Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tuk - (stoot; streek; dutje; beet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tuk 2 zn. ‘dutje’
Nnl. tokje, tukje ‘kort slaapje, dutje’ in een goed tokje in de wiegende Sleden doen [1779; iWNT], nam ook een tukje in den stoel ‘deed ook een dutje in de stoel’ [1789; iWNT], zonder verkleinigsuffix: tuk ‘flinke (poos) slaap’ in één goeden tuk achter één slapen ‘een flinke poos ononderbroken slapen’ [1834; iWNT].
Hetzelfde woord als het onder → tuk 1 besproken zn. tuk, waarvan de oorspronkelijke betekenis ‘ruk’ is. Vergelijk het West-Vlaamse synoniem truk ‘dutje’. De betekenisverschuiving is dan vergelijkbaar met die van Engels nap ‘dutje’, van nap ‘grissen’ en ‘dutten’. Het citaat uit 1834 suggereert eenzelfde betekenisuitbreiding als bij ruk in aan één ruk door ‘zonder onderbrekingen’, maar in tegenstelling tot ruk heeft tuk alleen betrekking op slaap.
tukken ww. ‘een dutje doen’. Nnl. D. mag geen oogenblikske tukken [1861; iWNT]. Afleiding van tuk.

tuk 3 zn. (NN) ‘beet’
Nnl. Bespeurt hij dan een' tuk - Flap! een baars met éénen ruk [1808; iWNT], Ik heb tuk ‘ik heb beet’ [ca. 1900; iWNT], tuk hebben ‘beet hebben’ in Hebbe we die effe tuk? ‘hebben we die even goed voor de gek gehouden?’ [1928; iWNT].
Hetzelfde woord als het onder → tuk 1 besproken zn. tuk in de oorspronkelijke betekenis ‘ruk, forse trek’. Het woord sluit aan bij (v)nnl. tokken, tukken ‘een ruk aan de dobber geven’ zoals in Het curc drijft opt water, tot datter tockende een aencleeft ‘... totdat er al rukkende een (visje) aan vastzit’ [1561; iWNT tokken].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tuk1* [stoot, list] {tuc(k) [forse ruk of stoot, geestesvervoering, streek, list] 1272-1291} vgl. middelnederlands tucken [fors trekken, optrekken naar hoger sfeer], tocken [snel een uitval doen en weer terugtrekken], tuch [ruk], middelhoogduits zuc; van dezelfde stam als tijgen (vgl. tokkelen). De uitdrukking ergens tuk op zijn [begerig zijn naar iets] hoort bij middelnederlands tucken [trekken, rukken] → tokken.

tuk2* [dutje] {tokje 1779, tukje 1840} hetzelfde woord als tuk1; vgl. voor de betekenis ruk, dat mede ‘een zekere afstand’ en (dial.) ‘een poosje’ betekent. De uitdrukking een tukje doen hoort bij tukken in de betekenis ‘talmen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tuk 1 znw. m., ‘stoot, snelle beweging; slinkse streek; inborst; vrij lange tijd (van slapen)’, mnl. tuc ‘beweging, stoot, streek, list’, mnd. tuk, mhd. zuc ook ‘manier van doen’; behoort bij het onder tokkelen genoemde ww. mnl. tucken.

De woorden tukje ‘slaapje’ en tukken ‘slapen’ duiden dus op de tijdsduur van de slaap hoewel ook meespelen kan de gedachte aan ‘een goede trek aan slaap doen’, vgl. zuidnl. een trek(sken) doen ‘een dutje doen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tuk II znw. Mnl. komt al tuc (ck) m. “*beweging, *stoot, streek, list” voor, = mhd. zuc (ck) m. “id., manier van doen”, mnd. tuk (ck) m. “id.”. Bij mnl. tucken enz. (zie tokkelen). Tuk(je) “dutje” (ook fri. tukje o.), waarbij tukken “dutten” (nog niet bij Kil.) is ’t zelfde woord; vgl. fri. knip(per)ke o. “middagdutje”, zuidndl. een trek(sken) doen “een dutje doen”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tukje o., van dial. tukken, tukkebollen, afgel. van tuk, wegens de tukken van het hoofd van hem die zittend slaapt.

tuk m. en bijv., in alle bet. hetz. woord, Mnl. tuc + Mhd. tuc (Nhd. tuck en tücke): onomat. (z. tik en tokken). De ontwikkeling der bet. is: slag, snelle beweging, behendige streek, enz.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

tuke, zn.: gril. D. Tücke ‘list, kuur, nuk, gril’, Mhd. tücke, tucke ‘handelwijze, list’. Mnl. tuc, tucke ‘trek, stoot; streek, list’, Mhd. tuc, duc ‘slag, stoot, snelle beweging, gewoonte, listige streek, list’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

tuk, zn.: trek, ruk; karaktertrek, afstamming, afkomst, aard, soort. Mnl. tuc, tuck(e) ‘trek, ruk; streek’, Vnnl. tuck ‘list’ (Kiliaan). 1776 tuck ‘inborst, geneigdheid’, Meierij (Heeroma). Vgl. D. Tücke ‘streek, nuk’. Zie tukken.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

tuk (E, G), zn. m.: dutje, korte of lichte slaap. Meestal dim. tukske. Mnl. tuc 'trek, stoot', verbaalstam van Mnl. tiën 'trekken'. Vgl. trok. Zie tukken.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

tuk I broekzak (Overijssel, Gelderland). Een pas sinds 1782 geattesteerd woord, mogelijk = tuk II ↑. Betekenisontwikkeling: ‘trek’ › ‘snelle beweging’ › ‘oneerlijke daad’ metonymisch › ‘geheimzinnige plaats, i.c. broekzak’.
WNT XVII 4000-4007, Kluge 795.

tuk II karaktertrek, afstamming (Brabant). = mhgd. tuc ‘snelle beweging’ = hgd. tücke (formeel uit het mv.) ‘arglist’. Afl. bij een heterofoon van hgd. zucken ‘trekken’, een intensivum bij hgd. ziehen ‘trekken’ (~ getogen, tuig). Vgl. voor de betekenis het woord karaktertrek.
TT XXXVIII 89, WBD 331.

tuken grillen (Heerlen). Meervoud van hgd. tücke ‘list’. ~ nholl. tuik ‘slim’, gron. toek ‘listig’, gron. tuk ‘mak’, nl. tuk (op iets), fri. tûk ‘schrander’, ~ mnl. tuc ‘beweging, streek, list’, ~ mhgd. tuc (snelle beweging). ~ tokelen ↑.
Jongeneel 64, NEW 754, Kluge 1975, 795.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

tuk, zn. m.: dutje, korte of lichte slaap; harde stoot; trek, zin, lust. Mnl. tuc ‘trek, stoot’, verbaalstam van Mnl. tien ‘trekken’, D. ziehen. Vgl. truk.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Tukje (Een) doen, een slaapje doen, van dial. tukken, tukkebollen (vgl. knikkebollen), eig. knikken met het hoofd, misschien klanknabootsend, als tikken, tokken en in tiktak. Tuk op iets zijn, zou ontstaan moeten zijn uit de bet. een snelle beweging, die weer ontstaan kan zijn uit die van een klanknabootsing (verg. ergens op afvliegen, ergens fel op zijn, ergens op uit snorren enz.).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tuk* dutje 1779 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

524. Een dutje doen,

d.w.z. een lichten, korten slaap nemen; even slapen. Dutje is eene afleiding van het wkw. dutten, dat suffen, mijmeren beteekent; vgl. mnl. doten, dutten, razen, woeden; Kil. doten, dutten, delirare, desipere,; mnd. vordutten, in verwarring, buiten bezinning geraken of brengen; eng. to dote, suffen; nijsl. dotta, knikkebollen. Het znw. dut in den zin van slaap, sluimering is in de 17de eeuw gewoon (Kiliaen vertaalt het door delirium); vgl. Camphuysen, Ps. 3, vs. 7:

Slapen met een lust
En wederom ontwaken
Ontleegt van allen dut.

Synoniem is de uitdr.: een tukje doen en het Antw. een trokje, een poosje doen. Vgl. verder Mnl. Wdb. II, 365; 477; De Jager, Frequentatieven II, 73; Oudemans II, 180; Franck-v. Wijk, 144.

2298. Een tuk(je) doen (of pakken),

d.w.z. een middagslaapje doen (Harreb. II, 348 a), tukkebollen, tokkebollen of ook tukken, een tukje halen, een poosken pakken, zooals men in Zuid-Nederland zegt (De Bo, 401 b; 1197 b). Zie Mgdh. 216; Speenhoff III, 33: Vader is in bed geklommen, gaat een lekker tukkie doen; Falkl. VI, 57: Dan dee hij 'n tukje, verneembaar door z'n gesnurk; Handelsblad, 22 April 1914, p. 5 k. 2 (avondbl.): Eene gelegenheid, waar de vermoeide, geeuwerige Berlijner in het middaguur even een tukje kon pakken; 27 Juni (ochtendbl.) 1915, p. 6 k. 4: 'n Paar leden pakten stillekens 't tukje, dat 'n mensch na den eten toekomt; Ppl. 4; Jord. 61; 180; 200; Barb. 68; 144; Menschenw. 30; enz. talmen, dralen, wachten, toeven, in welken zin dit ww. dialectisch voorkomt (Tijdschr. XLI, 198). Dit znw. tuk behoort bij het ww. tukken, talmen, dralen, wachten, toeven, slapen, in welken zin het dial. nog voorkomtTijdschrift XLI, 198.. Vgl. het Zuidnederlandsche: een trek, een treksken, een trok doen, geheel in denzelfden zin als een tukje, een tuksken doen, halen, dat eveneens in Zuid-Nederland niet onbekend is (De Bo, 1197 a; Rutten, 235 a; Schuerm. 756 a; Waasch Idiot. 665 b). In de Zaanstreek en elders in Noord-Holland spreekt men van 'en tokkie doen, een hazetokkie, een middagtokkie, en kent men een wkw. tukken, tokken, een slaapje doen, ook in zich vertokken, zich verslapen; zie Menschenw. 168: Nou da' hai d'r juus tukke gong; Falkl. IV, 96: Anders sliep-ie tot half vier, ging de lantaarns uitdraaien, tukte wat na als-ie klaar was; IV, 124: Toen tukte ze nog eens in; Kunstl. II, 53: Als Frans tukt op z'n stoel; Boekenoogen, 1070; Bouman, 39 en vgl. voor het Urksch Taalen Ltb. VI, 44: Y legt op zen tukkien; ik goon op een tukkien; fri. in tukje, in knipperke dwaen; in tukje nimme. Zie no. 524 en 356.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut