Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tuimelen - (buitelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

tuimelen ww. ‘buitelen’
Mnl. tumelen ‘vallen’ in dien dedi tumelen ... jnden bodem vander graht ‘die deed hij vallen op de bodem van de vestinggracht’ [1260-80; VMNW], ‘buitelingen maken, enz.’ in eenen cleenen meytken, dat tumelde voor mijns heren luden ‘voor een klein meisje dat acrobatische toeren verrichtte voor de lieden van mijn heer’ [1340-44; MNW]; nnl. tuimelen ook ‘omklappen, om een as draaien’ in ramen ... waarin zich een draaijend of tuimelend gedeelte bevindt [1848; iWNT], vanwaar ook samenstellingen als tuimelraam ‘omklapbaar raam’ [1863; iWNT] en tuimelschakelaar ‘schakelaar met hefboompje dat een contactarmpje laat omklappen’ [1919; iWNT].
Er wordt wel verband gelegd met Frans tomber ‘vallen’, ouder ‘dansen, springen, buitelingen maken’ [ca. 1165; TLF], dat volgens De Tollenaere, Vercoullie en FvW ontleend is aan het Germaans. Volgens TLF, Rey en Pfeifer (onder tombola) is tomber echter een klanknabootsing van het geluid van buitelingen en sprongen, ontstaan in het jargon van acrobaten en verspreid door het hele Romaanse gebied: Roemeens tumbă ‘salto, buiteling’, Italiaans tombolare ‘salto springen’, zie → tombola, Spaans tumbar ‘omgooien’, Portugees tombar ‘id.’. Volgens Rey is Frans tomber wel beïnvloed door een ouder ww. tumer ‘luchtsprongen maken’ en ‘vallen’ [12e eeuw; Rey], later ook ‘omdraaien’ [13e eeuw; Rey], dat inderdaad ontleend is aan Frankisch *tūmōn ‘draaien, zwaaien’.
Mnd. tumelen, tummelen ‘springen, buitelen’; ohd. tūmalōn ‘draaien’, tūmilōn ‘dreunen, daveren, gieren’ (mhd. tumeln ‘heftig bewegen, springen, dansen’, nhd. taumeln ‘buitelen, tuimelen’, tummeln ‘dartelen’); nfri. tûmelje, tommelje ‘buitelen, vallen’; oe. tomblen, tumblen ‘omrollen, buitelen’, later ‘acrobatisch dansen’ (ne. tumble ‘tuimelen, rollen’); nzw. tumla ‘buitelen, vallen’; daarnaast zonder -el-: ohd tūmōn ‘draaien, zwaaien, wentelen’; oe. tumbian ‘dansen’; on. tumba ‘tuimelen, vallen’. Met d-anlaut Zaans duimelen ‘tuimelen’; nfri. dûm ‘dol, waanzinnig’.
Het is niet duidelijk hoe de vormen met t- (voor zover niet ontstaan door de Hoogduitse klankverschuiving) en d- en die met en zonder -b- zich exact tot elkaar verhouden. Misschien is er sprake van contaminatie van twee wortels pgm. *tumb- en *dum-. De verdere herkomst is dus zeer onduidelijk. Mogelijk is er verband met Grieks thū́ein ‘stormen, bruisen, razen’ en Sanskrit dhávati ‘loopt, stroomt, vloeit’; bij de wortel *dheuH- ‘razen, schudden’ (LIV 149).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tuimelen* [buitelen] {tumelen 1260-1280} middelnederduits tumelen, middelhoogduits tumeln, tumen [tuimelen], oudengels tumbian, oudnoors tumba; tuimelen is een iteratief van tu(y)men [idem]. Buiten het germ. grieks thuein [rook doen opdwarrelen, brandofferen] en oudindisch dhunoti [schudden, schokken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tuimelen ww., mnl. tūmelen, Kiliaen tuymelen ‘kopje duikelen, buitelen, storten’ en trans. ‘wentelen, draaien’, mnd. tūmelen ‘springen, dansen, ronddraaien’, fri. tūmelje, nde. tumle, nzw. tumla ‘buitelen, tuimelen’ en met wel secundaire korte vokaal Kiliaen tommelen, tummelen, mnd. tummelen, fri. tommelje. Dit zijn iteratieven bij mnl. tūmen, waarnaast met andere beginconsonant ohd. tūmōn, tūmalōn, die men met oi. dhunōti ‘hij schudt’ verbindt.

Daarnaast vinden wij nog mnd. tumben ‘tuimelen, duikelen’ (> on. tumba ‘omvallen’), oe. tumbian ‘dansen’ (ne. tumble). — Opvallend is de overeenstemming van een reeks romaanse woorden, zoals fra. tomber ‘vallen’, maar ofra. ‘tuimelen, omvallen’, waarnaast ofra. tumer ‘springen, kopje-over buitelen’. Terwijl Gamillscheg 847 dit laatste ww. uit een frank. *tūmōn wil afleiden, gaat volgens hem tomber op een vulg. lat. *tumbāre ‘in het graf afdalen’, maar (door kruising met tumer?) ook ‘buitelen’ en als typisch woord van de romeinse joculatores zou het dan ook in het Germ. verbreid zijn als oe. tumbian, on. tumba (voor romaanse oorsprong spreekt ook roemeens tumbǎ ‘duikeling’). Het is dus niet onmogelijk, dat de groep van tuimelen door romeinse cultuurinvloed te verklaren zou zijn. Dat goochelaars en kunstemakers al vroeg ook in Germanië optraden bewijst een gedicht van Porbjorn hornklofi uit de 9de eeuw (Haraldskvæði str. 22-23), waar verteld wordt, dat zij aan het hof van Harald Schoonhaar hun kunsten vertoonden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tuimelen ww. Kil. tuymelen “kopje duikelen, equilibristentoeren uithalen, zich wentelen, buitelen, storten” (intr.), ook trans.: “wentelen, draaien”, mnl. tûmelen en tûmen “tuimelen, vallen”. = mnd. tûmelen “springen, dansen, ronddraaien (van equilibristen e.dgl.), dartelen, zich onvast bewegen”, fri. tûmelje “buitelen, vallen”, de. tumle “id.”. In dgl. bett. met korte vocaal Kil. tommelen, tummelen, mnd. tummelen, fri. tommelje, die eer met tûmelen identisch zijn dan er mee ablauten. Hiernaast met anderen anlaut Zaansch duimelen “tuimelen”, ohd. tū̆môn, tū̆malôn “draaien” (intr.; nhd. taumeln, tummeln), fri. dûm “dol, waanzinnig”. Deze d-vorm kan met gr. thū́ō “ik kom aanstormen” enz. (zie deuvik, dier) gecombineerd worden, terwijl de t-vorm met gr. dū́ō “ik stort mij in iets, dring binnen”, oi. upâ-du- “zich hullen in” (waarbij misschien ook ohd. zawên “goed gaan” enz. Zie bij touwen in fine) verwant zou kunnen zijn. Dit is echter zeer onzeker. De beoordeeling wordt nog moeilijker, doordat naast tū̆m- ook tumƀ- voorkomt, dat misschien secundair is, maar ook ouder dan tū̆m- kan zijn; dan zou dit als contaminatieproduct van tumƀ- en ðū̆m- te beschouwen wezen. Van tumƀ- ags. tumbian “dansen” (eng. to tumble), on. tumba “tuimelen, vallen”. Vgl. ook mhd. tumben “dartelen”. Uit ’t Germ. fr. tomber “vallen” en verwanten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tuimelen (slot). De rom. groep van fr. tomber, die verschillend wordt beoordeeld, blijve hier onvermeld.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tuimelen ono.w., Mnl. tumelen + Hgd. taumeln, Eng. to tumble: frequent. van *tuimen, Mnl. tumen + Ohd. tûmôn, Ags. tumbjan, On. tumba. Uit het Germ. komt Ofr. tumer (Waalsch toumer) en Nfra. tomber.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

toemele (ww.) tuimelen; Vreugmiddelnederlands tumelen <1260-1280>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tuimel ww.
1. Neerval. 2. Omrol of onderstebo val. 3. Val.
Uit Ndl. tuimelen (al Mnl. in bet. 1, 1552 in bet. 2, 1810 in bet. 3).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Tuimelen, frequ. van ’t Mnl. tumen = vallen, nederstorten, b.v.: „Dus moeste daar menich (= menigeen) tumen ter eerde”, waarvoor ook tuymen gebruikt wordt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tuimelen ‘buitelen’ -> Deens tumle ‘buitelen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors tumle ‘buitelen’; Zweeds tumla ‘buitelen’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands tomel, tumbl ‘werpen, vallen, ontworstelen’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tuimelen* buitelen 1260-1280 [CG II1 Wrake R.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut