Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

twaalf - (12)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

twaalf telw. ‘12’
Onl. *twelif in unum tualepti (gelatiniseerde afleiding) ‘één twaalfde’ [8e eeuw; LS], thuuualt chunna ‘twaalf honderd’ [8e eeuw; LS], in het toponiem Tuelgemet, letterlijk ‘twaalf gemeten’ (onbekende plaats op Walcheren, Zeeland) [1181-1210; Künzel], in then zuelf herren ‘de twaalf heren’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. o.a. twelf, twelef, tweelf, twalef, twaelf in tualef penghe ‘12 penningen’ [1237; VMNW], twelf iaren ‘12 jaar’ [1240; Bern.], tuaelf arbusten ‘12 kruisbogen’ [1286; VMNW], tueelf peneghe ‘12 penningen’ [1291; CG I].
Samenstelling van de onzijdige Germaanse vorm *twa van → twee volgens hetzelfde model als → elf 1 bij → een.
Os. twelif (mnd. twelf, twalf); ohd. zwelif (nhd. zwölf); ofri. twelef, twelif (nfri. tolve); oe. twelf (ne. twelve); on. tólf (nzw. tolv); got. twalif; < pgm. *twalif, *twaluf (voor het on.).
In eerste instantie verwacht men door i-umlaut mnl. twelif, waaruit door rekking in open lettergreep en verzwakking van de eindlettergreep nnl. tweelf. Deze vorm komt inderdaad nog in dialecten voor, evenals twelf, waarin de genoemde verzwakking eerder moet zijn opgetreden, wellicht o.i.v. elf. De vormen met twa- verklaart men door vroegtijdige verzwakking van *-lif > *-lef, waardoor de umlautsfactor ontbrak.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

twaalf* [telwoord] {in de vroegere Zeeuwse plaatsnaam Tuelgemet 1181-1210, twaelf, twelef 1220-1240} een samenstelling van het telwoord twee met de stam van blijvenelf1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

twaalf telw., mnl. twālef, twaelf, twēlef, twelf, os. twelif, twilif, twulif, ohd. zwelif (nhd. zwölf), oofri. twelef, twelf, twilif, owfri. tolef, oe. twelf (ne. twelve, on. tolf, got. twalif; samenstelling van twa + lif (waarvoor zie: elf). — lit. dvȳlika.

De nog dialect, voorkomende umlautsvorm twelf toont de normale ontwikkeling. Het ontbreken van de umlaut in twaalf kan men toeschrijven aan vroegtijdige verzwakking van de i in de 2de onbetoonde syllabe (van Haeringen Suppl. 173). Mogelijk is ook, dat evenals in on. tolf < *twaluf in het suffix klinkersubstitutie opgetreden is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

twaalf telw., dial. met umlaut twelf, mnl. twālef, twaelf, twēlef, twelf. = ohd. zwelif (nhd. zwölf), os. twelif, twilif, twulif, oofri. twel(e)f, twilif, owfri. tolef ags. twelf (eng. twelve), on. tolf, got. twalif “twaalf”. Voor de formatie vgl. elf II.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

twaalf. De dial. zeer verbreide vormen zonder umlaut zullen wel verklaard moeten worden uit vroegtijdige syncope van de i in het tweede deel der samenst., dat geen duidelijk gevoelde betekenis meer had, en te meer voor reductie in aanmerking kwam doordat het eerste deel nauwelijks meer met twee werd geassocieerd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

twaalf telw., Mnl. twalef, twelef, Os. twelif + Ohd. zwelif (Mhd. zwelf, Nhd. zwölf), Ags. twelf (Eng. twelve), Ofri. twelef, On. tolf (Zw. id., De. tolv), Go. twalif + Lit. dvįlika: het eerste lid is het onz. van twee (z.d.w.); voor het tweede (lif), z. elf.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

twelf (telw.) twaalf; Aajdnederlands twelif <701-800>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

twaalf telw.
Tien plus twee.
Uit Ndl. twaalf (Mnl. twaelf, twelif, twellef, twalef).
Oorspr. 'n samestelling van Germ. twa 'twee' en die agterv. -liba wat saamhang met Goties laiba 'oorblyfsel', Oudnoors lifa 'oorbly'. Die samestelling met die bet. 'twaalf' blyk duidelik in die ouer vorme soos Goties twalif, Oudhoogduits zwelif, Oudsaksies twelif. Die lett. bet. van twaalf is 'twee wat oorbly (bo tien)'.
D. zwölf, Eng. twelve, Fries tolf.
Vgl. 1elf.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Twaalf (Os. twelif) is twee + lif; voor dit lif zie Elf.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

twaalf ‘telwoord’ -> Duits dialect twalf ‘telwoord’; Negerhollands twalf, twalef, twaelf ‘telwoord’; Berbice-Nederlands twaalf, twarfu, twalfu ‘telwoord’; Skepi-Nederlands twalf ‘telwoord’; Sranantongo twarfu (ouder: twaalfoe), twaalf ‘telwoord’; Aucaans twaloefoe ‘telwoord’; Saramakkaans tuálúfu ‘telwoord’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

twaalf* telwoord 0701-800 [Lex Salica]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

Twaalf, de, de twaalf landen van de Europese Unie.

Toch maakt premier Martens zich geen illusies tijdens zijn diplomatieke pendeltocht die hij zal ondernemen om de Twaalf te winnen voor het hervormingspakket van Jacques Delors. (Elsevier, 28/02/87)
Een gesprek tussen de ‘twaalf’ over Europese defensie zal zeker niet gemakkelijk zijn... (De Volkskrant, 20/03/87)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

80. Twaalf ambachten, dertien ongelukken

wordt gezegd van ‘personen, die telkens een nieuw middel van bestaan zoeken, maar er altijd slecht afkomen’. De uitdr. wordt aangetroffen bij Campen, bl. 19: Twaelf ambachten syn dertien ongelucken, dat in de verzameling van Agricola luidt: Vierzehen handwerck, funffzehen unglück; Spieghel, 273; 291; Cats I, 421; Kluchtspel, III, 117. Bij Baardt, Deughden-Spoor, 213:

 Men seyt gemeenlyck dat een Man,
 Die thienderleye Handt-werck kan
 Wel darthien ongelucken heeft.

Bij Berkhey N.H. 3, 1304 luidt de uitdr. weer eenigszins anders: Men leert 'er (op een Fransche kostschool) vyf ambagten, en heeft dertien ongelukken.Zie het Ndl. Wdb. II, 351. Bij Sewel, 48: Twaalf ambachten en dertien ongelukken, they who undertake every thing are seldom succesfull. Zoo ook in W. Leevend III, 212; Tuinman I, 127; Harreb. I, 14; Waasch Idiot. 165 b: Twaalf stielen en dertien ongelukken; Teirl. 72: Eén ambacht is beter as dertien stielen, wie veel stielen uitoefent kent geen enkel goed ambacht. In Duitsche dialecten treffen wij deze zegswijze onder de volgende vormen aan: achttein Handwark, is nägentein Unglück; teinerlei Handwark, un hunnerterlei Unglück; drözeng (dertien) Handwerker, vezeng (veertien) Onglöcker; zie Taalgids V, 174; Eckart, 186-187; Jahrb. 38, 163. Thans zegt men in het hd. Neunerlei Handwerk, achtzehnerlei Unglück; fr. quarante métiers, cinquante malheurs; fri. toalf ambachten en trettsien ongelokken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut