Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tuin - (gaarde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tuin zn. ‘gaarde’
Onl. tūn ‘omheining’ in tuni far uurpana ‘omvergeworpen omheiningen’ [10e eeuw; W.Ps]; mnl. tun ‘omheining, afscheiding’ [1240; Bern.], ‘omheinde ruimte, werf, gaarde’ in den tuun ..., daer men die engienen in tymmerde ‘de omheining, waarbinnen men de werktuigen bouwde’ [1345; MNW], den tuyn bemuren ‘de tuin ommuren’ [1470-90; MNW-R].
Os. tūn ‘omheining’ (mnd. tūn); ohd. zūn ‘id.’ (nhd. Zaun); oe. tūn ‘id.; omheinde ruimte’ (ne. town ‘stad’); ofri. tūn ‘omheining; hoeve’ (nfri. tún); on. tún ‘omheinde weide bij huis; erf’ (nno. tun); < pgm. *tūna- ‘omheining, omheinde ruimte’.
Wrsch. verwant met: Gallisch dūnon ‘versterking, versterkte stad’ (in plaatsnamen), Oudiers dūn ‘burcht, versterkte stad’, Welsh din ‘burcht’, zie ook → duin. Verdere herkomst onzeker.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tuin* [gaard] {oudnederlands tūn 901-1000, middelnederlands t(h)uun, tuyn [vlechtwerk van teen, omheining, de daardoor afgesloten ruimte]} oudfries, oudengels, oudnoors tūn [grasveld bij het huis] (engels town), oudhoogduits zūn; daarnaast in het kelt. plaatsnamen als Lugdunum [Londen], oudiers dún [burcht, omwalde stad], welsh din [vesting]; vgl. engels town; verwant met tuien. De uitdrukking iemand om de tuin leiden houdt de betekenis ‘omheining’ vast en wil dus zeggen ‘iemand rond de hof, maar niet erin leiden’ → Armida.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

tuin

De eigenlijke betekenis van het woord tuin is: omheining. Daarna duidt men er ook het omheinde stuk grond zelf mee aan. De oude betekenis komt nog voor in enkele uitdrukkingen. In geschiedenisboeken leest men dat in 1598 de tuin der Unie door de overwinningen van Maurits was gesloten. Verder is er de zegswijze: de kap op de tuin hangen, oorspronkelijk gebezigd van monniken die hun pij op de omheining hingen die het klooster omsloot en dan de benen namen. Nu gebruikt men de uitdrukking in de zin van: met een bepaald werk ophouden. Ze heeft een menigte varianten, als: de lier aan de wilgen hangen, de naald in het spek steken, de ploeg aan de wand, de toga aan de kapstok hangen en het roer in de heg steken.

Wanneer men zegt: iemand om de tuin leiden, dus niet in de hof, maar er om heen leiden, wil dit zeggen: iemand misleiden, iemand bij de neus nemen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tuin znw. m., in zuidnl. en westelijk NBrabant nog ‘heg, omheining’, in de Bommelerwaard ‘doophek’, mnl. tuun m. ‘omheining, omheinde ruimte’, onfrank. tūn m., os. -tūn, ohd. zūn (nhd. zaun) m. ‘omheining’, ofri. tūn ‘omheining, hoeve’, oe. tūn o. ‘omheining, omheinde ruimte’ (ne. town), on. tūn ‘omheinde weide voor het huis; erf, stad’. — gall. dūnum in plaatsnamen, oiers dūn ‘burcht, versterkte stad’, kymr. din ‘burcht’. — Alleen keltisch en germ.

De verbinding met gr. dúnamis ‘kracht, macht’ (Torp Wb 816) vooronderstelt als oudste bet. ‘versterkte plaats’, zoals de met palissaden versterkte vluchtburgen uit de La-Tène-tijd. Maar de bet. was stellig ruimer. Men moet uitgaan van ‘omheining’, maar dan niet met Wood MLN 16, 1901, 18 verbinden met de groep van tijgen, hetgeen leidt tot de gedwongen bet. ontw. ‘trekken’ > ‘vlechten’ > ‘vastbinden’ > ‘omheinen’. — Het woord behoort tot de onder tuien behandelde groep van termen van het bosbedrijf. Met de jonge loten werden allerlei soorten van vlechtwerk gemaakt en zo ook heiningen voor het afsluiten van stukken grond voor verschillende doeleinden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tuin znw., west-N.Brab., zuidndl. dial. = “heg, omheining”, Bommelerwaardsch = “doophek”, mnl. tuun m. “omheining, omheinde ruimte”. = onfr. tûn, ohd. zûn (nhd. zaun), (os. in de samenst. skrank-tûn) m. “omheining”, ofri. tûn m. “id., hoeve”, ags. tûn m. “omheinde ruimte” (in verschillende speciale bett.; eng. town), on. tûn o. “id.”. Identisch met gall. -dûnum in Lug(u)dûnum, ier. dûn “vesting”, oorspr. = “omheining”. Kan van de basis dū̆- “binden” (zie tuien) komen: oorspr. bet. “’t gebondene, gevlochtene”. De combinatie met gr. dúnamai “ik kan, vermag” (idg. dū̆- “sterk zijn”) is semantisch minder wsch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tuin. Het is cultuurhistorisch niet onaannemelijk dat het ospr. kelt. woord door de Germanen is ontleend vóór de klankverschuiving (Karsten Die Germ. 201 v.); met latere ontl. (Feist WuS. 11, 47) laat zich het consonantisme bezwaarlijk verenigen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tuin m., Mnl. tuun, Onfra., Os. tûn + Ohd. zûn (Mhd. id., Nhd. zaun), Ags. tún (Eng. town = stad), Ofri. tun, On. id. (Zw., De. tun), Oier. dûn = burg (vergel. de plaatsnamen van Kelt. oorspr.: Lugdunum, Augustodunum); geen verband met duin.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tuin s.nw.
1. Stuk grond, dikw. omhein, waar blomme, struike, ens. aangeplant word. 2. Mooi streek.
Uit Ndl. tuin (al Mnl. in bet. 1, 1613 in bet. 2). Die oorspr. bet. van Ndl. tuin, en nog gewestelik, was 'omheining', eers later oorgedra op die gewasse binne die omheining.
D. Zaun, Eng. town.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

tuin (de, -en), (ook:) rechthoekig deel van een plantage* (A. 1), met vaste afmetingen: blok begroeid met één gewas, aan de lange kanten begrensd door een trekker*, verdeeld in bedden*. - Etym.: In de veroud. samenst. poldertuin* betekent het plantage* (A. 1). - Syn. veld*. Samenst. ook riettuin*. Zie ook: stuk*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

tuin: kweekplek v. blomme, groente, vrugtebome; lushof; Ndl. tuin (Mnl. tuun, “omheining, omheinde ruimte”, in dié bet. nog dial. Ndl.), Hd. zaun, “omheining”, Eng. town, “dorp, stad” (in Oeng. nog “omheinde ruimte”), hou wsk. verb. m. Kel. dūn, “versterkte plek”; hoofs. Kel. en Germ.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

tuin. In de 17de eeuw komt by alle thuynen voor. De Baere (1940: 171) meent dat tuin wellicht teruggaat op een vijftiende-eeuwse munt, waarop een omheining van takken stond afgebeeld, ter herinnering aan een tuin of versperring van doornhaag, waarmee graaf Willem vi van Holland in 1406, bij de belegering van het slot Hagestein bij Gorcum, zijn kamp liet beschutten. Zo zou deze uitroep vergeleken kunnen worden met een paar andere, waarin eveneens van oude munten sprake is, t.w. vier myten en Fransche blancken. → stuiver.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Tuin bet. oorspr. heining, afsluiting, later het afgeslotene zelf: moestuin, bloemtuin; vgl. de Hollandsche tuin = omtuining, waarin de Ned. Maagd zit, en tuinkoning (de Hgd. naam voor winterkoninkje), daar hij in de haag nestelt. Het woord is verwant met het Keltische dunum = stad, Eng. town = stad, daar de oudste steden met een heg waren afgesloten; „mit hegge betyned”, heet het van een stad in een Angelsaks. kroniek van 547. Zie ook Gaard.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tuin ‘gaard’ -> Frans tune ‘vlechtwerk van rijshout’; Berbice-Nederlands tun ‘moestuin, akker’; Skepi-Nederlands tun ‘gaard’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tuin* gaard 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1078. De kap op den tuin hangen,

d.w.z. een beroep vaarwel zeggen; eig. gezegd van een monnik, die zijn kapmantel over den tuin (= omheining, haag, muur) van het klooster hangt en dit verlaatEene voorstelling hiervan is te vinden op de schilderij van Breughel (no. 61); vgl. omtuinen, Haarlemmer houttuinen, teertuinen (Amsterdam).. In de 16de eeuw treffen we de spreekwijze aan bij Plantijn: De cappe op den thuyn hanghen, pendre la chappe à la haye, iecter le froc aux orties, eiicere cucullam, apostatare, monachismum deserere, votifragum agere monachum; bij Anna Bijns, Refr. 56; 83 en 105; Tijdschrift XXI, 100: Wy willen de cappe opten tuyn gaen hanghen (anno 1524); Poirters, Mask. 101 kent ook de wiel (sluier) op den tuyn hanghen, dat natuurlijk oorspr. van eene non gezegd is; Pers. 822 a spreekt van den huyck op den tuyn hanghen. Varianten van deze spreekwijze zijn: zijn kap over de haag smijten of werpen; de kap op den tuin werpen (zie Ndl. Wdb. VII, 1415); het fri.: hy het syn brân oan 'e wân (zijn strijdzwaard aan den wand) hongen; het roer in de heg steken, de spade op den dijk steken; het anker achter de kat (paal op de kaai) werpen; het penseel in het spek steken, de schilderkunst vaarwel zeggen (Sewel, 635); de nal (naald) in 't spek steken (van een schoenmaker; Molema, 275 b en Draaijer, 38 b); de toga aan den kapstok hangen; Limb. de ploeg aan den wand hangen ('t Daghet XI, 95); de kap over de haag smijten (Volkskunde XIV, 144; Waasch Idiot. 270 a). Ook de Franschen zeggen: jeter le froc aux orties naast pendre l'épée au croc; bij Reuter, 128: sinen Preister an de irste beste Wide hängen; Wander II, 1739: er hat die Kutte an den Nagel gehängt; Dirksen I, 67: de nadel in 't spek steken; bl. 78: de rok an de nagel hangen; stadsfri. hij hangt den stok aan den muur, hij houdt op verkooper te zijn.

2296. Iemand om den tuin leiden,

vroeger ook iemand omleiden (lat. circumducere aliquemNdl. Wdb. X, 384.) of bij den neus omleiden (Pers, 1 b; 629 a; 796 a), d.i. iemand beetnemen, bij den neus hebben (zie no. 1619), onder den vlinder lee'n (De Bo, 1337). Tuin heeft hier nog de oorspr. bet. van omheining (vgl. no. 1078 en omtuinen, houttuinen, teertuinen), zoodat de uitdr. eig. wil zeggen iemand niet in den hof, maar er omheen leiden, een buitenwegje omleidenLichte Wigger, 16 r.; bij overdr. het ware niet mededeelen, bedriegen In de 17de eeuw o.a. bij Hooft, Brieven, 82; Ged. II, 107:

 Want die met schijn van deucht het vollick soeckt te paeijen
 Met schoon beloften loos, en om den tuin te leijen,
 Geniet een corte tijt tot dat het werd' verbreijt,

 De wanckelbare vrucht van zijn scherpsinnicheit.Zie verder Vondel, Virg. II, 22; Hooft, Ned. Hist. 249; Pers, 288 b; 533 a; 886 b; 892 a; 666 b: Iemand om den tuin en te gelyck van kant helpen; De Brune, Bank. I, 141: Hoe leyd-men malkander om den thuyn, zonder in den hof te brengen; Van Effen, Spect. IV, 209; XII, 61; Halma, 653; Sewel, 801; Ndl. Wdb. VIII, 1475; Kippev. I, 173; 372; De Arbeid, 17 April 1914, p. 5 k. 1; vgl. de synonieme uitdr. met iemand langs den muur loopen, voor den gek houden (V.d. Water, 110); iemand op het ijs leiden (Rutten, 99 en Tuerlinckx, 740); kaapsch-holl.: iemand om di bos loopNdl. Wdb. III, 641. en het hd. jemand hinters (unters, ums) Licht führen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut