Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tuit - (punt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tuit zn. ‘schenkpijp’
Mnl. tute, tuut ‘spits toelopend voorwerp, spitse punt’ in haddet na hare wille volgaen, si hadde hem ghetoghen wt alle die plumen toter twt ‘als het naar haar wens was gegaan, dan had ze hem alle veren tot aan de punt uitgetrokken’ [ca. 1340; MNW], i.h.b. ‘in een punt uitlopende haardracht, vlecht’ in Besiet hoe haer tuten staen [1400-20; MNW]; vnnl. schoen met tuyten ‘spits toelopende schoenen’ [1552; iWNT], waer drincken wy dan uit? ... uit de tuit ‘... Uit de schenktuit’ [1617; iWNT].
Herkomst onbekend, evenals de precieze aard van het verband met mnl. en vnnl. tote, toot ‘lange punt, schenktuit’ en met → toet, waarvan eveneens een variant tote ‘snuit, bek’ [1599; Kil.] bestaat, ook nu nog Vlaams tote, toot, teut(e) ‘schenkpijp; bek, muil, gezicht, smoel; kus’.
Mnd. tute ‘hoorn’ (en door ontlening nhd. Tüte ‘(punt)zakje’); nfri. tute ‘tuit’, tút ‘id., kus’; nzw. tut ‘tuit’, nde. tud ‘id.’.
tuiten 1 ww. ‘tot een tuit maken’. Vnnl. Met fyne zijd' getuyt ‘hoog opgewerkt met fijne zijde’ [1635; iWNT]; nnl. 'n kalmeerend tuiten van den mond [1913; NRC]. Afleiding van tuit.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tuit1* [punt] {tute ca. 1340} middelnederduits tute, hoogduits Tüte [puntzakje], fries tut; vgl. toot, met de grondbetekenis ‘puntig, spits’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tuit znw. v., mnl. tûte ‘vlecht, lok’, mnd., tūte v. ‘hoorn, hoornvormig voorwerp’ (> nhd. tüte, düte ‘puntzakje’), fri. tūt, tute ‘tuit’ en tūt ‘opgeblazen mond, lief bekje, kus’, nijsl. tūtr ‘dreumes’, tūta v. ‘wat scherp vooruit steekt’, nnoorw. dial. tut m. ‘snuit’, zw. dial. tut m. ‘tuit’, bornholms tuta v. ‘vingerhoeď, nde. tud ‘hoorn’. — Behoort tot de onder toot besproken woorden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tuit znw., mnl. tûte v. “vlecht, lok”. = mnd. tûte v. “horen, horenvormig voorwerp” (> nhd. tüte, düte), fri. tút, tute “tuit”, tût “gapende of opgeblazen mond, lief bekje, kus”, noorw. dial. tût m. “snuit, lootje (van een plant), horen om op te blazen”. Hoort eensdeels bij toot: tût(ǝ) “spits voorwerp”, — anderzijds bij het onomatop. mnl. tûten “toeteren, suizen” (nnl. tuiten, toeten), nhd. tuten, mnd. tûten “op den horen blazen, toeteren”, mhd.-md. er-tiuten “weerklinken”, fri. tûtsje, toetsje “toeteren, tuiten (de earen tûtsje my)”, eng. to toot “toeteren”; ook skandin.; hiernaast een dgl. basis met anlaut þ. Vgl. nog loftuiting, beteuterd. — tuit “radvelg” heeft wsch. oorspr. d-auslaut: Kil. tuyd, tuyt. Wellicht bij tuien.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tuit v., Mnl. tute + Ndd. tute, Fri., No. tút: abl. bij toot. Hieruit Prov. tudel, Ofra. tuel (Nfr. tuyau). In sommige bet. behoort het bij tuiten. Tranen met tuiten zijn tranen die van boven op een tuit eindigen, gelijk op de rouwfloersversiersels bij begrafenissen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

tuut (zn.) (papieren) zak; < Duits Tüte.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1tuit s.nw.
1. Spits uitstekende punt van iets. 2. Skinkpyp van 'n houer.
Uit Ndl. tuit (1552 in bet. 1, 1617 in bet. 2). Mnl. tute kom reeds voor, maar in die bet. 'skinkkan; haarvlegsel'.
D. Tüte, Sweeds tut.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

tuit (de, -en), (ook:) 1. speen op een zuigfles. - 2. ventiel van een bal. - Etym.: In AN veroud. in de bet. van ’tepel aan vrouwenborst’, in Z.-Ned. nog in de bet. van ’fopspeen’ en ’zuigdot’ (WNT 1973). - Zie ook: dot*, fopper(tje)*, stoppertje*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tuit: vernouende skinkpyp v. houer (bv. koffiekan, teepot, ens.); Ndl. tuit (Mnl. tūte/tuy-/toyte, “puntige voorwerp (soos horing, kardoes); skinkkan; haarvleg”), Hd. tüte/düte, “puntsakkie”; hierby ww. Ndl. tuiten, Afr. tuit, “suis” (bv. ore), reeds Mnl. tūten, “suis”, Hd. tūten, “op ’n horing blaas”, Eng. toot, “toeter”; hoofs. Germ. en kn.; vgl. ook Kloe HGA 163; v. ook ut II, ydeltuit.

ut II: alleen bek. in verbg. m. voorafgaande wit: ’n wit ut, “iemand m. besonder ligte huidskleur en blonde hare”; het dit misk. d. metan. ontst. uit Ndl. wittut (vgl. witkop, witkuif), waarin d. ged. veroud. (veral dial.) wd. toot/toet/teut/tuit, Mnl. tute/toyte/tuyte/tuit, Fri. en WVl. o.a. tut (vgl. Ndl. ijdeltuit, by Kil ijdel-tuyte) in bet. “mond; gesig; persoon; vrou” voorkom? Soos Ned. töt(e) en tūt(e) sou dit o.a. “wit neus; wit mond; wit gesig; wit mens” kon bet. het; v. tuit.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

tuit. Een van de betekenissen van tuit is ‘bundel hoofdhaar’. Deze betekenis treffen wij aan in de zeventiende-eeuwse verbinding dat hem de maar rijde met de tuiten! Ik vertaal dat met ‘moge de nachtmerrie hem berijden en bij de haren vasthouden’. De oorspronkelijke betekenis van de verbinding bij Gods tuiten luidde ‘bij de haarlokken van God’. Wij hebben hier te maken met een historische eedformule waarin God en zijn haarlokken tot getuigen worden aangeroepen dat men de waarheid spreekt. Het ijdel gebruik van die eedformule maakt haar tot vloek, die, om anderen niet te kwetsen, verbasterd en dus afgezwakt kon worden. Als bastaardvloek aangetroffen in bi gans stuyten (met voorgevoegde s). De pregnante betekenis van tuit ‘bundel hoofdhaar, het gezamenlijke hoofdhaar van de mens’ komt ook voor in de uitdrukking iemand in zijn tuiten vliegen ‘iemand in het haar vliegen’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tuit ‘punt’ -> Deens tute ‘rolletje, sluifje, vingerling’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments tùit ‘punt; (dunne) schenkpijp aan een ketel of pan; vulslangetje aan een bal’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tuit* punt 1340 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2284. Tranen met tuiten huilen (schreien of lachen),

d.w.z. groote, dikke tranen schreien (mnl. vloetoogen) of lachen; vooral van kinderen gezegd, die om eene kleinigheid zich zeer aanstellen. Tranen met tuiten zijn eig. groote, dikke tranen, die boven in een tuit, een punt, uitloopen (vgl. De Bo, 1195). Syn. tranen als oliekoeken (in B.B. 149; 453); fri. triennen as balstiennen (klinkers); Maastricht: snotsellelaank kriete. In de 17de eeuw komt de uitdrukking voor bij Brederoo I, 373, vs. 2134: Maar holla, ik moet ierst gaan huylen tranen met tuyten; Smetius, 132; Paffenr. 198: Hy krijt tranen met tuyte. Zie verder Tuinman I, 13: Traanen met tuiten schreyen, dit zegt men jokswijze van huilbalken, die een groot gebaar van ongemeende droefheid maken; Halma, 654: Traanen met tuiten schreijen, pleurer à chaudes larmes; Harreb. II, 342 b; Nkr. VII, 29 Maart p. 5; VIII, 15 Febr. p. 2. Hiernaast tranen met tuiten lachen o.a. in Nw. School IV, 115: Die andere baas was toch zoo'n leuke piemelEig. penis, mannelijke roede?; vgl. pik, in lekkere pik., ze lachten tranen met tuiten als hij aan 't vertellen was.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut