Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

twee - (2)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

twee telw. ‘2’
Onl. twēne, twā, twē in tuene thia gehorda ik ‘ik hoorde twee dingen’ [10e eeuw; W.Ps.], in het toponiem Tuente ‘Twente’ (met een onbekende uitgang of tweede lid) [1027-54; Künzel], Tuagemet, letterlijk ‘twee gemeten’ [1181-1210; Künzel]; mnl. twe [1240; Bern.], twee.
Os. twēne, twā, twē (mnd. twē/twī); ohd. zwēne, zwā/zwō, zwei (nhd. zwei, maar dialectisch komen de m./v. vormen nog veel voor); ofri. twēne, twā (nfri. twa); oe. twœgen, twā, twā/ (ne. two); on. tveir, tvær, tvau (nzw. två); got. twai, twōs, twa, Krim-Gotisch tua; < pgm. *twai, *twōs, *twa ‘twee’, met telkens resp. de mannelijke, vrouwelijke en onzijdige vorm.
Verwant met: Latijn duo (Frans deux); Grieks dúō; Sanskrit dvā́; Avestisch duua; Litouws ; Oudkerkslavisch dŭva (Russisch dva); Oudiers dāu; Armeens erku; Albanees dy; Tochaars A/B wu/wi; < pie. *duoh1, *duo-ih2 ‘twee’ (IEW 228). Dit woord werd oorspr. als een dualis verbogen. Een wortelvariant *dui- treedt in verschillende taalgroepen op in afleidingen en samenstellingen: als pgm. *twi- bijv. in → twist en → tussen en in onl. twifalt ‘tweevoudig’ [10e eeuw; W.Ps.], *twigimni ‘twee jaar oud’ [8e eeuw; LS], *twijāri ‘twee jaar oud’ [8e eeuw; LS], mnl. twiinghe ‘onenigheid’ [1296; VMNW], ohd. zwijār ‘leeftijd van twee jaar’; buiten het Germaans: Vroeglatijn dvi- > Latijn bi- ‘twee-’ in bijv.biceps, → binair; Grieks di- ‘twee-’ in bijv.dilemma, → diode, → diploma; Sanskrit dvi- in dvi-mātár- ‘twee moeders hebbend’, dvi-pád- ‘twee voeten hebbend’; Avestisch bi-; en zie → weduwe. Voor een andere variant, pie. *duei, zie → twijfel en → twijg.
Dit telwoord werd oorspr. verbogen naar woordgeslacht en naamval; op grond van het Oudgermaanse taalmateriaal reconstrueert men voor het West-Germaans de nominatief-/accusatiefvormen twēne (mannelijk), twā (vrouwelijk) en twē (onzijdig). Deze verdeling is in het Oudnederlands nog wel zichtbaar, maar wordt dan al niet meer consequent toegepast. In het Middelnederlands is de algemene vorm twee, gebaseerd op de onzijdige vorm. De verbuigingsuitgangen hielden langer stand: zowel mnl. tweer (genitief) als tween (datief) zijn vrij algemeen.
Het toponiem Twente, letterijk ‘twee kanten, twee delen’, is al zeer vroeg geattesteerd in een Latijnse inscriptie in de vorm Tuihanti ‘(van) Twente’ [222-235; Künzel], maar deze vorm wordt nog als West-Germaans beschouwd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

twee* [telwoord] {in de provincienaam Tuihanti, nu Twente 222-235, oudnederlands twene (4e nv. mv.) 901-1000, middelnederlands twee} oudsaksisch twē, oudfries, oudengels twā, oudhoogduits zwei, oudnoors tveir, gotisch twai; buiten het germ. latijn duo, grieks duō, oudiers dáu, litouws du, oudkerkslavisch dŭva, oudindisch dvā.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

twee telw., mnl. twee, onfrank. tuēne, os. twēne m., twā v. o., ohd. zwēne m., zwā, zwō v., zwei o. (ohd. zwei), ofri. twēne; m. twā v. o., os. twēgen m., twā v., , twā o., on. tveir m., tvær v., tvau o., got. twai m., twōs v., twa o.

De oude idg. flectie *du̯ō(u) m., *du̯ai v. o. is in het germ. onder invloed van de pronominale verbuiging sterk veranderd. De idg. vormen zijn oi. dváu, dvā́, arm. erku (= oi. dvā́), gr. hom. (F)ō, ion. att. 2 en 3. nv. duoĩn, lat. duo, oiers dāu, , lit. (< *dvúo), osl. dŭva m., dŭvě v. o., (IEW 228-232). Daarnaast ook andere bijvormen: idg. *du̯ō in oe. , misschien ook in on. tuttugû ‘20’ (dat ook anders verklaard wordt); ohd. zwei leidt men af uit idg. *du̯ei̭ā, vgl. oi. dvayá- ‘dubbel’, gr. hom. doiō, doioi ‘dubbel’, osl. d()voji ‘tweevoudig’. — Idg. *du̯i (gaarne gebruikt in samenstelling zoals gr. diplós, lat. duplus, oi. dvipád = oe. twifēte ‘tweevoetig’) in de afleidingen tweern, twil, twist en in de samenstelling twintig en een vorm *du̯ei in twijfel en twijg.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

twee telw., mnl. twee. Oorspr. neutrale vorm; de oude m. vorm nog in twintig. In de andere germ. talen: onfr. tuêne m., ohd. zwêne m., zwâ, zwô v., zwei o. (nhd. zwei), os. twêne m., twâ, twô v., twê o., ofri. twêne m., twâ v. o., ags. twêgen m., twâ v., , twâ o. (eng. two), on. tveir m., tvæ̂r v., tvau o., got. twai m., twos v., twa o. “twee”. De germ. flexie is belangrijk van den oorspr. toestand afgeweken, o.a. onder invloed van de pronominale flexie. Voor ’t Idg. moeten wij een duaalvorm *d(u)(u) aannemen. Deze leeft nog voort in ier. dau, , vóór een znw. (v. , o. dâ n-), lat. duo (v. duae), gr. díō, *dFō (in dṓdeka “12”), obg. dŭva (v. o. dŭvě), lit. (v. dvì), arm. erku (ten onrechte anders opgevat), oi. d(u)vaú, d(u)vā́ (v. o. d(u)) “twee”. Een niet klare formatie is alb. “id.”. Op *dwô gaat ags. terug, ’t steekt wsch. ook in on. tottugu “20” (*tô-tuʒu). Het wgerm. o. ohd. zwei enz. wordt gew. op idg. *dwo(i) teruggevoerd en van denzelfden stam als gr. doioí “dubbel, twee”, oi. dvayá- “dubbel” (of *dwejo-?) afgeleid; veeleer is ’t bij de oblique casus met germ. ai gevormd. In de compositie gebruikte het Idg. *dwi- (bijv. ags. twi-fête, lat. bi-pês, oi. dvi-pád- “tweevoetig”, arm. erkeam “tweejarig”), hiernaast echter *di- (lat. di-ennium “2 jaren”, gr. dí-pous “tweevoetig”); zonder w ook lat. dis-, alb. tš-, dz-, z-, wsch. ook ohd. zir- (nhd. zer-), ofri. os. onfr. mnl. te- “uiteen” (: got. twis- “id.”), gr. diá “door”. Zie nog tussen en al de woorden met tw-.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

twee telw., Mnl. id., Onfra. twêne, Os. twêne, twô, twê + Ohd. zwêne, zwô, zwei (Mhd. id., Nhd. zwei), Ags. twégen, twá, en twá (Eng. two), Ofri. twéne, twá, On. tveir, tvǽr, tvau (Zw. två, De. to), Go. twai, twos, twa + Skr. dvau, dvā, Zend id., Arm. erku (er is prothese naar anal. van erek = drie: z.d.w., — k = dw), Gr. dúō (d.i. *duṷō) en dís (d.i. *dṷis), Lat. duo (d.i. *duṷō) en bis (d.i. *dṷis), Oier. dau, Osl. duva, Lit. . De Ndl., Hgd. en Eng. vormen zijn onzijdig, de Zw. en De. accus. mann.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

twie (telw.) twee; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) twie, Aajdnederlands twe <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

twee telw.
Een plus een.
Uit Ndl. twee (al Mnl.).
D. zwei, Eng. two, Goties twai, Sweeds twå.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

twee: twee spugen (spuugde, heeft gespuugd), spugen onder het uitspreken van een woord dat ongeveer klinkt als ’twee’. Hij spuugt zo twee (mond.). - Opm.: Alleen ouderen doen het nog.
— : zie ook twee cent*.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

twee. Substituut voor het Franse Dieu. Komt vooral voor als tweede element in bastaardvloeken. Bijvoorbeeld in nondetwee. Het verzacht de uitroep van woede, frustratie en irritatie.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

twee ‘telwoord’ -> Boeginees tûwi ‘twee kaarten van dezelfde soort (in een bepaald Chinees kaartspel)’; Makassaars tûwi ‘twee kaarten van dezelfde soort (in een bepaald Chinees kaartspel)’; Negerhollands twe, twee ‘telwoord’; Berbice-Nederlands twe ‘telwoord’; Skepi-Nederlands twe ‘telwoord’; Sranantongo twee ‘telwoord’; Tiriyó tuwei_me ‘telwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

twee* telwoord 0222-235 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1455. Met twee maten meten,

d.w.z. partijdig zijn, gelijksoortige personen of zaken verschillend beoordeelen. Het schijnt dat deze zegswijze eerst in de 19de eeuw voorkomt. Zie Ndl. Wdb. IX, 627; De Tijd, 16 Jan. 1914, 2de bl. p. 1 k. 1: Er is te Zabern en te Straatsburg reeds genoeg gemeten met twee maten. Tegenover de militairen alle mogelijke clementie - tegenover de burgerlijke elementen alle mogelijke gestrengheid. In het Antw. Idiot. 1885: Twee maten en twee gewichten hebben, verschillend handelen volgens de personen; fr. avoir deux poids et deux mesures.

1270. In de kraam liggen (- komen, - zijn),

d.w.z. bevallen zijn; in tweeën gevallen zijn (De Cock2, 179); aan stukken liggen (Winschooten, 145); moeder geworden zijn; zie Teuth.: In crame of kyndelbed liggen, puerperizare, decubare, decumbere; Plantijn: In den craem liggen, estre en gesine, gesir d'enfant, cubare, jacere in puerperio. In de 17de eeuw meermalen in 't kraam liggen of in de kraam vallen (o.a. Huygens, Korenbl. II, 486). Het znw. kraam had vroeger de bet. van zeildoek, daarna die van de door een gordijn of zeil afgeschoten ruimte en wel bepaaldelijk het met gordijnen afgeschoten veldbed of bed, waarop een vrouw haar kroost ter wereld brengt, het kraambed of kinderbed, en deze laatste bet. heeft het nog in de hiergenoemde uitdr. bewaard. Zie Taalk. Bijdr. I, 19-25; Mnl. Wdb. III, 2037-2039; Ndl. Wdb. VIII, 23 en Huydecoper, Proeve I, 362. In Zuid-Nederland: in het kraam komen (De Bo, 567); in 't kraam liggen (zijn), schertsend van iemand die ziek te bed ligt (Antw. Idiot. 706); nd. in den Kram kommen (Eckart, 289); fri. yn 'e kream komme, - wêze; yn twa stikken falle (vgl. 17de eeuw in twee stukken (stikken) raken).

1542. Met twee monden spreken,

d.w.z. dubbeltongig zijn (lat. bilinguis), valsch, onoprecht zijn; niet ten opzichte van iedereen hetzelfde handelen, uit twee pannen bakken, met twee pannekens koeken bakken (Joos, 115De Tijd, 5 Febr. 1914, p. 5 k. 5: Met een vriendelijken lach op 't gelaat en met een beleefde buiging zal de heer Ter Laan dus voor onze Koningin staan, terwijl hij de monarchie in zijn hart verwenscht. Hoe dat bakken in twee pannetjes te verklaren is? Vgl. N. Taalgids XI, 306: Menschen die in twee pannen visch bakken. Zoo noemt men hen, die geen partij kiezen, maar nu met den een en dan met den ander meepraten (Goeree en Overflakkee); syn. aldaar Twee kleuren in zijn baard hebben (N. Taalgids XI, 133).); koud en heet uit één mond blazen (zie o.a. Kluchtspel II, 135); fr. souffler le froid et le chaud; hd. aus éinem Munde kalt und warm blasen; eng. to blow hot and cold. Zie Bouc v. Seden, 885: Onwert die ghene talre stont die twee tonghen draghen in den mont (vgl. ook bl. 110-111); Servilius, 223*: Hi spreect met twee monden; Sartorius, I, 8, 98: Wt twee monden spreken, in bilingues dicitur, et qui eundem modo laudant, modo vituperant; Anna Bijns, Nieuwe Refr. 38; Idinau, 13:

 Daer spreken sommighe met twee monden:
 Hier eens, daer anders, hier goedt, daer quaedt,
 Waer heeft men oyt fonteyne ghevonden,
 Die soet en suer gaf, t'eender daet?
 Een dobbel tonghe gheen argher saedt.

Zie verder Suringar, Erasmus, LXIII; Harreb. II, 99 a; Afrik. Hy praat met twee monde; Nkr. VIII, 3 Jan. p. 4; vgl. het fri.: út twa mûlen sprekke.

2078. In (of naar) geen zeven (of twee) slooten tegelijk loopen,

d.w.z. niet onvoorzichtig zijn, goed uitkijken, niet van gisteren zijn. Vgl. Snorp. 29: Daerom vreest men Man oock voor een ongelock; maer, datjet weet, ick en sel in gien twie slooten gelijck loopen; Tuinman I, 271: Hij zal in geen twee slooten seffens loopen (ook Nal. 14); C. Wildsch. VI, 26: Nu Tantelief! al je zorg en kwelling was voor niet: heb ik je niet altijd gezegd dat Keetje in geen twee slooten te gelijk loopen zou? Nest, 33; 101: Ik zal naar geen zeven slooten te gelijk loopen; J. Steynen, Verbijsterden, 24: Ze was een flinke bij-de-hande meid, zou in geen zeven slooten tegelijk loopen; V.v.d.D. 8: Ik mopperde dat ik toch zeker wel de baas over me zelf was en dat ik in geen zeven slooten tegelijk zou loopen; Ndl. Wdb. VIII, 2830. Vgl. voor Zuid-Nederland Waasch Idiot. 667: Hij zal in geen twee grachten te gelijk springen, als er maar een is, hij is slim, voorzichtig; Antw. Idiot. 2097: Hij zal in geen twee grachten (of slooten) te gelijk springen, hij is te slim om zich te laten beetnemen; Teirl. 515.

2178. Tusschen twee stoelen in de asch vallen (of zitten),

d.w.z. tusschen twee gevallen niet weten te kiezen en dus niets uitrichten of de gelegenheid verzuimen; in verlegenheid zitten; eene nog dialectisch bekende uitdrukking, die sedert de middeleeuwen voorkomt. Vgl. mlat. labitur enitens sellis haerere duabus; sedibus in mediis homo saepe resedit in imis; Sev. Vroeden, 3357: Daer viel si van twee stoelen op derde, dat haer dede int herte wee (vgl. fr. demeurer ou se trouver entre deux selles le cul par terreOn se trouve souvent reduit à cette situation pour avoir porté ses prétentions trop haut, ou encore pour avoir voulu maladroitement poursuivre plusieurs buts à la fois.); Despars, 2, 331: Zittende by dien middele tusschen twee stoelen in d'asschene (in groote verlegenheidMnl. Wdb. VII, 2161.); Coornhert, Paradoxa, 420 r: Door welcke verkeerde leeringhe ghy 't volck den tegenwoordighen rust (die eenen voorsmaeck des eeuwighen levens is) metten toekomende berovende, fijn tusschen twee stoelen inder Asschen settet; Campen, 133: Hy sit tusschen twee stoelen in d'assche; Colijn v. Rijssele, Sp. der M., 111 v: Sy set u tusschen twee stoelen in dasschen; Idinau, bl. 11; Cats I, 421; Tuinman II, 119: Wat baaten twee stoelen, als men tusschen die beide in de asch zit? Halma, 35; H.S. 77: Nu zit men tusschen twee stoelen in de asch; Adagia, 61: Tusschen twee stoelen in d' asschen sitten, inter sacrum saxumque stare; Harreb. I, 21; Ndl. Wdb. II, 715.; Het Volk, 22 Oct. 1913 p. 1 k. 1: Steunen op ons - of steunen op een deel der rechterzijde - wil zij tusschen die twee stoelen in gaan zitten, dan valt zij (de Regeering) op den grond; H. Post, 3 Aug. 1918 p. 905 k. 4: De Duitschers vinden hem niet Duitsch genoeg, de anderen vinden hem te Duitsch. Zoo zit hij vrijwel tusschen twee stoelen op den grond; Afrik as jij op twee stoelen tegelijk wil sit, kom jij op die grond te lande; fri. twisken twa stoellen yn 'e yeske sitten, in verlegenheid; mhd. zwischen zwein stühlen sitzen; under zwên stûlen nider sitzen; hd. sich zwischen zwei Stühle setzen, von zwei Dingen, die man zugleich erhalten möchte, keins bekommen; eng. to fall between two stools, to fail from vacillation between two courses; Wander IV, 939-940.

2433. Twee vliegen in één klap (of lap) slaan (of vangen),

d.i. twee oogmerken tegelijk bereiken. Vgl. Idinau, 65:

 Twee vlieghen met eenen lappe sy slaen,
 Die met een moeyte twee dinghen bekomen.
 T' gheluckt soo, of t' is met ernste ghedaen:
 Alst komt, t' werdt meest in 't goede ghenomen.
 Men prijst, die hen tot deughden ver-vromen.

Hooft, Brieven, 400: Wy zouden 'er etlijke te lijf slaan, ende midlerwijle twee vliegen met een' lap; Ged. II, 349 vs. 1312: t Komt profytelijck uyt, men slaet twee vlieghen mit ien lap; De Brune, 279: Het moest wel met gheluck toe-gaen, twee vlieghen met een lap te slaen; Bank. II, 209: Die zijn zaecken wel aen-leght, kan somtijds twee vlieghen met eenen lap slaen; Tuinman I, 274; Adagia, 60: Twee vliegen in eenen lap slaen, in saltu unico duos aperos capere; Van Effen, Spect. VII, 78; IX, 150; Sewel, 897: Twee vliegen met een' klap slaan, to kill two crows with one stone; zoo ook W. Leevend II, 83; Schoolblad, XLIII, k. 994; Het Volk, 21 Febr. 1914, p. 5 k. 4: Nu kan men twee vliegen in één klap slaan, door het Gooi heelemaal af te zanden en alle Amsterdamsche grachten te dempen; 4 April 1914, p. 1 k. 1: Wellicht hopen zij twee vliegen in één klap te slaan, en naast de versterking van hun ekonomische machtspositie, ook politiek profijt uit deze worsteling te winnen; afrik. twee vlieë in een klap slaan; Waasch Idiot. 717: twee vliegen in één lap, twee werken met ééne moeite; Schuermans, 820 b: twee vliegen in éenen slag (of in een lap) treffen, syn. van twee gaten met eenen bus stoppen (Schuerm. 86 a); twee duiven met éen boone vangen (De Bo, 275 b; De Brune, Bank. II, 209, vertaling van het ital. pigliar due colombi con una fava). Vgl. het lat. uno in saltu apros capere duos; Sart. I, 7, 67: twee vogelen schieten met een bout; III, 7, 41: met een sprongh twee hasen bespringen; twee kraeyen met een schoot schieten; Servilius, 23: met eender dochter twee behoude sonen crijgenVgl. Le Roux de Lincy (anno 1842) I, 152; II, 391., hetzelfde als twee swagers (schoonzoons) met een dochter maecken (Sart. I, 7, 68; Volkskunde XVI, 64); De Brune, Bank. II, 209: twee muyren met een quispel witten, vertaling van het lat. duos parietes de eadem dealbare fidelia (Suringar, Erasmus, LXII); hd. zwei Fliegen mit einer Klappe schlagen, - mit einem Schlage fangen; eng. to kill two birds with one stone; de. at slaae to Fluer med eet Smaek; fri. twa miggen of mosken yn ien flap fange.

2498. Tusschen twee vuren zitten,

d.i. in eig. zin van twee kanten door den vijand beschoten worden; vandaar bij overdracht: tusschen twee moeilijkheden zitten, die beide even lastig te ontgaan zijn, zoodat men niet weet welke van beide men het hoofd zal bieden; geen uitweg weten, niet weten wat te doen, in tweestrijd zijn; Harreb. II, 427 b; afrik. hy sit tussen twee vure; fr. être entre deux feux, essuyer le feu de l'ennemi de deux côtés à la fois (Hatzf. 1050; ook fig.); hd. zwischen zwei Feuern kommen, einer Gefahr von zwei Seiten her ausgesetzt sein (Borchardt, no. 346); eng. to be between two fires; in Zuid-Nederland tusschen twee vuren zijn, omringd zijn van moeilijkheden (Schuermans, 839 aIn V. Janus III, 66 lezen we: Zooveel begrijp ik er toch van, dat Arlequin een deugniet is, en dat Harmen me gaarn naar zijn hand stellen wou. 't Is recht ongelukkig, dat men zoo tusschen twee vuren in de asch zit! Blijkbaar wordt hier bedoeld tusschen twee vuren zitten en hebben we aan eene vermenging te denken met tusschen twee stoelen in de asch zitten, eene vroeger veelvuldig en thans nog in verschillende talen voorkomende zegswijze, gebruikt van iemand die tusschen twee gevallen niet weet te kiezen en dientengevolge niets uitricht of de gelegenheid verzuimt (Ndl. Wdb. II1, 715; Harreb. I, 21 b; no. 2178); mlat. sedibus in mediis homo sepe resedit in imis. In het Friesch kent men ook twisken twa fjûrren yn 'e yeske sitte, doch in denzelfden zin van twisken t fjûr en de briedpanne sitte, erg in de verlegenheid zitten (W. Dijkstra II, 314 b); syn. tusschen hamer en aanbeeld zitten (Ndl. Wdb. V, 1736); lat. esse inter malleum et incudem.); Waasch Idiot. 711: tusschen twee vieren staan, een moeilijke keus te doen hebben.

2515. Van twee wallen eten.

In lett. zin doet dit een koe in een greppel; fig. zich nu eens bij de eene partij voegen en dan weder bij de andere, alnaarmate men grooter profijt kan behalen (Harreb. II, 434); van beide kanten voordeel trekken; fri. it gêrs fen beide wâllen ite of fen beide siden ite, meer dan een partij trachten te bevredigen; Molema, 464: Hij et van baide wallen, hij heult met beide partijen en doet daarmede zijn voordeel; ook hij lopt midden in de sloot, en et van baide wallen; vgl. verder Handelsblad, 13 Nov. 1913 p. 1 k. 2: Zij (de uitslagen van de stemming) doen zien, dat ten slotte de meerderheid der kiezers zich niet tot het eten van twee walletjes noodigen laat en dat men in dezen kiezen of deelen moet; 28 Juli 1913 p. 1. k. 4: Een kabinet dat van zins was gedurende een paar jaar van twee walletjes te eten; Het Volk, 5 Dec. 1913 p. 1 k. 4: De ‘Standaard’ had met het oog op de waarschijnlijkheid dat het ministerie voor zijn oorlogsbegrootingen recht en voor 't staatspensioen bij de soc. dem. hulp zou zoeken, gesproken van een willen eten van twee walletjes; 12 Sept. 1913 p. 1 k. 1; 17 Juli 1914 p. 1 k. 1; 22 Oct. 1913 p. 1 k. 1; Nkr. VII, 9 Aug. p. 6: Een ideaal Ministerie moet van twee wallen eten; dan worden de wallen ook vriendelijk gestemd; Het Volk, 4 Januari 1915 p. 5 k. 1: De burgerlijke demokratie vereenigt in zich twee elementen, de vooruitgang en het behoud, en wijl men van geen twee wallen tegelijk kan eten, komt zij herhaaldeiijk met zichzelf in tegenspraak; Schoolblad XLIV, 592: Maar nu geeft hij zoo een glimp van recht aan de poging om de N.O.G.-leden van twee walletjes te laten eten - de oude en de nieuwe Groene naar keuze; Nkr. XI, 28 Aug. p. 2; Handelsblad, 23 Mei 1915 (ochtendbl.) p. 1 k. 4: Ook Roemenië kan van twee wallen eten: aan den eenen kant lokt Bessarabië, aan den anderen kant Zevenburgen; fr. manger à deux râteliers, tirer profit de deux côtés differents. Vgl. in Zuid-Nederland tusschen twee waters zwemmen, twee tegenovergestelde partijen willen voldoen (Despars I, 78; Waasch Idiot. 732; Antw. Idiot. 1420; Harreb. II, 441); fr. nager entre deux eaux, bij Halma de vertaling van tusschen water en wind drijven, Vgl. no. 1235.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal