Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tussen - (te midden van)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

tussen vz. ‘te midden van’
Onl. intwiskan ‘tussen’ in in minemo herzan, thaz enzuischan minan brustan ligad ‘in mijn hart, dat tussen mijn borsten ligt’ [ca. 1100; Will.]; mnl. tusschen, twisschen ‘tussen’ in negenen dach dertusghen ‘geen dag ertussen, zonder onderbreking van één enkele dag’ [1236; VMNW daertusschen], tambocht tuisken die goude ende cralinghe ‘het ambacht tussen Gouda en Kralingen’ [1280-87; CG I], tuisschen der zee, ende amersford ‘tussen de zee en Amersfoort’ [1300; CG I].
Wrsch. ontstaan door verkorting van onl. intwiskan ‘tussen’. Ook in het Hoog- en Nederduits zijn de enkelvoudige vormen jonger dan de gecombineerde:
Os. undartwisk (mnd. twischen, tuschen); ohd. in zwiskēn, undar zwiskēn (mhd. zwischen, zwüschen, nhd. zwischen); ofri. twiska, twisk (nfri. tusken); oe. betweox, betwix, bet(w)ux (ne. vero. betwixt); alle ‘tussen’. De os., ohd. en oe. vormen zijn afgeleid van pgm. *twiska- ‘tweevoudig, dubbel’, een afleiding van *twi- ‘twee’, zie → twee, met attestaties os. twisk en ohd. zwisci. De bijwoordelijke constructie ohd. in zwiskēn betekent letterlijk ‘in het dubbele’. Het jongere voorzetsel zwischen is door verkorting hieruit ontstaan (Pfeifer, Kluge21).
Mnl. twisschen komt vooral in Holland en Utrecht voor; het grootste deel van het Nederlandse taalgebied had echter tusschen, met -u- < -wi-, zoals in → zuster en → zulk. Deze klankverandering heeft zich niet overal doorgezet (zie Schönfeld, par. 53): in bijv.dwingen en → twist is de oorspr. vorm bewaard gebleven.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tussen* [voorzetsel, te midden van] {tus(s)chen, twis(s)chen 1249} middelnederduits twischen, tuschen, middelhoogduits zwischen, oudengels betweox (engels betwixt), stamt van een bijvorm van twee, vgl. oudsaksisch twisk [telkens twee, tweevoudig].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tussen voorz., mnl. tusscen naast twusscen, twisscen, mnd. twischen, tuschen, mhd. zwischen, zwüschen (nhd. zwischen), ofri. twisk, twiska ‘tussen’. Oudere vormen zijn os. undar twisk, ohd. in zwiskēn, untar zwiskēn, oe. betweox, betwux (ne. betwixt) ‘tussen’. — Het grondwoord *twiska vinden wij in os. twisk, ohd. zwisk ‘tweevoudig, twee’ < idg. *du̯is-ko- van een stam *du̯is ‘tweemaal’, vgl. on. tysvar, tvisvar en oi. dvih, gr. dís, olat. duis (lat. bis) een afl. van *du̯ō (du̯oi) ‘twee’ (IEW 230-231).

Voor de verhouding van de vormen tussen en twisschen, twisken vgl. Κ. Heeroma, Holl. Dial. Stud. 1935, 25 en kaart 10, die er op wijst, dat de laatste vorm thuis hoort in het Westen, terwijl tusschen heerste in Utrecht, NBrabant en het Oosten; kwam voor het overheersen van deze vorm de sterkste impuls uit Brabant?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tusschen voorz., mnl. tusscen naast twusscen en twisscen (in noordndl. diall. zooals ’t Zaansch nog lang gebruikelijk gebleven). Voor u < wi vgl. zuster. = mhd. zwischen, zwüschen (nhd. zwischen), mnd. twischen, tuschen, ofri. twisk, twiska “tusschen”; voor oudere verbindingen van *twiska- met een voorz. in de plaats gekomen: ohd. in zwiskên, untar zwiskên “tusschen”, os. undar twisk “id.” (als bijw. = “onder elkaar”), ags. be-tweox, be-twux “id.” (eng. betwixt). Germ. *twiska-, ohd. zwisk, os. twisk “tweevoudig, twee”, idg. *dwi-s-qo- is een collectivum, van *dwi-s (oi. dvíḥ, gr. dís, lat. bis, ohd. zwir-o(r), on. tvis-var) “tweemaal” (bijwoord bij twee) gevormd; met dgl. q-formans arm. erkic̣s “tweemaal”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tusschen voorz., Mnl. tusscen + Mhd. zwischen (Nhd. id.): eigenlijk datief meerv. van *tusch, Os. twisk = telkens twee + Ohd. zwisk (Mhd. zwisc): Ug. *twis-k, een adj. van een adv. bijvorm van twee. Het w. is verkort uit de adverb. uitdrukkingen intusschen, ondertusschen = te midden van telkens twee. Vergel. Eng. between en betwixt, die het voorz. bewaard hebben.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

tösse (vz.) tussen; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) teusse, Vreugmiddelnederlands tusschen <1236>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

tussen voors.
1. In die middel van twee entiteite. 2. Binne twee bepaalde tydsgrense. 3. Om sowel vyandige as vriendskaplike betrekkinge tussen persone of sake aan te dui.
Uit Ndl. tussen (Mnl. tus(s)chen, twis(s)chen). Tussen hou, soos twis en twyfel, oorspr. met twee verband, soos nog duideliker blyk uit die Mnl. vorm twis(s)chen.
D. zwischen, Eng. betwixt, between, Fries twiske(n).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

twest alvast (Urk). ~ fri. twiske ‘tussen’ (= nl. tussen = hgd. zwischen ‘tussen’, ~ nholl. plaatsnaam Twisk). De laatste t is paragogisch. De betekenis ligt dicht bij intussen en moet zich uit ‘in die tussentijd’ ontwikkeld hebben.
Daan 1942, 477.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tussen: voors., dui plek aan wat so geleë is dat daar iets aan weerskante in ruimte en tyd is; Ndl. tuss(ch)en (Mnl. tusscen/twusscen/twisscen), Hd. zwischen, Eng. between/betwixt, hou verb. m. Lat. duo, Gr. duo/duō, “twee”; v. dVri J NEW oor verspreiding v. Ndl. vorme met tus- en twis-.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Tusschen is een afl. van twee (Os. twisk = tweevoudig, twee); het staat voor intusschen, d.i. in (het midden van) twee, b.v. tusschen de bladen van dit boek = te midden van twee bladen. Vgl. ’t Mnl.: „Twisken verlies ende groet ghewin is een kenlic onderscheit”. Zoo ook: ondertusschen = onder twee. Bij uitbreiding bet. tusschen: te midden van (onverschillig hoeveel), b.v. tusschen de menigte raken; of bij tijdruimte gedurende een ander tijdstip: „Ga eerst maar eten, ik zal intusschen, ondertusschen wat lezen”.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

tusschen (II). - Nog in een ander geval is het gebruik van tusschen een gallicisme, nl. als men zegt tusschen vier oogen, in plaats van onder vier oogen. Het Fransch zegt entre quatre yeux, en entre beantwoordt hier aan lat. inter, terwijl het Nederlandsch een woord gebruikt dat aan lat. sub beantwoordt. Dit woord Onder = sub, is wel homoniem met Onder = inter, maar meer niet (verg. de twee artikels Onder in het Wdb. d. Nederl. Taal, dl. X). || Tusschen vier oogen, CONSC. 3, 332a. De klokkenist ... zocht naar een ander vertrek, waar hij den geheimzinnigen man tusschen vier oogen hebben kon, SNIEDERS 1, 37a. Enkele officieren maar hebben mij, tusschen vier oogen, hunne meestemming en toeneiging durven betuigen, DE VOS, E. off. gew. 375. Kwam ik den ouden Slenter op een eenzamen weg te gemoet, ik zou hem naar den anderen (sic) wereld zenden tusschen vier oogen, H. T(EMMERMAN) in De Toekomst 31, 202. Had ik u tusschen vier oogen, man tegen man, ik brak u op mijn knie, DUCATILLON, Liefdebl. 9.

tusschen (I). - In het Nederlandsch bestaat er onderscheid in het gebruik der voorzetsels Tusschen en Onder: het eerste heeft betrekking op twee, het andere op meer dan twee. Zoo zegt men b.v. de vriendschap tusschen vader en zoon, maar de vriendschap onder de leden des huisgezins. Nu komt het onderscheid, dat in het Fransch gemaakt wordt tusschen entre en parmi, niet volkomen overeen met dat tusschen onder en tusschen: zoo vereenigt entre verschillende beteekenissen in zich die in het Nederlandsch over onder en tusschen verdeeld zijn, en dit heeft aanleiding gegeven tot het gallicisme dat hier vermeld dient te worden: het gebruik van tusschen, waar het Fransch entre zegt, doch het Nederlandsch onder vereischt. || Eenige traden in Franschen dienst en tusschen hen bevond zich kapitein Chassé, G. BERGMANN, Gedenkschr. 4. Tusschen de hatelijke wetten, die in dien tijd het licht zagen, 11. Ik bevond mij eerlang in staat mijne medeleerlingen te volgen en later werd ik tusschen de meestgevorderden aangerekend, 92. Tusschen de vluchtelingen bevond zich een jonge heer ... van Dendermonde, 94. Drie frissche jonge deernen, de dochters van den huisbaas, deden er den dienst (t.w. in een herberg). Of zij tusschen de studenten geene bijzondere amis de cœur bezaten, weet ik niet; maar enz., 100. Wanneer de Prins danspartijen gaf, werden er altijd studenten uitgenoodigd ... en ons Haantje vooruit had zich wel eens tusschen de uitgenoodigden bevonden, 119. Zij (scheen) niet haastig, om eene keus te doen tusschen de talrijke vereerders en aanbidders, die haar omringden, SLEECKX 14, 196. Tusschen de jonkvrouwen, die zich door de buitensporige pracht harer gewaden, zoowel als door hare schoonheid en bevalligheid, onderscheidden, bekleedde enz., 14, 276. Onder het aantal kunstenaars die ... eenen hoogen rang tusschen de Hollandsche landschapschilders hebben weten te veroveren, behoort enz., GEIREGAT, Holl. Schilderk. 169. In de achttiende eeuw ... werden dusdanige steden tusschen de meest bevolkte van Europa geteld, MATHOT, Troebele Tijd 2. Aan ieder departement werd het getal dienstplichtigen aangewezen, en de departementen verdeelden dit aandeel ... tusschen de verschillende gemeenten, in evenredigheid der bevolking, 156. Eenen naam, tusschen vele beroemd, DE POTTER, Gent 1, III. Na driedubbele belofte ... dat dit geheim dood zou blijven tusschen ons, verhaalde hij mij, dat enz., A. BERGMANN, Staas 152. De Koninklijke Vlaamsche Academie heeft gevoeld ... dat hij, die niet zonder goeden uitslag het zijne heeft bijgedragen om ... onze nationale taal in hare verloren rechten te herstellen, niet onweerdig was tusschen u eene kleine plaats te bekleeden, COREMANS in Versl. Vl. Ac. 1891, 330. De Vlaamschen zaak ... zou hare plaats innemen tusschen de vraagpunten waarover het land in de kiesworstelingen beslist, VUYLSTEKE, Prozaschr. 1, 34. Tusschen ons gezeid en gezwegen, CLAES 86. Tusschen de Rhetorijkers ... ontbrak het niet aan mannen, die de behoefte aan kunst- en taalhervorming gevoelden, CLAEYS in Versl. Vl. Ac. 1887, 314. Laat ons zien welken rang de schilderkunst ... tusschen de andere kunsten inneemt, ROOSES, Antw. Schildersch. 1, 45. Zoo men nu toch tusschen al de schilders van Italië diengene moest zoeken, waar Marten de Vos het verst van verwijderd is, 1, 158. (Guicciardijn) verhaalt, dat hij (zeker schilder) door den koning van Frankrijk, Frans I, tusschen al de schilders van ons land gekozen werd om zijn portret ... te schilderen, 1, 171. Men (kan) niet anders ... dan den kunstenaar eene eerste plaats aan te wijzen tusschen onze oudste landschapschilders, 1, 183. In 1619 wordt zijn naam genoemd tusschen de ouddekens, 2, 15. Eer er twee jaar verloopen zijn, zien wij Rubens den eigenaardigen trant aannemen, die hem op den eersten oogslag tusschen al de overige kunstenaars doet erkennen, 2, 63. De doode Christus is nog immer de schoonste tusschen al die schoone gestalten, 2, 80. Tusschen al de onderwerpen, die Rubens behandelde, was er geen, dat hem meer aantrok dan Christus’ leven, 2, 96. Tusschen de gekochte kunstwerken was een groot getal schilderijen van Rubens zelven, 2, 134. Rubens was tusschen de drie opgeworpen kandidaten, 2, 140. De Belgische onderhandelaars, tusschen welke de hertog van Aarschot op eigen aanvraag benoemd was, moesten enz., 2, 144. Tusschen de schilderingen, welke hij van 1630 tot 1640 voortbracht, komt vooreerst de groote reeks tafereelen, die enz., 2, 150. Rubens, die niet tusschen de aannemers voorkomt, ... ontving 5000 gulden voor de twee stukken, 2, 153. Wanneer men in de Isabellazaal te Madrid zijn Perseus en Andromeda aanschouwt, tusschen de werken der grootste koloristen ..., dan overstraalt de glans zijner naakte heldin aller licht en kleur, 2, 172. Was er geen schilder tusschen de zoons of schoonzoons, dan moesten zij (t.w. Rubens’ teekeningen) verkocht en de prijs gedeeld worden, 2, 180. Het overige werd bij gelijke kavels tusschen al de kinderen gedeeld, Ald. Toen alle onkosten betaald waren, bleef er nog 244,426 gulden te verdeelen tusschen de kinderen, uit zijne twee huwelijken gesproten, 2, 182. Daar er zich tusschen Rubens’ zonen of schoonzonen ... geen kunstenaar bevond, werden zijne teekeningen waarschijnlijk ook in 1659 aan den man gebracht, 2, 183 (zie ook 2, 146; 2, 225; 2, 236 en ROOSES in Vl. School 1895, 129b). Onder al deze opzichten mag Vondel groot tusschen de grooten genoemd worden, SEGERS, Vondel1 132. Onze vriend Willem Verkoyen bevindt zich tusschen de genoodigden, SEGERS, Gelukkig 38. De hof krioelt reeds van wandelaars; begeven wij ons tusschen hen, 40. Toen beiden zich tusschen de wandelende menigte bevonden, 41. De uitgenoodigden zouden het met reden de dienstmeid te schande spreken, indien zij ... tusschen hen durfde verschijnen, 44. Te Antwerpen kom ik met vele Duitschers in betrekking. Tusschen hen bevinden zich handelsklerken, verzenders, enz., SEGERS in De Toekomst 34, 228. Ik geef eenige voorbeelden, en kies ze met opzet tusschen die vertalingen, die ik als de beste ... aanzie, CORNETTE in De Toekomst 32, 6. Tusschen zijne talrijke etsen verdienen nog vermeld te worden enz., V. CUYCK in Vl. School 1895, 109b. Indien S. niet met overhaasting had gewerkt, had hij ook ingezien dat er geene evenredigheid bestaat tusschen de verschillende gedeelten van de levensbeschrijvingen, I. WILLEMS in Nederl. Mus. 37, 132.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tussen ‘voorzetsel’ -> Duits dialect tüschen ‘voorzetsel’; Negerhollands tyssen, tuschen, tesǝn ‘behalve, bij, nabij, tot bij’; Berbice-Nederlands tosn ‘voorzetsel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tussen* voorzetsel 1249 [CG I1, 42]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2300. Iemand er tusschen nemen (of hebben),

d.w.z. iemand (te pakken) nemen, hem onder handen nemen; hem in 't ootje nemen (zie no. 1714, ook voor de verklaring). Vgl. Boefje, 47: Vanmiddag hadden ze 'n vent er toch emmes tussche gehad; Zondagsblad van het Volk, 13 Juni 1914 p. 1 k. 3: Jaap begreep, dat-ie er ook nu weer tussen genomen werd; 6 Juni 1914 p. 1 k. 2: En wat had-ie ze d'r nou fijn tussen! Zatte ze d'r effen in! Nkr. II, 22 Maart p. 4: Hij spuwde vuur en vlam daar Schaper een minister er grappig tusschen nam; Jong. 274: Ik zelf ben ook eens aardig te pakken genomen door Van Biene - dat zou je niet aan hem gezegd hebben, maar dat kleine, dikke ventje met z'n strakke gezicht, kon je soms heel leuk er tusschen nemen; Prol. 81: De pastoor die het je d'r weer tusse; Jord. II, 112: Nou zal ik haar vast d'r tusschen nemen; Nw. School II, 72: Als ik met hem klaar ben, ga ik 'es bedenken hoe ik Krebbers, zoo'n soort kameraad van hem, er tusschen kan nemen; Landl. 142 (er tusschen nemen); Zandstr. 45 (er tusschen hebben); Handelsblad, 13 Maart 1913 (ochtendbl.) p. 1: De heele redevoering was gestemd op idealisme. Dit laatste zelfs zoo sterk, dat hij er zijn Britschen collega van financiën vrij scherp tusschen nam om diens materialisme; 15 Dec. 1914 (avondbl.) p. 2 k. 1: Is er maar even een mogelijkheid om zonder gevaar ‘den Duts’ (Duitscher) er tusschen te nemen, dan gaat-ie!; De Nieuwe Amsterdammer, 26 Dec. 1914 p. 11 k. 1: Hij ging naar de ‘zaak’ om ze te bluffen, maar 't gezelschap (van het tooneel) nam 'm er tusschen en gaf hem een open doekje; D.H.L. 38; Nw. School, VI, 97; Groot-Nederland 1914, bl. 395; Nkr. IX, 27 Maart p. 7.

2301. Er niet van tusschen kunnen,

d.w.z. er niet aan kunnen ontkomen; het niet kunnen laten; eig. er niet tusschen uit kunnen komen; vgl. er van tusschen trekken (in Nkr. IV, 25 Dec. p. 4) en er tusschenuit trekken (in Nkr. V, 30 Sept. p. 6). Zie Cam. Obscura19, blz. 164: Zoo even ontving ik de uitnoodiging tot een groot souper bij den heer Van Lemmer, waar ik niet van tusschen kan; Fruin, Geschr. IX, 392: Omdat het nu eens zoo behoort, omdat men er niet van tusschen kan, stelt een bestuur een gemeente-archivaris aan; Onze Eeuw, XIV, 317: Het is altijd bedenkelijk personen en invloeden te bespreken. Ik zal het sober doen. Maar ik kan er niet geheel van tusschen, waar het een partij geldt die zichzelf het monopolie van christelijkheid geeft; vgl. mnl. niet vorebi mogen ere dinc; Taalgids IV, 46; Afrik. jy sal daar nooit verby kom nie; Molema, 153: er niet onder hen (heen) kennen, het niet durven laten; hd. nicht umhin können.

2498. Tusschen twee vuren zitten,

d.i. in eig. zin van twee kanten door den vijand beschoten worden; vandaar bij overdracht: tusschen twee moeilijkheden zitten, die beide even lastig te ontgaan zijn, zoodat men niet weet welke van beide men het hoofd zal bieden; geen uitweg weten, niet weten wat te doen, in tweestrijd zijn; Harreb. II, 427 b; afrik. hy sit tussen twee vure; fr. être entre deux feux, essuyer le feu de l'ennemi de deux côtés à la fois (Hatzf. 1050; ook fig.); hd. zwischen zwei Feuern kommen, einer Gefahr von zwei Seiten her ausgesetzt sein (Borchardt, no. 346); eng. to be between two fires; in Zuid-Nederland tusschen twee vuren zijn, omringd zijn van moeilijkheden (Schuermans, 839 aIn V. Janus III, 66 lezen we: Zooveel begrijp ik er toch van, dat Arlequin een deugniet is, en dat Harmen me gaarn naar zijn hand stellen wou. 't Is recht ongelukkig, dat men zoo tusschen twee vuren in de asch zit! Blijkbaar wordt hier bedoeld tusschen twee vuren zitten en hebben we aan eene vermenging te denken met tusschen twee stoelen in de asch zitten, eene vroeger veelvuldig en thans nog in verschillende talen voorkomende zegswijze, gebruikt van iemand die tusschen twee gevallen niet weet te kiezen en dientengevolge niets uitricht of de gelegenheid verzuimt (Ndl. Wdb. II1, 715; Harreb. I, 21 b; no. 2178); mlat. sedibus in mediis homo sepe resedit in imis. In het Friesch kent men ook twisken twa fjûrren yn 'e yeske sitte, doch in denzelfden zin van twisken t fjûr en de briedpanne sitte, erg in de verlegenheid zitten (W. Dijkstra II, 314 b); syn. tusschen hamer en aanbeeld zitten (Ndl. Wdb. V, 1736); lat. esse inter malleum et incudem.); Waasch Idiot. 711: tusschen twee vieren staan, een moeilijke keus te doen hebben.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

du̯ō(u) ‘zwei’, m. (Satzdoppelform duu̯ōu), du̯ai f. n., daneben du̯ei-, du̯oi-, du̯i-, vgl. die Zusammenfassung bei Brugmann II2 2, 6-82 passim.

1. Ai. m. dváu, dvā́ (ved. auch duváu, duvā́) = av. dva m., ai. f. n. dvḗ (ved. auch duvḗ) = av. baē f. und n. ‘zwei’;
Instr. Dat. Abl. ai. d(u)vā́bhyām (mit geneuertem ā), av. dvaēibya (mit altem i-Diphthong, wie lit. dviẽm usw.), Gen. Sg. ai. d(u)váyoḥ; bei Zusammenrückung ai. d(u)vā-: d(u)vā-daśa ‘12’ (= gr. δώδεκα);
arm. erku ‘zwei’ (= ai. dvā́);
gr. hom. δύ(ϝ)ω (*δϝω in δώ-δεκα), Gen. Dat. ion. att. δυοῖν, woneben unflektiert hom. att. dor. usw. δύ(ϝ)ο (zur Form s. Schwyzer Gr. Gr. I 588 f.; zum Ansatz eines idg. *du̯ō s. Meillet BSL. 21, 273, auf Grund von arm. erko-tasan 12, lat. duŏ-dēnī, ai. dva-ká- ‘je zwei zusammen’, die sich aber nach Zusammensetzungen mit o-Stämmen im ersten Gliede gerichtet haben können, sowie von got. anord. as. ags. afries. wi-t ‘wir zwei’, anord. it, as. ags. git ‘ihr zwei’);
alb. m., düj f. ‘zwei’ (*duu̯ō, bzw. *duu̯ai);
lat. duo (aus *duō), f. duae (Neubildg.), umbr. (nur mit plur. Flexion) dur Nom. m. ‘duo’ (*duōs, *duūr), desen-duf Akk. m. (12), duir ‘duobus’, tuva Akk. n.;
air. dāu, Nom. Akk. m. (= ai. dvāu), vor Subst. (proklitische Form), fem. (= ai. dvḗ), neutr. n- ‘zwei’, acymr. bret. masc. dou, fem. cymr. dwy (usw.); gall. VN Vo-cor-ii, Vo-contii (vgl. Tri-corii) mit *u̯- neben du̯-; vgl. Thurneysen Gr. 182;
got. m. twai, f. twōs, n. twa, anord. tueir m., tuǣr f., tuau n., ags. m., twā f. (= ai. dvḗ); ahd. zwēne m., zwā, zwō f., zwei n. usw. (ahd. zweio ‘zu zweien’ ein Lok. Du. = lit. dvíejau, dvíejaus);
lit. dù m. (aus *dvúo = ai. dvā́), dvì f. (= ai. dvē); lett. divi m. f. (aus *duwi f. n.), apr. dwai m. f.; aksl. dъva m., dъvě f. n.;
toch. A m. wu, f. we, B m. f. wi (Neubildung); vgl. oben gall. vo-; hitt. ta-a-an (tān) ‘zweitens, zweiter’, ta-a-i-u-ga-aš (tāyugaš) ‘zwei Jahre alt’ (: lit. dveigỹs ‘zweijähriges Tier’?).
Über das erste Glied von εἴκοσι, vīgintī usw. (alte Dissimilation aus *du̯ī̆-, *du̯ei-dk̑mtī ??) s. u̯ī-k̑m̥t-ī ‘zwanzig’.
Im Kompositum idg. du̯i- und daraus unter unklaren Bedingungen entwickeltes di- : ai. dvi- (z. B. dvi-pád- ‘zweifüßig’), av. bi- (z. B. bi-māhya- ‘zwei Monate dauernd’), arm. erki (erkeam ‘zweijährig’), gr. δι- (z. B. δίπους; da δίφρος ‘Wagenstuhl, Sessel’ eher δί-, nicht δϝί-φρος war, ist, wenn nicht etwa dissimilatorischer Verlust des ϝ gegen den folgenden Labial φ vorliegt, auch für sonstiges δι- Entstehung aus idg. *du̯i- zu erwägen), alat. dui-, lat. bi- (z. B. dui-dens, bidens; über Formen wie diennium s. WH. I unter biennium, Sommer Hdb.3 223; umbr. di-fue ‘bifidum’ wohl lautgesetzlich aus du̯i-), anord. tve- (auch tvī-, s. u.), ags. twi-, ahd. zwi- (z. B. ags. twi-fēte ‘zweifüßig’, ahd. zwi-houbit ‘zweiköpfig’), lit. dvi- (z. B. dvì-gubas ‘zweifach’, apr. dwi-gubbus).
Ital. du- in lat. du-bius, -plus, -plex, -pondius, -centī, umbr. tuplak Akk. Sg. n. ‘duplex’, du-pursus ‘bipedibus’ ist Neuerung nach dem als du- gefühlten Stamme von duo; ebenso ist du- in umbr. duti ‘iterum’, pāli dutiyam ‘zum zweiten Male’ zu erklären; über lett. du-celes ‘zweiräderiger Wagen’ vgl. Trautmann 125, Mühlenhach-Endzelin I 509, Endzelin Lett. Gr. 358.
Hochstufiges du̯ei- in Kompositis ist zuzugeben fürs Kelt. (z. B. air. dē-riad ‘bigae’, díabul ‘zweifach’, cymr. dwy-flwydd ‘biennis’; air. dïas ‘Zweiheit von Personen’ wohl aus *du̯ei̯o-stho-) und fürs Germ. (z. B. anord. tuī-faldr ‘zweifach’ neben tuēfaldr; got. tweifla-, wohl n., ahd. zwīfal n. neben gr. δι-πλός, lat. duplus).
du̯oi- in ags. getwǣfan, twǣman ‘trennen, schneiden’ < *twaifjan, *twaimjan; vielleicht auch fürs Ar. (av. baēǝrǝzufraθah- ‘zwei Finger breit’, dvaēpa- n. ‘Insel’? oder eher aus du̯ai̯i-, wie wohl ai. dvēdhā ‘zweifach, in zwei Teile’, vgl. dvīpá- ‘Insel’ oben S. 51); vielleicht phryg. GN Δοίας, Gen. -αντος (*du̯oi-n̥t) ‘Zwilling’.
Slav. dvo-, dvu-, dvě- in Kompositis s. Berneker 247.
2. Ordinale: ai. dvitīya-, av. bitya-, dabitya-, apers. duvitiya- ‘zweiter’; u. duti ‘iterum’ (wohl Ersatz für *diti aus *du̯iti̯om nach du-, s. o.); arm. erkir, erkrord ‘zweiter’; alb. i-düte; alles junge Neubildungen.
3. Multiplikativadverb: du̯is ‘zweimal’: ai. dvíḥ (ved. auch duvíḥ), av. biš, gr. δίς, alat. du̯is, lat. bis, mhd. zwir ‘zweimal’ (aber nir. fo-dī = ai. n. dvē, Pedersen KG. I 301, II 127), germ. myth. PN Tuisto ‘Zwitter’;
durch u̯-Formans erweitert av. bižvat̰, anord. tysuar, tuisuar, ahd. zwiro, zwiror (zwiron, zwiront), mit lautlichem ? z-Schwund ags. twiwa, twiga, twia, tuwa, twie, afries. twia, twera, as. twio (zu diesen Formen zuletzt Loewe KZ. 47, 98 - 108, der im Formans an ai. kr̥tvas ‘male’ erinnert);
davon mit Formans -ko- ahd. zwisk, as. twisk ‘zweifach’ (s. u.), wohl auch arm. erkic̣s ‘zweimal’;
mit l-Formans ags. twislian ‘zweiteilen’, twisla ‘Zusammenfluß zweier Ströme’, nhd. Zwiesel ‘Gabelzweig’ (vielleicht enger zu *du̯is in der Bed. ‘entzwei’, s. u.);
mit t-Formans ai. dvitā́ ‘zweifach, doppelt’ (davon dvāitá-m ‘Dualität’), ap. duvitāparnam ‘in zwei Linien’, gthav. daibitā ‘wieder(?)’.
4. Multiplikativa: gr. διπλός, διπλόος, lat. duplus, umbr. dupla ‘duplas’, air. dīabul (*du̯ei-plo-; siehe auch oben got. tweifls), wozu vielleicht av. bifra- n. ‘Vergleich, Ähnlichkeit’ (: Wz. pel- ‘falten’, vgl. mit t-Erweiterung:)
gr. διπλάσιος (*pl̥t-io-), ion. διπλήσιος ‘mit beiden Händen geschwungen’, ahd. zwifalt ds.
Gr. δίπλαξ, lat. duplex, umbr. tuplak n. ‘duplex’ (: Wz. plāk- ‘flach, breit’); von Adv. z.B. duví-dhā, dvē-dhā (wohl *dvai̯i-dhā, da in den ältesten Texten dreisilbig zu lesen) ‘zweifach, in zwei Teile’, womit der Ausgang von air. dēde ‘Zweiheit von Sachen’ zusammenzuhängen scheint, sowie der von and. twēdi ‘halb’, ags. twǣde ‘zwei Drittel’, ahd. zwitaran ‘Mischling’, nhd. Zwitter.
Gr. δίχα ‘zweifach, in zwei Teile geteilt’ (nach hom. διχῃ̃, διχοῦ), woneben (durch Kreuzung mit *δι-θά zu ai. dvídhā) hom. διχθά ‘δίχα’, davon ion. διξός ‘zweifach’ (*διχθι̯ός oder *δικσός), und δισσός, att. διττός ds. (*διχι̯ός, Schwyzer Gr. Gr. I 598, 840); über hitt. dak-ša-an ‘Halbteil’ s. Pedersen Hitt. 141.
Hierher auch alb. degë ‘Zweig, Ast, Gebüsch’ (*du̯oi-ghā);
ahd. zwīg ‘Zweig’ (*du̯ei-gho-), ags. twig ‘Zweig’ (*du̯i-gho-); as. tōg(o), mnd. toch, ahd. zuog(o) ‘Zweig’ sind nach Formen des Kardinales mit twō- umgebildet;
lit. dveigỹs m. ‘zweijähriges Tier’, serb. dvìzāk ‘zweijähriger Widder’, alt dviz ‘zweijährig’ (: hitt. dāyugas, s. oben).
5. Kollektiva: ai. dvayá- ‘doppelt’ (dvayá-m ‘doppeltes Wesen, Falschheit’, nachved. ‘Paar’), Dat. f. dvayyái = hom. ἐν δοιῆι; dvandvám ‘Paar’ (aus ved. duvā́-duvā́ ‘bini’);
gr. hom. δοιώ, δοιοί ‘doppelt, zwei’ (mit Bewahrung des -ι̯- durch Einfluß von *δοῖ[ϝ]ιν), ἐν δοιῃ̃ ‘im Zweifel’ (ir. dīas aus *duei̯o-stho-?);
got. Gen. Pl. twaddjē (vgl. mit anderer Endung ai. Gen. Dual dváyos, lit. Gen. dviejų̃), anord. tueggia, ahd. zweiio, ags. m. twǣgen, f. twā, n. ‘zwei’ (s. darüber Sievers-Brunner 264), Nom. Akk. Pl. ahd. zwei (*du̯ei̯ā), woneben aus idg. *du̯ei̯o- ahd. mhd. zwī, g. zwīes m.n. ‘Zweig’ (der n-St. anord. tȳja ‘Zweifel’ vermutlich aus Nom. *tvīja, Gen. tȳju ausgeglichen);
bsl. du̯ei̯a- und duu̯ai̯a- in lit. dvejì, f. dvẽjos ‘zwei’ (das substantivische n. Sg. in dvẽja tíek ‘zweimal soviel’);
aksl. d(ъ)voji Adj. ‘zweifach, zwei’, d(ъ)voje n. Subst. ‘zwei Dinge’ (davon Ableitungen wie russ. dvojnój ‘doppelt’, dvójni ‘Zwillinge’, dvójka ‘Paar’, dvojník ‘zweidrähtiger Faden’, dvoítь ‘in zwei Teile teilen, zwei Fäden zu einem zusammendrehen’, usw., s. Berneker 247).
Mit -no- (z. T. auf Grund von du̯is):
arm. krkin ‘doppelt’ aus *(r)ki-rki-no-, idg. *du̯i-du̯is-no- (?) (L. Mariès REtIE. 1, 445);
lat. bīnī ‘je zwei’ (distributiv) und ‘zwei’ (kollektiv) aus *du̯is-no- (= germ. *twiz-na-);
germ. *twi-na- in ahd. zwinal, zwenel ‘gemellus’, zwiniling m., mhd. zwinilīn n. ‘Zwilling’, *twai-na- in as. twēne ‘zwei’, ahd. zwēne ds. (mit ē statt ei nach *zwē = got. twai, das es ersetzt hat), ahd. zwein-zug, as. twēn-tig, ags. twēn-tig ‘20’ (‘Doppelzehn’); germ. *twiz-na- in anord. tvennr, tvinnr ‘zweifach’, Pl. tvenner ‘zwei zusammengehörige’ (tvinna ‘verdoppeln’), ahd. zwirnēn, -ōn ‘zweifach zusammendrehen’, mhd. zwirn, mnd. twern ‘doppelt zusammengedrehter Faden’ wohl = ags. twīn, holl. twijn ‘Zwirn, Leinen’ (ags. getwinne ‘bini’, getwinnas ‘Zwillinge’ ist dann auf *twi-nja- zurückzuführen). Daneben auf Grund eines *twīha-, idg. *du̯ei-ko-, got. tweihnai ‘zwei’, ags. Dat. twēonum, betwēonum, engl. between ‘zwischen’;
lit. m. Pl. dvynaĩ, russ. dvójni ‘Zwillinge’.
Mit -ko-:
ai. dviká- ‘aus zweien bestehend, zweifach’ (dvaká- ‘paarweise’ verbunden nach ēkaká-);
ahd. zwe(h)o, as. twe(h)o, ags. twēo m. ‘Zweifel’, ags. be-twih, -tweoh ‘zwischen’, mid unctwīh ‘zwischen uns beiden’ (vgl. oben got. tweih-nai);
von du̯is- aus: ahd. zwisk, as. twisk ‘zweifach’, Pl. ‘beide’ Dat. Pl. ahd. (undar, en) zwiskēn, nhd. zwischen; dazu ags. getwisa m., as. gitwiso, mhd. zwiselinc ‘Zwilling’.
Mit du̯is- ‘zweimal’ identisch ist du̯is- ‘entzwei, auseinander’ in got. twisstandan ‘sichtrennen’ und den Ableitungen anord. tvistra ‘trennen’, mnd. afries. twist, mhd. zwist ‘Zwist (Entzweiung)’ und mengl. twist = anord. kvistr ‘Zweig’ (wie auch bair. zwist), ferner anord. kvīsl f. ‘gespaltener Zweig oder Werkzeug, Arm eines Flusses’ (dies mit idg. ei); ferner anord. tvis-var ‘zweimal’, tvistr ‘zwiespaltig, traurig’ (= ai. dviṣ̌ṭha- ‘zweideutig’, gr. *διστος in διστάζω ‘zweifle’, idg. *du̯i(s)-sto- : Wz. stā-, allenfalls du̯is-to- mit formantischem -to-), ags. twisla ‘Arm eines Flusses’, twislian ‘zweiteilen’, ahd. zwisila, nhd. Zwiesel ‘gabelförmiger Gegenstand, Zweig’, mhd. zwisel ‘doppelt’; hierher sehr wahrscheinlich ar. dviṣ- ‘hassen’ (s. unter *du̯ei- ‘fürchten’).
6. Idg. Nebenform dis- in lat. dis-, as. afries. te-, ti-, ags. te-, ahd. zi-, ze- (jünger zir- durch Verquickung von zi- und ir-) ‘zer-’, got. dis- ‘auseinander’ (wohl aus dem Lat. entlehnt, kaum vortonig aus *tis- = lat. dis-), alb. tsh- z. B. in tshk’ep ‘auftrennen’, gr. διά (d. i. nach μετά usw. aufgefülltes *δι[σ]ά), z. B. δια-σχίζω : lat. discindo, ‘durch’ (‘*mitten entzwei’), als Präf. auch ‘durch und durch’ = ‘sehr’ (äol. ζα-).

WP. I 817 ff., WH. I 104 ff., 354 f., 381 ff., 860, 861, Feist 484 ff., Trautmann 64, Schwyzer Gr. Gr. I 588 f., Wackernagel-Debrunner Ai. Gr. Ill, 342 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal