Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

twijg - (dunne tak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

twijg zn. ‘dunne tak’
Mnl. twijch ‘tak’ in Welc was die vrogt die op desen twige wijs? ‘welke vrucht groeide er aan deze tak?’ [1290-1310; MNW-R], twijch ‘tak, dunne tak, loot’ [1477; Teuth.].
Oude afleiding van een variant van de Indo-Europese wortel van → twee. De oorspr. betekenis zal ‘zich in tweeën delen splitsende tak’ zijn geweest.
Mnd. twīch; ohd. zwīg (nhd. Zweig); oe. twig(ge) (ne. twig); alle ‘tak, twijg’, < pgm. *twīga-, *twig(g)a-.
Verwant met: Albanees degë ‘twijg’; < pie. *du(e)igh-, *duoigh-, een afleiding van *du(e)i- ‘twee-’, zie → twee. Het betekenisełement ‘twee’ is ook aanwezig in de vergelijkbare vormen: Litouws dveigỹs ‘tweejarig’; Servisch/Kroatisch dvĭzac ‘tweejarig ram, bok, etc.’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

twijg* [tak] {twijch 1336} middelnederduits twīg, oudhoogduits zwīg, middelengels twigge; stellig afgeleid van twee en dan vermoedelijk oorspr. ‘afsplitsing’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

twijg znw. v., mnl. twijch (volgens Kiliaen: Ger. Sax. Sicamb. Fris. Holl.), mnd. twīch o., ohd. zwīg o. (nhd. zweig m.) ‘tak’. Daarnaast abl. oe. twǐg o., twǐgge v. (ne. twig). — oi. dviká- ‘uit twee bestaand’, vgl. zonder gramm. wiss. oe. mid unc twīh ‘tussen ons beiden’, got. tweihnai ‘twee’ en os. tweho, ohd. zweho, oe. tweo ‘twijfel’. — De twijg is dus eigenlijk een gevorkte tak.

Andere vormen zijn nog ohd. zwī ‘tak’ < germ. *twī̌ja- < idg. *du̯e(i)jo- zoals in oi. dvaya- ‘dubbel’, lit. dvejì, osl. dŭvojǐ ‘dubbel, twee’ en verder ohd. zwisila, mhd. zwisel, westf. twissel en mnd. twēle, twill ‘gaffeltak’. — Voor het woord twijg zou men ook kunnen teruggaan op idg. *du̯ei-gho, waarvoor zie lit. dveigỹs ‘tweejarig’, alb. degë ‘tak’ of *duei-ĝho, zie serv. dwîze ‘tweejarig schaap’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

twijg znw., volgens Kil. “Ger. Sax. Sicamb. Fris. Holl.”, mnl. twijch m. = ohd. zwîg o. (nhd. zweig m.), mnd. twîch o. “tak”. Met ablaut ags. twig o. (eng. twig) “id.”. Bij twee. Voor de bet. vgl. ohd. zwî o. “tak” (*twī̆ja- < idg. *dwe(i)jo-; vgl. lit. dvejì, obg. dŭvojĭ, gr. doioí “dubbel, twee”, oi. dvayá- “dubbel”), alb. degɛ “id.”, uit ’t Germ. nog ohd. zuogo m. “id.” en twil, alle bij twee. De ʒ van germ. *twîʒa- kan idg. gh zijn (vgl. lit. dveigỹs “tweejarig”, alb. degɛ “tak”) of ĝh (vgl. serv. dwîze “tweejarig schaap”), maar ook q (vgl. de vormen met germ. twī̆χ- bij twijfel, benevens oi. dviká- “uit twee bestaand”, dvaká- “paarwijze verbonden”. Met gh of ĝh ook gr. díχa “in tweeën” (-χa wordt met oi. viçvá-ha “altijd, elken keer” gecombineerd).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

twijg. Ags. twig o., ook twigge v.; uit deze laatste vorm (niet uit twig) eng. twig. Met ĭ ook ouder-de. tvige (de. tvege) ‘gevorkte tak’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

twijg v., Mnl. twijch + Ohd. zwîg (Mhd. zwîc, Nhd. zweig), Ags. twig (Eng. id.): een afleid. van Idg. *du̯ei-, *du̯i- (z. twee). Vergel. Hgd. zwiesel = gaffelvormige tak.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

twyg s.nw. (digterlik; verouderd)
Dun takkie, loot.
Uit Ndl. twijg (Mnl. twijch). Ndl. twijg hou oorspr. met die telw. twee verband, en beteken lett. 'gevurkte tak'.
D. Zweig, Eng. twig.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Twijg, verwant met twee; het woord w.d.z.: een verdeeling van den stam of tak in tweeën. Zie ook Gewei.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

twijg* tak 1336 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut