist m. te vergelijken met mnl. twist ‘tweern’ en Kiliaen twist ‘afgesneden takken’ (nog zuidnl. dial. ‘dunne takken van een gevelde boom’), oe. twist- ‘gevorkte tak’, vgl. nog on. tvistra ‘scheiden’, nnoorw. tvist ‘fout in weefsel’ en germ. lat. Tuisto ‘naam van een god’. — oi. dvisṭḥa- ‘dubbelzinnig’, gr. distazō ‘twijfelen’. — Zie verder: twee. — ne. twist ‘koord uit twee of meer draden gewonden’ (eerst sedert 1555) zal als term der Vlaamse wevers naar Engeland gekomen zijn en daarvan afgeleid het ww. twist ‘draaien, vlechten’ (vgl. Bense 516).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

twist znw., mnl. twist (twest) m. = mhd. (nhd.) zwist (’t vroegst uit Keulen bekend), mnd. ofri. twist m. “twist”. Evenals eng. twist “streng, koord”, to twist “draaien, vlechten”, ags. twist (in samenst.) “gevorkte tak” (zie bij uil), Kil. twist “rami abscissi, ramalia”, nog Waasch Kemp. = “dunne takken van een gevelden of te vellen boom”, Kil. twist “tweern” (al mnl.; in dgl. bet. nog dial.), twisten “twijnen”, on. tvistra “scheiden” bij twee. Vgl. vooral gr. *distos, waarvan distázō “ik twijfel”, oi. dviṣṭha- “dubbelzinnig”. Wij kunnen van idg. *dwi-st(h)o- uitgaan (het tweede lid bij staan; vgl. gr. dikho-stasía “oneenigheid, twijfel”), maar ook afleiding van idg. *dwis (vgl. twee en tussen) aannemen. Ook oi. dvéṣṭi “hij haat” kan daarvan komen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

twist 2 o. (garen), + Ags. twist (Eng. id.), De. tvist: hetz. w. als twist 1.

twist 3 m. (drank), uit Eng. id., hetz. w. als twist 2, omdat de drank uit twee bestanddeelen gemaakt wordt.

twist 1 m. (geschil), Mnl. id. + Mhd. zwist (Nhd. id.), On. tvistr (Zw. en De. tvist): een afleid. van twee, en wel hetz. w. als twist 2. + Skr. wrt. dviṣ = haten, Lat. bellum (d.i. *dṷeslom).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

twis s.nw.
Onenigheid, rusie.
Uit Ndl. twist (al Mnl.). Ndl. twist hou oorspr. met die telw. twee verband, en moet soos tweedrag opgevat word.
Vgl. twist.

twist s.nw., ww.
1. Dans gekenmerk deur die draaiende beweging van die heupe en skouers van die dansmaats, of sodanige dans dans. 2. Musiek vir die twist (twist 1) of waarop getwist word.
Uit Amer.Eng. twist (1961 in bet. 1 as s.nw. en ww.). Die dans het in die vroeë sestigerjare van die vorige eeu in Amer. ontstaan. T.o.v. ritme en styl toon dit enigsins 'n ooreenkoms met ruk-en-rol.
Soos Ndl. twist 'rusie' (sien twis) hou Amer.Eng. twist oorspr. verband met twee en two, onderskeidelik. Eng. twist dui oorspr. 'n tou aan wat bestaan uit twee of meer ineengedraaide gare, oordragtelik gebruik vir die draaibewegings wat die dansers met die liggaam uitvoer.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

twis: onenigheid, rusie, tweedrag; Ndl. twist (Mnl. twist/twest), Hd. zwist, Eng. twist, “koord m. twee of meer drade” en ww. “draai” wsk. uit SNdl. met Vl. wewers – twis hou, soos tussen en tweeling, verb. m. twee.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

twist ‘dans’ (Engels twist)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Twist, geschil, een afleiding van twee (evenals tusschen uit twisschen), en dus hetzelfde als tweespalt (van spalten, verwant aan splijten en spouwen); evenzoo in het lat. bellum (oorlog) uit duellum (van duo). Waarschijnlijk hebben wij te doen met hetzelfde woord bij twist als naam van zeker soort garen (dus = tweedraadsch), en van zekeren drank (uit het eng., = die uit twee bestanddeelen bestaat; vgl. punch, uit scrt. panca = vijf).

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Twist, afl. van twee: twee meeningen toegedaan zijn, niet ééns zijn. – Twist is ook een garensoort, uit twee gewonden draden bestaande. Zie Tweern.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

twist ‘ruzie’ -> Fries twist ‘ruzie’; Duits Zwist ‘ruzie’ ; Deens tvist ‘ruzie’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors tvist ‘ruzie’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds tvist ‘ruzie, onenigheid’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

twist* ruzie 1237 [VMNW]

twist* katoengaren 1820 [WNT]

twist dans 1961 [WP jaarboek 1962] <Engels

Winkler Prins Boek van het jaar (1958-1980), Amsterdam / Brussel (lemma ‘Nieuwe woorden in onze taal’)

twistdans (1961) Twist (1962) ragedans, in 1961 uit de Verenigde Staten overgewaaid en qua ritme en stijl verwant met rock and roll. De partners dansen voornamelijk los van elkaar, de nadruk ligt op snelle, ongenuanceerde bewegingen van de romp.
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut