Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

twijfel - (onzekerheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

twijfel zn. ‘onzekerheid’
Onl. twīval ‘onzekerheid’ in de afleiding tuiulig ‘onzeker’ (glosse, letterlijk ‘twijfelig’) [951-1000; ONW], in thes nist zuivel nechein ‘daarover bestaat geen twijfel’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. twiuel ‘onzekerheid’ [1240; Bern.], twifel in Dat die coninc in twifele lach ‘dat de koning in twijfel verkeerde’ [1285; VMNW].
Zelfstandig gebruik van het gelijkvormige bn. mnl. twifel ‘onzeker’ zoals in in twiflen wane ‘in onzekere hoop’ [1321; MNW]. Dit is een oude samenstelling met als eerste lid een variant van de wortel van → twee. De etymologie van het tweede lid is onzeker. Mogelijk is er verband met het achtervoegsel → -voud, zie aldaar. De oorspr. betekenis is dan dus ‘tweevoudig’ en zal via ‘een tweevoudige gedachte hebbend’ tot ‘op twee gedachten hinkend, besluiteloos’ en algemener ‘onzeker (van zaken)’ hebben geleid.
Mnd. twivel, twifel (waaruit door ontlening nzw. tvivel); ohd. zwīval (nhd. Zweifel); ofri. twīvel, twīfil (nfri. twivel, twifel); got. tweifl; alle ‘twijfel, onzekerheid, aarzeling’, < pgm. *twī-fla-. Bij het bn.: os. twīfli ‘twijfelend, aarzelend’; ohd. zwīfali, zwīvali ‘id.’, zwīfal, zwīval ‘onzeker’ (vnhd. zweifel).
twijfelen ww. ‘onzeker zijn, besluiteloos zijn’. Mnl. twiuelen, twiulen ‘id.’ [1240; Bern.]. Afleiding van twijfel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

twijfel* [aarzeling] {twivel, twif(f)el [wisselvalligheid, tweestrijd, vertwijfeling] 1201-1250} oudfries twivel, oudhoogduits zwifal, gotisch tweifl; afgeleid van tweetwist1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

twijfel znw. m., mnl. twîvel, twîfel ‘twijfel, onzekerheid, wanhoop’, mnd. twîvel, twîfel (vgl. os. twīfli ‘twijfelachtig’), ohd. zwīval m. o. (nhd. zweifel), ofri. twīvel, twīfil m., got. tweifl (4. nv.) ‘twijfel, aarzeling, onzekerheid’. Een korte vorm is ohd. zwivo m. ‘twijfel’, vgl. oe. getwæfan ‘scheiden’. — Men vergelijkt het 2de lid van het woord *twī-fla met dat van gr. di-ploũs, lat. duplus ‘tweevoudig’, waarvoor zie verder: vouwen.

Een andere formatie is mnl. twie ‘geschil’, os. tweho, ohd. zweho, oe. tweo m. < germ. *twiwjōn < idg. *du̯i-u̯iā, terwijl on. tȳja ‘twijfel’ < germ. *twija- , vgl. gr. doiē ‘twijfel’, oi. dvayá- ‘valsheid’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

twijfel znw., mnl. twîvel, twîfel m. “twijfel, onzekerheid, wanhoop”. = ohd. zwîval m. o. (nhd. zweifel m.), mnd. twîvel, twîfel (os. al twîfli “twijfelachtig”), ofri. twîvel, twîfil m., got. tweifl acc. “twijfel, aarzeling, onzekerheid”. Evenals ohd. zwîvo m. “twijfel”, ags. ge-twæ̂fan “scheiden” bij twee. Twijfel kan òf van de verlengde basis germ. twîf- worden afgeleid òf als een idg. samenstelling worden beschouwd evenals lat. duplus, gr. diplós “dubbel” (zie vouwen). Met gelijke bet. met gutturaal formans ohd. zwëho, os. twëho, ags. twêo m. “twijfel” (ook met χ, maar met î: got. tweihnai “dubbel, twee”, on. tvênn “dubbel”, ags. betwêoh, betwêonum, eng. between “tusschen”), terwijl on. tŷja v. “twijfel” misschien op *twîjôn- teruggaat (vgl. dan mnl. twî m. “twist, twijfel”, ohd. zwî o. “tak” < *twī̆ja-). Voor de bet. vgl. lat. dubius “twijfelachtig”, gr. en doiḗi “in twijfel”, dízō, distázō “ik twijfel” (zie ook bij twist), déd(F)oika, arm. erknčim “ik vrees”, die alle bij twee hooren, ook ndl. in tweestrijd zijn, gr. diándikha mermērízien in gelijke bet.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

twijfel. Bij Got. tweihnai enz. nog ofri. twîne ‘tweeërlei’; zie over deze germ. vormen met χ bij twijg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

twijfel m., Mnl. twifel, twivel, Os. twîfal + Ohd. zwîval (Mhd. zwîvel, Nhd. zweifel), Ofri. twífil, Go. tweifls + Zend bifra-, Arm. kul (d.i. *dṷuṷl: z. twee), Gr. diploũs, Lat. duplus = dobbel, tweevoudig: alle afleid. van twee met een suff. dat bij den wortel van vouwen behoort. — Daarnevens Os. tweho, Ohd. zweho, Ags. twé + Lat. dubium = twijfel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

twiefel (zn.) twijfel; Vreugmiddelnederlands twiuel <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1twyfel s.nw.
1. Toestand van onsekerheid. 2. Tipe geesteshouding.
Uit Ndl. twijfel (al Mnl.). Ndl. twijfel hou, soos ook twist (sien twis), oorspr. met die telw. twee verband, en beteken lett. 'op twee gedagtes hink'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

twyfel: s.nw. en ww., besluiteloosheid, onsekerheid; (as ww.) besluiteloos/onseker wees; Ndl. twijfel en twijfelen (Mnl. twīvel/twīfel; twīvelen/twīfelen), Hd. zweifel en zweifeln; eerste lid hou verb. m. twee en tweede wsk. m. tweede lid v. Lat. (du)plus, Gr. (di)plous, “tweevoudig”; twyfel dus eint. “tweevoud” of “op twee gedagtes hink”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

benefit of the doubt (Engels benefit of the doubt)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Twijfel (Os. twifal) is een afl. van twee (Hgd. zwei), al is ’t laatste lid niet duidelijk; het woord bet. tusschen twee gedachten of keuzen staan; vgl. ’t Mnl.: „Hoe mach u aen mi twien?” (twijfelen).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

twijfel ‘aarzeling’ -> Deens tvivl ‘aarzeling’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors tvil, früher tvivl geschrieben ‘aarzeling’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds tvivel ‘aarzeling’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands twiefel, twieffel ‘aarzeling’; Sranantongo twèifel ‘aarzeling’; Surinaams-Javaans twèifel ‘aarzeling’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

twijfel* aarzeling 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut