Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tut - (onnozele vrouw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tut zn. ‘onnozele vrouw’
Nnl. tut ‘zus’ [1791; iWNT], tuttje ‘onnozel meisje’ [1822; iWNT], tut ‘domme’ [1914; iWNT].
Vermoedelijk een klankexpressieve variant van een woord voor ‘tepel’ en dan vergelijkbaar met → tiet en → tuit.
Mogelijk verwant met: nnd. dutte, düt(t)e ‘tepel’; ohd. tut(t)a ‘id.’ (nhd. Dutte); nfri. tutte ‘onnozele vrouw’; nzw. tutt ‘tepel, tiet’, tutta ‘klein meisje’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tut2* [zeur] {1791 in de betekenis ‘zus’; de betekenis ‘onnozel meisje’ 1822} vgl. dutte [speen] {1599} nederlands dial. dot [speen], nederduits dutte, oudhoogduits tut(t)o [speen] (hoogduits Dutte), middelengels tote [punt], ijslands tota [tepel]; behoort bij toot, tiet1, tuit1.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

tut: dom, ouderwets, preuts meisje. Oorspronkelijk een dialectwoord voor ‘speen’.

‘Och tut! dat is niet gevaarlijk!’ zegde hij en hij speekte tusschen zijne tanden om haar te toonen hoe ver hij kon speeken. (M.E. Belpaire, Het Landleven in de letterkunde der XIXe eeuw, 1902)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tut* onnozel meisje 1822 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut