Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tuk - (begerig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tuk 1 bn. ‘begerig’
Vnnl. tuck op ‘begerig naar, belust op, dol op’ in toovergheesten tuck op kruyden en venynen ‘... vergiften’ [1613; iWNT], tuckt op Moorden en vernielen (met onverklaarde -t) [1610-19; iWNT]. Eerder al als zn.: mnl. dese tuck oft trec ‘deze begeerte of trek’ [ca. 1475; iWNT], Uwen tuk op schelmeryen ‘uw begeerte naar schurkenstreken’ [1650; iWNT].
Ontstaan uit het predicatief gebruikte zn. tuk ‘begeerte’. Dit zn. had nog diverse andere betekenissen, waarvan o.a. ‘streek, list’ en ‘ruk, stoot’ al Middelnederlands zijn. Het woord is een afleiding van mnl. en vnnl. tucken ‘naar zich toetrekken, rukken’ (in diverse betekenissen, nu nog als West-Vlaams tokken, tukken ‘stoten’ en zie → tokkelen), een intensiefvorming bij mnl. tien ‘trekken’, zie → tijgen. De betekenis van mnl./vnnl. tuck ‘begeerte’ is dus vergelijkbaar met de betekenis van → trek ‘begeerte, verlangen’.
Bij mnl. tucken, tocken: mnd. tucken, tocken ‘snel trekken, rukken; stuiptrekken’; ohd. zucken ‘rukken, snel trekken’ (nhd. zucken ‘stuiptrekken’, zücken ‘tevoorschijn halen’, verzücken ‘verrukken, in vervoering brengen’, entzückend ‘verrukkelijk’); ofri. tetzia ‘zich toe-eigenen, nemen’, nfri. tûkje ‘prikkelen, tintelen’; oe. tucian ‘pijnigen’ (maar me. tucken, ne. tuck ‘samentrekken, intrekken, plooien’ is ontleend aan het mnd.); < pgm. *tukk-jan-, *tukkōn-, intensiefvormingen bij het sterke werkwoord *teuhan- ‘trekken’.
Als bn. komt het woord vrijwel alleen voor in de vaste combinatie tuk op.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tuk3* [geslepen, begerig] {1611-1620} vgl. middelnederlands tuc(k) [rakelings], middelhoogduits tuc(k) [snelle beweging, gemene streek, arglist], hoogduits Tücke (mv.) [arglist, geniepigheid] (vgl. tuk1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tuk 2 bnw. ‘afgericht op; begerig naar’ is een vrij jong woord. Verwante woorden zijn Gron. tuk ‘mak’ en toek ‘loos, listig, verstandig, scherp’, noordholl. tuik ‘glad, slim’, fri. tūk ‘schrander, vaardig, bekwaam, afgericht op’ (W. de Vries Ts 41, 1922, 198), die alle wel zullen behoren bij de groep van tokkelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tuk I bnw., nog niet bij Kil. Als ’t een oud woord is, uit idg. *duq-nó- (-nu-, -nio-?) “getrokken (naar iets toe)”, van idg. duq- (zie teug). Hierbij fri. tûk “schrander, bekwaam”?

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tuk I bnw. Gron. toek (= fri. tûk) heeft ook de bet. ‘begerig’, wat voor verwantschap van deze woorden met tuk I kan pleiten. Intussen kan dit laatste ook een jong woord zijn = tuk II, b.v. uit een verbinding met een voorzetsel losgemaakt (wvla. tuk o.a. = ‘begeerte’) of wel = de stam van mnl. tucken.
Voor de eventuele grondvorm idg. *duq-nó- zie bij bakken Suppl. 1e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tuk m. en bijv., in alle bet. hetz. woord, Mnl. tuc + Mhd. tuc (Nhd. tuck en tücke): onomat. (z. tik en tokken). De ontwikkeling der bet. is: slag, snelle beweging, behendige streek, enz.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

tuk III mak (Groningen). Wschl. = nl. tuk ‘begerig’. Abl. ~ nholl. tuik ‘slim’, fri. toek ‘schrander, afgericht’. ~ mnl. tucken ‘trekken’ en tukken ↑ ‘toeven’.
NEW 754.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Tuk (begeerig) bet. oorspr. trek, stoot (zie Toets): de visch trekt aan het aas, en de dobber tokt, tukt. „De visch is tuk”, d.i. tukkende (feitelijk trekkende), waaruit het begrip begeerig naar ontstond: tuk op buit. Een bijvorm van tokken is tikken = zachtjes slaan. Zie ook Tokkelen.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2297. Tuk zijn op iets,

d.w.z. begeerig zijn naar iets, heet zijn op iets, 17de eeuw grif zijn op iets. Het bijv. naamw. tuk behoort bij den stam van het mnl. wkw. tucken, tocken (hd. zücken, zucken), trekken, rukken (vgl. tokkelen en Molema, 427 a; V.v.d.D. 156: Tuk! daar had Wim 't slot er al uit), westvl. tukken, stooten, en bet. waarschijnlijk eig. naar iets toe getrokken en vervolgens trek hebben aan ietsTaal- en Letterb. V, 223; Franck-v. Wijk, 713., begeerig, verlangend, gretig zijn. Vgl. mnd. tucken na, unruhig streben nach; 17de eeuw tokken, gretig toehappen (De Jager, Frequ. I, 777); Vondel II, 708: Dit vernuft, dat tuck had ingedroncken d' Atheensche wetenschap; Hecuba, vs. 38: Tuck op schelmeryen; Brederoo III, 18, vs. 33: De loose Luypart, tuck(t) op Moorden en vernielen, die volght u als een Hondt sachtmoedich aen de hielen; Halma, 654: Tuk op moord, avide de meurtre; Sewel, 802: Tuk op roof, hot upon prey; C. Wildsch. III, 151: Het is in uwe sexe eene prijslijke hebbelijkheid tuk te zijn op wetenschappen; Nkr. IX, 10 Juli p. 3: Enk'le menschen tuk op nieuws kwamen haastig aangeloopen; enz. Het Friesch kent tûk yn, ervaren in (vgl. Gron. toek, loos, listig, verstandig, scherp), dat herinnert aan Vondel, Lucifer, 652: Ghy zyt een meester, tuck (geslepenW. de Vries gaat in Tijdschr. XLI, 198 uit van een wortel tuk, in de beteekenis ‘stekend’, ‘scherp’ en wijst op fri. tûkje, prikkelen van een wond; tûk(e), werktuig om te steken; gron. toek, loos, listig, verstandig, scherp; Noordh. tuik, slim.) om geesten in te luien. Tegenwoordig kent men in Zuid-Nederland nog een znw. ‘tuk’ in den zin van ‘trek, tocht, begeerte, lust naar iets’ en zegt men aldaar: ‘tuk hebben voor de studie’; ‘de zieke begint tuk te krijgen achter 't eten’, enz.; De Bo, 1197. Vgl. ook de dial. uitdr.: in iets geen haal hebben; fri. gjin hael habbe, geen genoegen hebben. Tot denzelfden wortel behoort het znw. tuk (tok) in de uitdr. tok geven, aan den dobber trekken (v.d. visch) en tuk (of tok) hebben, beet hebben bij 't visschen (ook overdr.), ‘hoek’, ‘leven’ hebben; vgl. Opr. Haarl. Cour. 12 Sept. 1923 p. 3 k. 4: Iemand, die gistermorgen in het Merwedekanaal in de buurt van de Jutphaaschebrug te Utrecht zat te visschen, voelde plotseling dat hij op zeer wonderlijke wijze ‘tuk’ had; De Padvinder, 1913 kol. 98: Heb je tuk, ruik je lont, geef bericht dan terstond; syn. is nop of noppes hebben, welk nop verwant is met nopen of noppen, stooten (Ndl. Wdb. VI, 2156). Iemand tuk nemen, iemand ‘beet’ hebben, er in laten loopen; iemand tuk hebben, er in hebben laten loopen (V. Ginneken II, 464).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut