Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

turf - (veen als brandstof)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

turf zn. ‘brandstof uit veen’
Onl. turf als glosse in bitumen, quod turvas vocant et ad instar ligni aridi ardet ‘brandstof die men turf noemt en die even goed brandt als droog hout’ [1126; ONW]; mnl. torve ‘turf, stuk turf’ in mach deluen ... .ccc. telvoeder torue ‘mag 300 karrenvrachten turf delven’ [1270; VMNW], donghelt van den toruen & van den fasselen & van den colen ‘accijns op turven, bundels brandhout en kolen’ [1288-1301; VMNW], ‘aardkluit’ in mit toerve mit twighen ‘met kluit en takken (met alles erop en eraan)’ [1336; MNW], ghelijc den stroome, die torve vore hem neder drijft ‘als de stroom, die aardkluiten voor zich uit stuwt’ [1340-60; MNW], een turf ‘een stuk turf’ [ca. 1483; MNW].
Os. turf (mnd. turf, torf, vanwaar nhd. Torf); ohd. zurf, zurba; ofri. turf (nfri. turf < nl.); oe. turf (ne. turf, plaatselijk ‘turf’, maar algemeen ‘graszode, grasmat, paardenrenbaan’); on. torf(a) (nzw. torv); alle oorspr. ‘turf’ en/of ‘graszode’, < pgm. *turfa-. Een Frankische vorm *turba is ontleend als Frans tourbe ‘turf’ en via het Frans ook in de andere Romaanse talen terechtgekomen. Vanuit het Duits en/of een Scandinavische taal is het woord in de betekenis ‘turf’ ontleend in de meeste Slavische talen, bijv. Russisch Torf.
Wrsch. verwant met Russisch derbá ‘braakland, grasland’. Verdere herkomst onduidelijk. Traditioneel wordt het woord verbonden met Sanskrit darbha- ‘bundel gras’, maar dat wordt door Mayrhofer (1986) als onzeker beschouwd. Andere woorden die men ter vergelijking aanvoert, zoals Russisch dórob ‘mand, korf’, horen bij de wortel pie. *derbh- ‘draaien’ (IEW 211). Semantisch nauw verwant is Proto-Slavisch dĭrnŭ ‘graszode’ (o.a. Russisch dërn, Tsjechisch drn). Men veronderstelt daarom wel afleiding van een wortel pie. *der- ‘scheuren, barsten’ (LIV 119, zie → teren), maar dat is zeer speculatief.
Hoewel in het Nederlands ‘turf als brandstof’ de vroegst gevonden betekenis is, is de oorspr. betekenis op grond van de andere Oudgermaanse talen wrsch. ‘zode’, in het Nederlands specifiek ‘zode brandbare aarde, veen’.
turven (NN) ww. ‘turf steken; tellen met streepjes’. Mnl. torfven ‘turf steken’ [ca. 1483; MNW]; vnnl. nyet moghen turfven of eenighe turff uyte heerlicheit voeren ‘niet mogen turfsteken of enige turf uit de heerlijkheid voeren’ [1536; MNW], turven ‘turf stapelen’ [1619; iWNT]; nnl. turven ‘tellen d.m.v. het schrijven van streepjes in groepjes van vijf, eerst vier verticale, dan een dwarsstreep erdoorheen’ in het turven en het tellen [1911; iWNT]. Afleiding van turf. De 20e-eeuwse betekenis is wrsch. ontstaan doordat men bij het tellen van een voorraad turf op deze manier streepjes zette.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

turf1* [veen als brandstof] {torf, turf [graszode, aardkluit, turf] 1270} oudsaksisch, oudfries, oudengels turf, nederduits torf, oudhoogduits zurf(t), oudnoors torf; buiten het germ. oudindisch darbha- [graspol], welsh tywarchen [turf]; van een i.-e. stam die ‘iets dat afgescheurd is, graszode’ betekent.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

turf znw., mnl. torf, turf m. ‘turf, zode, grasveld’, onfrank., turf m., os. turf, mnd. torf, turf (> nhd. torf), ohd. zurf, zurba v. ‘zode, plag’, ofri. turf m. ‘zode, plag, turf’, oe. turf ‘zode, grasmat’ (ne. turf, maar schots ‘turf’), on. torf o. ‘zode, turf’, torfa v. ‘zode, behaard vel’. — oi. darbhá- ‘bosje gras, grassoort’, dṛbhati ‘knoopt, vlecht samen’, witruss. dorob ‘korf’ (IEW 212).

Er is geen aanleiding een idg. wt. *derbh ‘winden, samendraaien’ aan te nemen en nog minder uit te gaan van ‘afgestoken plag’ en dan te verbinden met serv. dṛpam, dṛpati ‘rukken, scheuren’, abl. gr. drépō ‘afbreken, afsnijden, plukken’ (FW 714), waar echter terecht op verband met teren 1 gewezen wordt. Maar wij moeten dan uitgaan van de terminologie van het bosbedrijf en overwegen, dat men oudtijds daartoe vooral het open loofhout bos koos, waarin dus stukken (min of meer venig) grasland lagen. De oudste bet. van turf is klaarblijkelijk ‘graszode’, die afgestoken werd o.a. voor onderlaag van de stal. Eerst later zal men tot het afsteken van de daaronder liggende veenlaag zijn overgegaan, om dit als brandstof te gebruiken. — Voor de verdeling van de vormen torf en turf zie K. Heeroma, Holl. Dial. Stud. 1935, kaart 13: voor 1500 heerst turf in Holland, Zeeland en het Gooi; sindsdien is de vorm torf steeds meer teruggedrongen. — Naast het uit het nhd. overgenomen russ. pools torf komt ook russ. dial. turf voor, dat uit het nl. ontleend zal zijn, daar de Russen het turf maken van de Hollanders geleerd hebben (vgl. R. v. d. Meulen Ts 29, 1910, 260).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

turf znw., mnl. torf, turf m. “turf, zode, grasveld”. = ohd. zurf (m.?), zurba v. “zode, plag”, os. turf m. “id.” (nhd. torf “turf” uit ’t Ndd.), ofri. turf m. “id., turf”, ags. turf v. “zode, grasbodem” (eng. turf; in ’t Schotsch = “turf”), on. torf o. “zoden, veen, turf” (collectivum), torfa v. “zode, stuk aarde, vel met haren”. Uit het Germ. fr. tourbe “turf, veen”. Gew. combineert men ohd. zerben “zich wenden, zich omkeeren”, ags. tearflian “zich wentelen”, wruss. doróbˊicˊ “krommen, buigen”, lit. darbas in palmischki darbai “vlechtwerk van loof”, oi. darbhá- “bosje gras, een soort gras”, dṛbháti “hij vlecht, windt, knoopt”. Veeleer echter beteekende turf oorspr. “afgestoken, afgesneden plag”, ’t is dan met serv. dr̂pâm, dŕpati “rukken, scheuren” (oerslav. *dĭrp-) verwant; met ablaut: gr. drépō “ik breek af, snijd af, pluk”, serv. drâpâm, drâpljêm, drápati “verscheuren, krassen”, slov. drápa “lap”; idg. derē̆p- is een verlenging van der- (zie teren I). Ook kunnen we turf en russ. derbá “gerooid land” van een uit der- verlengde basis derebh- afleiden; russ. derbá is wsch. ten onrechte bij ags. tearflian enz. gebracht.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

turf 1 m. (brandstof), Mnl., Os. id. + Ndd. torf (hieruit Hgd. id.), Ohd. zurba, Ags. turf (Eng. id.), On. torfa = zode + Skr. darbhas = grasbundel. Uit het Germ. komt Fr. tourbe.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

turf s.nw.
1. Gedroogde grond as brandstof gebruik. 2. Grondtipe.
Uit Ndl. turf (al Mnl. in bet. 1, 1707 in bet. 2).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1929), ook in die samestelling turfgrond (1951).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Turf bet. oorspr. gras, gedroogd gras, verwant met ’t Skr. darbha = graspluim.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

turf ‘veen als brandstof’ -> Fries turf ‘veen als brandstof’; Frans tourbe ‘veen’ Frankisch; Italiaans torba ‘veen als brandstof’; Russisch torf ‘veen als brandstof’; Oekraïens torf ‘veen als brandstof’ ; Grieks turfè ‘veen als brandstof’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

turf* veen als brandstof 1200 [Rey]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2338. Die in het veen zit, ziet op geen turfje,

of ook 't komt op een turfje niet aan, als men in 't veen is, d.w.z. die overvloed heeft, kan wel iets missen; de winnende hand is mild. In de 16de eeuw bij Servilius, 236: ten steect op eenen torf niet, als men in het venne is; Sart. III, 4, 15: tsteckt niet op een turf, als men int veen is, cui rei cuiuspiam largior adest copia, ea profusius utitur; Smetius, 154; 246; De Brune, 142:

 't En steect niet op een turf ghewis,

 Alst kermis in de venen is.Zie verder Tuinman I, 167; Sewel, 802; Harreb. II, 348 b en Suringar, Erasmus, CCL; in het fri.: it komt yn 't fean op gjin turf oan; vgl. het lat. pipere qui abundat oleribus miscet piper (Harreb. II, 171 a); gri. οιος, εχει πολυν ελαδιν, βανει και εις τα λαχανα; hd. wer im Rohre sitzt hat gut Pfeifen schneiden.

118. Asch is verbrande turf.

Dit zegt men tot iemand, die allerlei onderstellingen uitspreekt in volzinnen, die beginnen met als (uitgesproken as), om hem het ijdele en nietswaardige daarvan te doen gevoelen. Vgl. Smetius, 227: As, en is gheen vier. Vgl. Seiler, 176 vlgg.; 425. In Zuid-Nederland gebruikt men hiervoor, volgens Schuermans 116: Asch is verbrand houtZie ook Antw. Idiot. 167 en Draaijer, 3. of asch is verbrand hout en kolen is vonkhout (Joos, 197). Analoge spreekwijzen zijn er vele, o.a. Assen ligt in Drenthe; asch ligt aan den haard (Harrebomée I, 22); as de lucht invalt, zijn al de veugels gevangen of dood (Teirl. 85); als de hemel valt hebben we allemaal een blauwe muts (Harrebomée I, 302); as komt in de meulen te pas (Taalgids IV, 248; Bergsma, Dr. W. 22); fri. as de mounle gjin as hied, koed er net meale (als de molen geen as had, kon hij niet malen); as de as breekt, dan valt de kar (Land v. Waas). Aan iemand, die och! zegt, als uitroep van ontevredenheid en wrevel antwoordt men: Og was de koning van Basan (Zeeman, bl. 394; Laurillard, bl. 35); en aan hem, die verklaart: ik docht dat het zoo was: je dochters bennen hoeren (volgens Zeeman, bl. 394; hd. Dachte sind keine Lichte) of je dochters loopen in Amsterdam met visch te koop (Harreb. III, 9); in N.-Brab. dochters zijn geen zoons. Zegt iemand: ik meende 't zoo, dan krijgt hij ten antwoord: Meenen ligt dicht bij Kortrijk of Meenen ligt in Vlaanderen (Harrebomée II, 71 en Taalgids V, 156); ook Mijnen ligt op Drente of Mijnen het zoo mennig old wief bedrogen (Taalgids V, 156); Meenen is nen bedregert, nd. Meener is een Bedreeger. Aan hem die zegt ik wou wel dat, enz. antwoordt men: Wouw ligt een uur achter Roozendaal of wouwen vliegen hoog of zijn kuikendieven; en tot dengene, die tot spoed aanspoort door gauw! gauw! te roepen: Gauw ligt dicht bij Sneek, fri. Gau leyt tichte by Snits. Op het verzoek wacht nou effe antwoordt men in de Bommelerwaard: der is mer één effe in 't a b c (V.d. Water, 72). Vraagt men iemand, wiens woorden men niet goed verstaan heeft, watte? dan luidt het antwoord 't Is geen watte, maar wolle of watte verkoopt men in den winkel (Taalgids VII, 211), watte is tusschenvoering, watte zwarte katte(n) of watten verkoopt de apotheker of in Twenthe: watte is 'n endegatte (= eendenaars); in Hageland: watte! een schotel patatte voor uw tong te lappe! (Claes, 280); op de woorden na den eten volgt het antwoord: na de neten komen de luizen. Zegt men in Antwerpen iets noo (= noode) te doen, dan luidt het antwoord: Noo (Noë) was ook 'ne grooten heilige, Noo heeft negenhonderd jaar geleefd en gèren (gaarne); in het Land v. Waas, wanneer men beweert: 't schol (scheelde) niet veel: ja, maar schol is visch (Waasch Idiot. 578 a); aan iemand, die beweert dat het vroeger ‘beter was’ geeft men ten antwoord: was (bijenwas) is altijd beter, al regende het honing! Op de aansporing Kom nou! volgt het antwoord nauw is niet wijd en lastig op zijn tijd en op de bewering 't Kan me niet schelen - Schelen zijn de mooiste niet. Zie ook nog het art. Lieverkoekjes.

In het Limburgsch kent men: es is een krom letter, en in het Nederduitsch de volgende zegswijzen: Wennik is een Underrok; wenn de Hemmel infallt, so krige wi enen groten Kikenkorf; wenn de Bukke nu lammeden, so gingen de Schape güst, als antwoord aan iemand, die met allerlei vreemde veronderstellingen voor den dag komt (Taalgids IV, 248). In Groenloo geeft men iemand die ‘nee’ zegt, ten antwoord: Nee (d.i. Neede) is hier twee uren vandaan; in de Zaanstreek: hij zit in het zel-schuitje of hij gaat (rijdt) altijd met den zel-wagen van iemand die altijd zegt: ik zal dat doen, maar die beloften niet nakomt (Boekenoogen, 1253); in Deventer: motten bint varkens, woordspeling met moeten (Draaijer, 26). Ten slotte mogen nog de Friesche gezegden volgen: as alle assen ien as wieren, hwet scoe dat in greate as wêze, en as alle wetters ien wetter wieren, hwet scoe dat in great wetter wêze, en as dy greate as den yn dat greate wetter foel, hwet scoe dat in greate plof jaen, d.w.z. waren alle assen één as en alle waters één water, wat zou dat een groote as en een groot water zijn, en wanneer die groote as dan in dat groote water viel, wat zou dat een groote plof geven (W. Dijkstra, bl. 284). Wiltsje (een mansnaam) stiet efter de deur, tot iemand die zegt ik wil niet, en Wier leit tichte by Beltsum, woordspeling met waar. Zegt iemand ik kin net, dan antwoordt men: lit it kin mar hingje, en doch (doe) 't mei de hannen, wat te vergelijken is met het Antw. zet de kan weg en neem de stoop, en het Bommelerwaardsche zet de kan neer en vat de leer (V.d. Water, 92) als antwoord op: ik kan niet.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut